|
|
|
| |
F
| |
faam
Term uit de oudere literatuurgeschiedschrijving voor de roep, de
goede naam - afgeleid van de gelijknamige godin die de daden der helden
uitbazuint - van een schrijver. De studie van iemands faam is vanouds onderdeel
van zijn biografie, welke vervolgens bij het nageslacht weer kan leiden tot
vergroting van iemands faam in de zin van roem of vermaardheid (met opname in
de
canon van de literatuurgeschiedenis als
mogelijk gevolg). Deze postume faamvergroting kan tenslotte op zijn beurt weer
onderwerp zijn of worden van een
hagiografie.
De evaluatie (kritiek,
oordeel) van het belang van een schrijver en
zijn werk, resulterend in zijn eventuele faam, wordt in de huidige
literatuurgeschiedschrijving niet normatief gehanteerd, maar hooguit als
feitenmateriaal bestudeerd behorend tot het object van de receptiegeschiedenis.
Zo kan men de faam die
J. Kloos-Reyneke van Stuwe (1874-1951)
in haar desbetreffende ‘biografie’ Het menschelijk beeld
van Willem Kloos (1947) haar echtgenoot toedicht, als empirisch
gegeven vermeld zien in een literair-historisch handboek, terwijl deze
wetenschappelijk onbetrouwbare levensbeschrijving tegelijkertijd als bouwsteen
voor het oordeel van de literair-historicus wordt afgewezen (
C.G.N. de Vooys en
G. Stuiveling. Schets van de
Nederlandse letterkunde, 198032, p. 263).
LIT: Shipley. [G.J. Vis]
| |
fabel-1
Kort, fictioneel verhaal of dichtwerk met een exemplarische (exempel) moraal. Vaak is de hoofdrol voor dieren weggelegd
(dierenfabel), maar er zijn ook
‘mensenfabels’. De klassieke poëtica onderscheidde de fabel
van de historia (fabel-2, waar) en het argumentum
(waarschijnlijk), en verstond er een onwaar en onwaarschijnlijk verhaal
onder.
Hoewel de Egyptische en Oudindische literatuur al fabels kende,
begint de West-Europese fabelliteratuur met de vrijgelaten slaaf
Aesopus (6e eeuw v.Chr.). Omdat zijn
bescheiden maatschappelijke status hem niet toestond vrijuit en rechtstreeks te
spreken, bedacht hij de fabel om indirect en zonder aanstoot te geven de mensen
de waarheid te zeggen. Aesopus schreef zijn fabels in proza. Ze deden vooral
dienst als ruw materiaal voor redenaars. Om ze hiervoor extra geschikt te maken
werd bij wijze van index een
promythium en bij wijze van moraal een
epimythium toegevoegd. Pas in de 1e eeuw
n.Chr. werden ze tot ‘literatuur’ toen ze door
Babrius in Griekse en door Phaedrus in
Latijnse verzen werden bewerkt. De Phaedrische fabels werden aangevuld door
Avianus en deden dienst als
schoolliteratuur. Omdat Christus zich van de
parabel bediende, een met de fabel
vergelijkbaar subgenre, vgl. De parabelen van Cyrillus
(ed.
Lelij, 1930), verwierf de fabel zich mede
dankzij
Isidorus van Sevilla (ca. 560-636) een
vaste plaats in het curriculum. Middeleeuwse auteurs baseerden zich niet direct
op
Phaedrus, maar op de bewerking van
Romulus (8e eeuw), op welke bewerking ook
de Middelnederlandse Esopet teruggaat. Pas tegen het
einde van de Middeleeuwen worden de Aesopische fabels herontdekt.
De fabel is sedertdien steeds beoefend gebleven. De grootste
bekendheid genieten de fabels van
Jean de La Fontaine (1621-1695).
Nederlandse fabeldichters zijn:
Vondel,
Bilderdijk,
Karel van de Woestijne,
Leo Vroman en
Thijs Chanowski (Fabeltjeskrant).
LIT: Baldick; Bantel; BDI; Best; Buddingh'; Cuddon; Fowler; Gorp;
HWR; Laan; LdMA; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott;
Shipley; Wilpert; J.F. Heijbroek. De fabel (1941); F. Lulofs (ed.).
Van den vos Reynaerde (19852), p. 14-39; P.W.M. Wackers.
De waarheid als leugen. Een interpretatie van Reynaerts historie (1986),
p. 12-38; P.W.M. Wackers. ‘Mutorum Animalium Conloquium or, Why do
animals speak?’, in: B. Levy en P. Wackers (red.) Reinardus. Yearbook
of the International Reynard Society (1988), p. 163-174; Het ongelukkige
leven van Esopus (vert. W. Kuiper en R. Resoort, 1990); W. Kuiper.
‘De Middelnederlandse Esopet’, in: Spektator 21 (1992), p.
35-54; J.A. Schippers. Middelnederlandse fabels. Studie van een genre,
beschrijving van collecties, catalogus van afzonderlijke fabels (1995). [W.
Kuiper]
| |
fabel-2, geschiedenis of story
Term uit de verteltheorie of dramatheorie waarmee de schematische
weergave van de gebeurtenissen in een literaire tekst in chronologische
volgorde en in logische samenhang wordt bedoeld. In de fabel worden de
lotgevallen van de personages (acteurs) logisch en chronologisch samengevat. De
term ‘story’ is afkomstig van
E.M. Forster uit diens Aspects
of the novel (1927). Hij plaatste de term tegenover
plot, waarbij het om de literaire vormgeving
gaat van het vertelde.
LIT: Bal; Bergh; Best; Boven/Dorleijn; Drop; Fowler; Gorp;
Herman/Vervaeck; Laan; Lodewick; MEW; Prince; Wilpert; R. Engbersen.
‘Fabula’, in: W. van Peer en K. Dijkstra (red.).
Sleutelwoorden (1991), p. 49-57. [G.J. van Bork]
| |
fabliau
Oudfranse benaming voor korte, komische, erotische, gepaard
rijmende verhalen, in het Middelnederlands nagevolgd als
boerde.
LIT: Abrams; Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan;
Metzler; MEW; Myers/Simms; Scott; Wilpert; Ph. Ménard. Les fabliaux.
Contes à rire du Moyen Age (1983); W. Noomen en N.H.J. van den
Boogaard (eds.). Nouveau receuil complet des fabliaux (1983-....). [W.
Kuiper]
| |
facetiae
Middellatijnse komische
anekdoten geschreven door (Italiaanse)
humanisten als
Poggio (1380-1459), vertaald en
nagevolgd in het Nederlands als klucht (klucht-2;
kluchtboek). Bij facetiae bevat de pointe
altijd een grappige woordspeling (facete dictum), bij kluchten een grappige
handeling (facete factum). Het verschil met de anekdote en de
apophthegma is dat het daar gaat om
handelingen, respectievelijk uitspraken van historische personen.
LIT: BDI; Best; Cuddon; Gorp; HWR; LdMA; Metzler; Scott; Wilpert;
H. Pleij e.a. Een nyeuwe clucht boeck (1983); P.P. Schmidt.
Zeventiende-eeuwse kluchtboeken uit de Nederlanden; een descriptieve
bibliografie (1986), p. 14-15. [W. Kuiper/P.J. Verkruijsse]
| |
Fachliteratur zie
artesliteratuur
| |
facsimile-editie
Term uit de editietechniek voor een publicatie die de bedoeling
heeft zo getrouw mogelijk en met behulp van alle beschikbare mechanische
middelen de kenmerken van een
codex,
manuscript,
druk, tekening of gravure te reproduceren.
Het te facsimileren object wordt gewoonlijk gekozen omwille van zijn
intrinsieke waarde (zeldzaamheid, kostbaarheid). Tot de tijd van de offset,
begin 20e eeuw, heeft de facsimile-uitgave een bibliofiel (bibliofilie) karakter door papier- en bandkeuze en door de
beperkte
oplage.
In de loop van de tijd zijn alle technieken van de diep-, hoog- en
vlakdruk voor het facsimileren benut. Voor de kopergravurefacsimile wordt het
origineel nagesneden in koper. Een van de vroegste voorbeelden daarvan is de
editie door
Hugo de Groot in 1600 van de zgn.
Aratea-codex uit de collectie-Vossius (nu in de UB Leiden) waarvoor
Jacob de Gheyn de platen sneed. In 1987
is dezelfde codex via het offsetprocédé gefacsimileerd.
Weinig toegepast is het zeer bewerkelijke drukletter- of
typografisch facsimile waartoe de
letter van het origineel wordt nagesneden en
gegoten. Als de oude matrijzen bewaard gebleven zijn, kunnen ook die weer
gebruikt worden voor het gieten van ‘nieuwe’ letter. Een voorbeeld
van een drukletterfacsimile-uitgave is die door Vincent en
James Figgins uit 1855 van de
Caxton-druk uit circa 1483 van The game of chess, een
vertaling door Caxton van een werk van
Jacobus de Cessolis.
Voor het blokdrukfacsimile wordt de oorspronkelijke druk of
houtsnede gecalqueerd en op een houtblok overgebracht. Deze zeer
arbeidsintensieve methode bleef in zwang tot eind 19e eeuw toen toch ook reeds
de steendrukfacsimile of lithografie was uitgevonden (eind 18e eeuw). De
laatste methode is gebruikt voor reproductie van een aantal Middelnederlandse
codices en ook voor de druk uit 1474 of 1475 van het blokboek
Speculum humanae salvationis (door
J.Ph. Berjeau in 1861).
Steendrukfacsimile's werden vaak met de hand ingekleurd, ook toen de
chromolithografie begin 19e eeuw uitgevonden was.
Vanaf midden 19e eeuw komen de fotografische technieken in zwang,
waardoor het aantal facsimile's enorm toeneemt. Het lichtdrukfacsimile wordt
vervaardigd vanaf platen; de fotolithografie brengt het beeld via fotografische
weg over op steen; vanaf ongeveer 1910 is er de offsetpers, die een doorbraak
betekent voor de talloze
reprints.
Veel facsimile-uitgaven hebben niet de status van
teksteditie omdat de commercieel uitgever
geen
editeur (codicoloog, analytisch-bibliograaf)
raadpleegt: een verantwoording van gekozen druk en
exemplaar-1 ontbreekt dan. Reeksen
facsimile-edities van Nederlandse teksten zijn Zeldzame volksboeken
uit de Nederlanden door
W.L. Braekmanen
Facsimile-Edities der Lage Landen (FELL) door een
interuniversitaire redactiecommissie. Sommige facsimile's zijn vervaardigd met
de bedoeling vervalsing te plegen.
LIT: BDI; Best; Brongers; Feather; Gorp; Hiller; Laan; Metzler;
MEW; Scott; Wilpert; Ph. Gaskell. A new introduction to bibliography
(19742), p. 266-273; B. van Selm. ‘Overwegingen bij een
fotomechanische herdruk’, in: Dokumentaal 7 (1978), p. 113-118; E.
Cockx-Indestege en C. Lemaire. Handschriften en oude drukken in facsimile
van 1600 tot 1984 (catalogus KB Brussel 1984); J.A.A.M. Biemans.
‘Lithografische facsimile's van twee Spiegel Historiael-fragmenten.
Enkele opmerkingen over de vervaardiging en betrouwbaarheid van vroege
steendruk-reprodukties van Middelnederlandse handschriften’, in:
Miscellanea neerlandica; opstellen voor Dr. Jan Deschamps t.g.v. zijn 70e
verjaardag, dl. 1 (1987), p. 145-165. [P.J. Verkruijsse]
| | | |
factie
Benaming uit de rederijkerstijd voor een komisch, satirisch of
moraliserend toneel- of straatspel van geringe lengte (gewoonlijk minder dan
200 verzen), vrijwel zonder intrige, met haast uitsluitend allegorische
personen, en aan het slot een factielied. Van de in totaal zeventien bekende
facties zijn er zestien overgeleverd in de bundel Spelen van
sinne (1562) (Het Antwerpse Landjuweel van
1561, ed.
Kruyskamp, 1962). De enige andere,
Factie oft spel voer den Coninck Philippus van
Peter de Herpener, dateert van 1556. Op de
uitnodigingskaart tot het Antwerps landjuweel wordt de factie met name genoemd
(ed. Kruyskamp, p. xi):
Wie de beste Factie voort sal stellen,
Achter straten doende, met een vrolijck rellen,
Daer meest sins in besloten werdt sonderlinghen,
En recreatijuelijcst om vertellen,
Maer Schimp en Onhuescheyt moety buyten vellen,
Met een nieu dansliedeken om springhen,
Die wint Sprincen wapen, dus wilt druck bedwinghen,
Dry Oncen swaer, En noch voor Tweede fijn,
Ons Hooftmans wapene, doet wel v dinghen,
Van twee Oncen, thoont Broeders een Constich schijn;
Alle de Prijsen sullen goet Siluer sijn.
LIT: Buddingh'; Gorp; Laan; MEW; W.M.H. Hummelen. Repertorium
van het rederijkersdrama 1500 - ca. 1620 (1968); W.N.M. Hüsken.
Noyt meerder vreucht; compositie en structuur van het komische toneel in de
Nederlanden voor de Renaissance (1987), p. 40. [P.J. Verkruijsse]
| |
factor of facteur
Letterlijk: maker. Benaming uit de tijd van de
rederijkers voor degene die de literaire
activiteiten in een
rederijkerskamer leidde. Deze bezoldigde
functie behelsde onder meer het schrijven van de stukken (ballade-2,
refrein-2,
spel van zinne) voor verschillende
gelegenheden (blijde inkomst,
landjuweel), het leiden van toneelspelen en
soms het componeren van muziek. Bekende factors zijn
Jan van den Berghe (De Violieren, Den
Boeck),
Matthijs de Castelein (Pax vobis, De
Kersauwe),
Jan van Dale (De Mariacrans, De
violette),
Eduard de Dene (De drie santinnen),
Cornelis Everaert (De Heilige Geest) en
Anthonis de Roovere (De Heilige
Geest).
LIT: Brongers; Gorp; Laan; MEW; D. Coigneau.
‘Rederijkersliteratuur’, in: M. Spies (red.). Historische
letterkunde. Facetten van vakbeoefening (1984), p. 35-57; A. van Elslander.
‘Letterkundig leven in de Bourgondische tijd. De Rederijkers.’ in:
Terugblik (1986), p. 9-25. [W. Kuiper/H. Struik]
| |
factotum
Term uit de drukkerswereld voor een
houtsnede, bestaande uit een versierde rand
waarbinnen een opening is uitgespaard waarin letters gezet kunnen worden.
Factotum en letterzetsel zijn beide hoogdruk, zodat ze in één
drukgang afgedrukt kunnen worden. Wanneer in de opening een
kapitaal wordt gezet, lijkt het geheel op
een versierde
initiaal-1.
LIT: Feather. [P.J. Verkruijsse]
| |
familieroman
Roman waarin de lotgevallen van een heel gezin of van een hele
familie (soms van enkele generaties daarvan) worden beschreven. Sommige
familieromans groeien uit tot sociale romans, doordat zij het karakter van de
familieroman overstijgen, bijv. omdat ze de hele sociale context van zo'n
familie in de beschrijving betrekken. Beroemde voorbeelden van familieromans
zijn Die Buddenbrooks (1901) van
Thomas Mann en The Forsyte
Saga (1922) van
John Galsworthy. Nederlandse familieromans
zijn bijv.
L. Couperus' De boeken der
kleine zielen (1901-1903) en
Ina Boudier-Bakkers De klop op
de deur (1930). InBelgië kan
G. Walschaps De familie
Roothooft (1939) als familieroman met sociale strekking gezien
worden.
LIT: BDI; Best; Lodewick; Metzler; MEW; Wilpert. [G.J. van
Bork]
| |
fanopoeia
Eén van de drie niveaus waarop een tekst kan worden
beleefd, nl. die van het visuele niveau. Het gaat daarbij niet om de visuele
vormgeving (zoals in
concrete poëzie), maar om het door
woorden of klanken bij de lezer opgeroepen beeld. De beide andere niveaus zijn
die van het verstand (logopoeia) en de muzikaliteit
(melopoeia).
LIT: Buddingh'; Cuddon; E. Pound. ABC of reading (1934).
[G.J. van Bork]
| |
fantastische literatuur
De definitie van wat fantastische literatuur genoemd wordt, laat
zich formuleren in twee uitersten. Aan de ene kant valt er alle literatuur
onder, waarin iets voorkomt dat niet tot de normale alledaagse werkelijkheid
behoort of dat als ‘bovennatuurlijk’ ervaren wordt. Als genre
tussen wat men de literatuur van het vreemde of wonderbaarlijke zou kunnen
noemen en de literatuur van het onbestaanbare omvat de fantastische literatuur
in deze zin een groot aantal subgenres, zoals griezelverhalen (gothic novel,
spookverhaal, vampierverhaal e.d.),
sprookjes,
ridderromans, mythologische verhalen,
magisch-realistische literatuur (magisch realisme),
imaginaire reisverhalen,
leugenliteratuur en
science fiction.
Anderzijds bestaat de opvatting dat de term gereserveerd moet
worden voor die literatuur waarin iets echt bovennatuurlijks voorkomt, bijv.
als onderdeel van een overigens volstrekt ‘natuurlijk’ of
reëel verhaal. In deze beperkte zin valt veel buiten de fantastische
literatuur, bijv. omdat wat aanvankelijk als abnormaal of onwaarschijnlijk
ervaren wordt in een later stadium van het verhaal zijn natuurlijke verklaring
krijgt, zoals in veel griezelverhalen het geval is. Sommigen zijn zelfs van
mening dat de term moet worden gebruikt voor alleen die literatuur waarin de
lezer aarzelt of hij nu met bovennatuurlijke zaken te maken heeft of niet.
Vooralsnog lijkt het niet erg zinvol het genre hiertoe te beperken.
Fantastische literatuur is vooral in de 19e eeuw met de romantiek
sterk in opkomst geraakt. Thema's en motieven die in volksverhalen sterk zijn
blijven voortleven, kwamen opnieuw in zwang en vonden alle mogelijke literaire
verwerkingen: spoken, vampiers, raadselachtige verdwijningen en verschijningen,
dwergen, reuzen, tot leven gewekte doden enz.
In het Nederlandse taalgebied treffen we voorbeelden van
fantastische literatuur in de hierboven omschreven ruimere zin aan in het werk
van
Kneppelhout (De legende van
het eiland Moen, 1875),
Bordewijk (Fantastische
vertellingen, 1919),
Belcampo en
Hugo Raes.
LIT: Baldick; Dupriez-2; Fowler; Gorp; MEW; Het Fantastische,
spec. nr. van De Revisor 8 (1981) afl. 5; D. Schouten. Duivelse
boeken. Twee eeuwen griezelliteratuur in de Lage Landen: een bibliografie
(1997). [G.J. van Bork]
| | | | | |
fatalisme
Wereldbeschouwing waarin het standpunt gehuldigd wordt dat de mens
bepaald is door machten of wetmatigheden die zijn leven zodanig bestemmen dat
hij daar zelf geen of nauwelijks invloed op kan uitoefenen.
Vooral in het
naturalisme speelt het noodlot als fatale
macht een grote rol, op z'n minst als discussiepunt. Onder invloed van het
positivisme werd het fatalisme in de negentiende eeuw vooral begrepen als een
noodlottige onderworpenheid aan wetten van afkomst, milieu en omstandigheden
(determinisme). Dit pessimistische wereldbeeld vindt men
vooral terug in het werk van
Couperus (bijv.
Noodlot, 1890) en
Emants (Een nagelaten
bekentenis, 1894). In deze romans wordt de onvermijdelijke
ondergang van de personages in de eerste plaats verklaard uit de onmacht om
zich tegen deze bepalende omstandigheden te verzetten.
Andere naturalisten daarentegen gaan ervan uit dat de mens een
vrije wil bezit; vooral Zola betoogt dat juist door kennis van de
determinerende omstandigheden de toekomst van mens en maatschappij op een
gunstige manier te beinvloeden is.
LIT: J. van Loenen Martinet. Het fatalisme in onze jongste
letterkunde (1891); C.H. den Hertog. Noodlottig determinisme. Voordracht
naar aanleiding van Louis Couperus' Eline Vere enNoodlot (1891);
Marc Galle. Van gedroomd minnen tot ons dwaze bestaan. Het noodlot in het
werk van Louis Couperus (1973); Ton Anbeek. De naturalistische roman in
Nederland (1982); Romain Debbaut. Het naturalisme in de Nederlandse
letteren (1989). [G.J. van Bork]
| |
favele
Middelnederlandse depreciërende benaming voor een tekst die
‘waar’ pretendeert te zijn (historie,
historiciteit), dan wel voor waar doorgaat,
maar integendeel onwaar is (boerde,
fabel-1), bijv.
Hier ne vint men no favele no bo(e)rde
No ghene truffe no faloerde,
Maer vraie rime ende ware woerd
(
Jacob van Maerlant.
Scolastica, ed.
Gysseling, 1983, vs. 27-29).
Auteurs van
rijmkronieken, zoals
Jan van Boendale en
Melis Stoke, maar ook auteurs van
ridderromans benadrukken regelmatig dat
hetgeen zij te vertellen hebben geen ‘favele’ is.
LIT: A.L.H. Hage. Sonder favele, sonder lieghen. Onderzoek naar
vorm en functie van de Middelnederlandse rijmkroniek als historiografisch
genre (1989). [W. Kuiper/H. Struik]
| |
feministische literatuur
Literatuur die de aandacht richt op de problematiek van de vrouw,
in het bijzonder op de sociale positie van de vrouw. Daarbij staat het streven
naar gelijkberechtiging van de seksen centraal. Feministische literatuur tracht
duidelijk te maken dat vrouwen in een achterstandspositie verkeren ten opzichte
van mannen, omdat in de maatschappij de mannelijke normen en waarden als
algemeen geldend worden gehanteerd en vrouwen daaraan altijd onderworpen zijn
geweest. Het vanzelfsprekende karakter daarvan wordt aangevallen en de eigen
identiteit van de vrouw wordt daar tegenover gesteld en haar waarden worden als
alternatief benadrukt.
Het feminisme heeft zich gemanifesteerd in twee golven, waarvan de
eerste zich aandiende in de tweede helft van de 19e eeuw. Doorgaans wordt in
Nederland
A.L.G. Bosboom-Toussaint met haar roman
Majoor Frans (1874) als voorloopster
gezien. Andere feministische auteurs uit die periode zijn o.m.
Betsy Perk,
Mina Kruseman,
Cornelie Huygens,
Cecile Goekoop de Jong van Beek en Donk
en
Anna de Savornin Lohman. Feministische
tijdschriften uit die jaren waren o.m. Ons Streven en Onze
Roeping.
De tweede golf begon aan het eind van de jaren '60 van de 20e eeuw
met auteurs als
Hannes Meinkema,
Anja Meulenbelt,
Monika van Paemel en wat later Renate
Dorrestein. Ook in deze periode verschenen feministische tijdschriften, zoals
Opzij (vanaf 1972) en Chrysallis (1978-1981). Bovendien werden nu
specifieke uitgeverijen voor vrouwenliteratuur opgericht, zoals An Dekker
(Amsterdam) en Sara (Nijmegen).
In het literatuuronderwijs aan de universiteiten werd speciale
aandacht gevraagd en verkregen voor vrouwenliteratuur, hetgeen uiteindelijk
resulteerde in speciaal gecreëerde afdelingen, leerstoelen of vakgroepen
Vrouwenstudies.
Feministische literatuur behoort vanwege het emancipatoire
karakter tot de geëngageerde literatuur (engagement).
LIT: Fowler; Gorp; Lodewick; M. de Waal (red.). Mina Kruseman
(1839-1922). Portret van een militant feministe en pacifiste (1978); H.
Stamperius. Vrouwen en literatuur (1980); M. Eagleton (ed.). Feminist
literary theory. A reader (1986); K. Hemmerechts en W. Neetens (red.).
Vrouwelijkheid, mannelijkheid, literatuur (ALW-Cahier 6, 1988); E. van
Boven. Een hoofdstuk apart. De receptie van vrouwenromans in de literaire
kritiek 1898-1930 (1992); A.A. Sneller. Met man en macht. Analyse en
interpretatie van teksten van en over vrouwen in de vroegmoderne tijd
(1996); T. Streng. Geschapen om te scheppen? Opvattingen over vrouwen en
schrijverschap in Nederland 1815-1860 (1997); R. Schenkeveld-Van der Dussen
(red.). Met en zonder lauwerkrans; schrijvende vrouwen uit de vroegmoderne
tijd 1550-1850; van Anna Bijns tot Elise van Calcar (1997). [G.J. van
Bork]
| |
Festschrift zie
liber amicorum
| |
feuilleton
Bijdrage aan een dag- of weekblad, die gewoonlijk in een speciaal
kader of onder aan de pagina (bijv. onder een streep) wordt afgedrukt. De
inhoud kan zeer gevarieerd zijn, maar behoort gewoonlijk niet tot de normale
nieuwsvoorziening van de krant. Tegenwoordig past men de term vooral toe op
romans of novellen die op deze manier in afleveringen verschijnen. Veel
19e-eeuwse romans zijn oorspronkelijk geschreven om in feuilletonvorm te worden
gepubliceerd (feuilletonroman). Beroemd zijn de
feuilletons van
Alexandre Dumas en
Eugène Sue. Bij ons publiceerde
Multatuli zijn
Millioenenstudieën als feuilleton in Het
Noorden (1870).
Oorspronkelijk was ‘feuilleton’ een drukkersterm voor
een boekje van één katern van acht bladzijden. Een dergelijk
boekje werd in 1779 voor de Journal des Débats (Parijs) gebruikt
als bijlage. Het bevatte anonces, mededelingen en soortgelijk materiaal dat
niet belangrijk genoeg werd bevonden om in de krant zelf te worden opgenomen.
Door dit type materiaal over te hevelen naar de krant zelf, waar het een vaste
plaats kreeg, ontstond de huidige betekenis van ‘feuilleton’.
LIT: Baldick; Bantel; BDI; Best; Brongers; Gorp; HWR; Lodewick;
Metzler; MEW; Scott; Wilpert; W. Haacke. Handbuch des Feuilletons, 3
dln. (1951-1953). [G.J. van Bork]
| |
feuilletonroman
Roman die geschreven en/of gepubliceerd wordt als
feuilleton, d.w.z. in afleveringen die
regelmatig in een dag- of weekblad - vaak in een speciaal kader - worden
opgenomen. De meeste schrijvers van feuilletonromans houden rekening met de
publicatiewijze door ervoor te zorgen dat elke aflevering de lezer ertoe aanzet
ook het vervolg te lezen.
Veel schrijvers van feuilletonromans werden door kranten
aangetrokken omdat zij er met hun feuilletons voor zorgden dat er een binding
ontstond tussen krant en abonnee. Bekend is ook dat op de feuilletons van
Dickens door het publiek werd gereageerd
en dat Dickens in die reacties aanleiding vond om delen ervan te herschrijven.
Behalve Dickens was ook
Alexander Dumas beroemd als schrijver
van feuilletonromans. In Nederland publiceerde
Louis Couperus zijn Eline
Vere als feuilleton in Het Vaderland (1888). De romans van
P.A. Daum verschenen oorspronkelijk als
feuilleton onder het pseudoniem Maurits in het Bataviaasch
Nieuwsblad.
LIT: Gorp; MEW. [G.J. van Bork]
| |
fictie, fictionaliteit of fictionele tekst
Binnen de literatuurwetenschap verstaat men onder fictie de
verzameling teksten waarvan het erin beschrevene gezien kan worden als een
product van de verbeelding van de auteur, als verzonnen dus. In fictionele
teksten blijkt echter niet alles wat erin beschreven wordt fictie te zijn. Soms
is dat alleen de rangschikking en interpretatie van de feiten door de auteur
(vgl. bijv. de
historische roman), soms is dat aanzienlijk
meer (vgl.
sciencefiction,
sprookje e.d.). De lezer onderscheidt fictie
van niet-fictie d.m.v. de zogenaamde fictionele indicaties. Er zijn fictionele
indicaties van binnen de tekst. Daartoe kunnen bijv. formele indicaties behoren
zoals stijlfiguren, rijm of metrum, bepaalde standaardformuleringen (‘Er
was eens...’), point of view (bijv. het feit dat een ‘hij’
van binnenuit beschreven wordt). Veel van dit soort indicaties zijn echter
historisch en cultureel bepaald: het rijm van
Melis Stokes
Rijmkroniek hoeft niet noodzakelijk een fictionele
indicatie te zijn wanneer men het historisch beziet, terwijl het veelvuldig
voorkomen van het woord ‘historisch’ of ‘historie’ in
bijv. prozaromans in de late Middeleeuwen niets afdoet aan het fictionele
karakter ervan. Het verschil tussen fictie en werkelijkheid (realisme-2) is doorgaans conventioneel bepaald en
waarschijnlijk gekoppeld aan het gebruik dat van teksten gemaakt wordt.
Echt systematisch onderzoek naar fictionele indicaties ontbreekt
vooralsnog. Wel zijn er pogingen ondernomen om op grond van formeel-semantische
beschrijvingen fictioneel taalgebruik nader te bepalen (
Woods bijv.), maar ook dit
logisch-linguïstisch onderzoek heeft nog geen nauwkeurige afgrenzingen
opgeleverd.
Fictionele indicaties van buiten de tekst kunnen o.m. gevonden
worden in de boekverzorging (omslag, bladspiegel, reeksaanduiding enz.), de
auteursnaam (van
Vestdijk zal men eerder fictie
verwachten dan van
Huizinga), de aanduiding van het genre
(roman, gedichten, toneel), de plaats in de boekwinkel.
Hoewel men ervan uitgaat dat de ‘wereld’ in fictie
verzonnen is, wordt aan fictie vaak juist een ‘hogere’
waarheidswaarde toegekend dan aan niet-fictie. Die waarheidswaarde wordt dan
gevonden in het door de lezers ervaren werkelijkheidsgehalte in het als
verbeelde werkelijkheid beschrevene. Men zegt daarom wel dat in de literatuur
‘de werkelijkheid gelogen wordt’.
LIT: Abrams; Baldick; BDI; Best; Cuddon; Fowler; Gorp; Hiller;
Metzler; MEW; Prince; Scott; Shipley; Wilpert; J. Woods. The logic of
fiction (1974); G. Gottfried. Fiktion und Wahrheit (1975); J.
Landwehr. Text und Fiktion (1975); J.A. Sutherland. Fiction and the
fiction industry (1978); M. Schipper. Realisme. De illusie van
werkelijkheid in de literatuur (1979); Poetics 8 (1979) 1-2, p.
1-267; A. van Zoest. Waar gebeurd en toch gelogen (1980); J.J.
Oversteegen. Beperkingen (1982), p. 77-121. [G.J. van Bork]
| |
fictionaliteit zie
fictie
| |
fictionele lezer zie
impliciete lezer
| |
fictionele tekst zie
fictie
| |
figura-1
Term uit de (middeleeuwse) poëtica voor een personage in een
literaire tekst dat niet van vlees en bloed is, maar allegorisch (allegorie), bijv. de personages die de ik-figuur in de
Roman van de Roos ontmoet: vrouwe Bliscap, heer Deduut,
jonkvrouw Ledicheit enz. Ook het rederijkerstoneel maakt een overvloedig
gebruik van figurae, bijv. Den spieghel der salicheit van
Elckerlijc (ed.
Vos, 1967), waarin de hoofdpersoon model
staat voor ‘elk mens’. De rederijkers voeren in hun stukken
bovendien een aparte categorie figurae op, de
zinnekens, die negatieve gevoels- en
gemoedsaandoeningen personifiëren en vaak zelfs expliciet deze ondeugden
als naam dragen. Daarnaast kent de middeleeuwse literatuur personages die
weliswaar als mensen van vlees en bloed geportretteerd worden, maar die in
wezen figurae zijn, bijv. de ‘moeye’ in Mariken van
Nieumeghen, die getuige haar rituele zelfdoding - zwaard door de
keel - geïnterpreteerd moet worden als een verbeelding van de hoofdzonde
Ira (woede).
LIT: Best; Wilpert; H. Pleij. ‘Over de betekenis van
middeleeuwse teksten’, in: Spektator 10 (1980-1981), p. 299-339.
[W. Kuiper]
| |
figura-2
Term uit de paleografie voor de geen taalkundige betekenis
dragende elementen (illustraties en lijnen die tekstgeledingen aanbrengen) in
een bron. Bij de
transcriptie dienen de figurae onderscheiden
te worden van de signa (signum), de lettertekens.
LIT: W.Gs Hellinga. ‘Principes linguistiques
d'édition de textes’, in: Lingua 3 (1953), p. 295-308; P.J.
Verkruijsse. ‘Over diplomatisch editeren van handschriften en het gebruik
daarbij van diacritische tekens’, in: Spektator 3 (1973-1974), p.
325-346. [P.J. Verkruijsse]
| |
figura etymologica
Term uit de retorica voor de verbinding van twee woorden van
dezelfde stam, gewoonlijk een werkwoord met een - veelal door een bijvoeglijk
naamwoord voorafgegaan - verwant zelfstandig naamwoord als onderwerp of lijdend
voorwerp, bijv. een graf graven, een strijd strijden, een leven leven.
Een voorbeeld is te vinden in ‘Christelijk gevecht I’
(Uitgelezen stichtelijke rijmen, ed.
Van Vloten, 1861, p. 16) van
D.R. Camphuysen:
Menig strijdt een dwaaslijk strijden, om 'tgering, op 't
ongewis:
Menig strijdt een wijss'lijk strijden, om 't geen strijdens
waardig is.
De figura etymologica is verwant aan de
polyptoton en de
paronomasia.
LIT: Best; Gorp; HWR; Lausberg; Marouzeau; Metzler; Wilpert. [P.J.
Verkruijsse]
| | | |
figurae sententiae zie
gedachtefiguren
| |
figuurgedicht, beeldgedicht-1 of carmen
figuratum
Term uit de genreleer voor een gedicht waarvan de typografische
ordening van de versregels (vers-1) een visuele
voorstelling geeft van het beschrevene (iconiciteit).
Men vindt het verschijnsel volop in diverse stromingen in het modernisme, waar
het soms als onderdeel gezien wordt van de
concrete poëzie. Zo schrijft
P. van Ostaijen het woord
‘zeppelin’ in de vorm van een zeppelin (Bezette
stad, 1921). In de 19e eeuw werd het genre o.a. beoefend door
J. Decker Zimmerman, wiens gedicht
‘Een palmboom, opgericht voor Spicht’ er uitziet als een palmboom
(Kinderen der vergetelheid, dl. 3, 1826, p. 162). Een
ouder voorbeeld is het
altaargedicht uit de renaissance.
LIT: Best; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Scott; Wilpert. [G.J.
Vis]
| |
figuurlijk taalgebruik zie
beeldspraak
| |
fili
Keltische (hof)dichter van epische stof. De fili (mv. filid) was
als dichter-geleerde de belangrijkste vertegenwoordiger van de Keltische
intelligentsia. Hij was de drager van de literaire en geleerde tradities en de
bewaarder van de stambomen van de vooraanstaande families en van de verhalen
over de heldendaden van de voorvaderen. Zijn status was aanzienlijk hoger dan
die van de
bard, die verantwoordelijk was voor de
lyriek. Hoe hoog de status van de fili was, blijkt uit het feit dat hij optrad
als beoordelaar van de vorst. Hij was de maker van de lofdichten en van de
tegenhanger daarvan, de
satire. De satire was een gevreesd wapen in
een samenleving waarin eer centraal stond.
Tot op zekere hoogte zijn de fili en de bard vergelijkbaar met de
Noord-Germaanse
skald en de Zuid-Germaanse skop.
LIT: A.G. van Hamel. ‘Keltische letterkunde’. In:
Algemene literatuurgeschiedenis, dl. 2 [z.j.], p. 43-69; D. Edel.
‘Ierse achtergronden’, in: W.P. Gerritsen, D. Edel & M. de
Kreek. De wereld van Sint Brandaan (1986), p. 11-35. [H. Struik]
| |
filiatie
Term uit de
tekstkritiek voor een schematische weergave
van de onderlinge verwantschap van middeleeuwse handschriften of oude drukken
en hun relatie tot het
archetype door middel van een stamboom of
stemma. Het opstellen van een filiatie is de
eerste fase binnen de tekstkritiek. Nadat de onderlinge relatie is vastgesteld
kan overgegaan worden tot de tweede fase, de
emendatio.
LIT: MEW; A. Dees. ‘Over stambomen van handschriften’,
in: FdL 18 (1977), p. 63-78; A. Dees, M. Dekker en M. Mulder. ‘Een
voorbeeld van stamboomreconstructie: Karel ende Elegast’, in:
Spektator 18 (1988-1989), p. 96-118; A.M. Duinhoven.
‘Stamboomreconstructie: rekenkunde of tekststudie?’, in:
Spektator 18 (1988-1989), p. 119-123; B. Salemans. ‘Van Lachmann
tot Hennig: Cladistische tekstkritiek’, in: Gramma11 (1987), p.
191-224; B. Salemans. ‘Varianten als bouwstenen van stemma's: een
pleidooi voor eenvoud en openheid bij het opstellen van tekststambomen’,
in: Wat duikers vent is dit! Opstellen voor W.M.H. Hummelen (1989), p.
319-343; B.J.P. Salemans. ‘Text genealogical remarks on Lachmann,
Bédier, Greg and Dearing’, in: LB 79 (1990), p. 427-468.
[W. Kuiper]
| | | | | |
filippica
Bestraffende rede of strafpredikatie. Oorspronkelijk
‘philippica’, afgeleid van
Philippus tegen wie
Demosthenes (384-322 v.Chr.) een aantal
scherp geformuleerde redevoeringen richtte.
Nicolaas Beets gebruikt de term in zijn
opstel ‘Genoegens smaken’:
Op die rekening wil ik dan ook een goed deel uwer philippica
tegen de kermisvreugde schrijven.
(
Hildebrand. Camera
obscura, 189619, p. 100).
Ook Jeroen Brouwers' ‘J. Weverbergh en ergher’ (in:
Mijn Vlaamse jaren, 1978, p. 190-236), door hemzelf een
‘pamflet’ genoemd, kan men als een filippica opvatten.
LIT: Cuddon; Metzler; Scott. [G.J. van Bork]
| |
filologie
Letterlijk: ‘liefde voor het woord’. Filologie wordt
doorgaans gebruikt voor een bepaalde manier van omgaan met teksten uit het
verleden (bestudering van teksten uit de moderne talen kan men
neofilologie noemen). Deze werkwijze is in
wezen een voortzetting van de opvattingen en methoden van de humanisten, die
tijdens de renaissance de studie van de klassieke auteurs opnieuw ter hand
namen. Zo behoort het tot de taak van de filoloog
ad fontes te gaan, d.w.z. terug te gaan tot
de bronnen, waarin de tekst is overgeleverd. Voor een goed begrip van de
bronnenproblematiek staan de filologie de
hulpwetenschappen
codicologie,
manuscriptologie,
paleografie, en
analytische bibliografie-1 ten dienste.
Indien de tekst die bestudeerd wordt in meer dan één
redactie-2 of
versie bewaard is gebleven, wordt alvorens
tot editeren (editie) en interpreteren (tekstinterpretatie) over te gaan, eerst onderzocht wat de
onderlinge verwantschap (recensio,
filiatie) is, en aan de hand van een
stemma de tekst ge(re)construeerd die het
dichtst bij het
archetype c.q. het
origineel staat, dan wel de bedoelingen van
de auteur het best weergeeft. Is de beste tekst gevonden dan wordt deze d.m.v.
tekstkritiek van kopiistenfouten c.q.
transmissiefouten gezuiverd. Na deze fase,
de zgn.
emendatio, is er een
kritische editie tot stand gekomen. De
filoloog kan desgewenst afzien van tekstkritiek en volstaan met het zo
letterlijk mogelijk weergeven van de tekst in de bron(nen) (diplomatische editie,
archiefeditie,
teksteditie). Omdat de geëditeerde
tekst alleen voor vakgenoten hanteerbaar en leesbaar is, rekent de filoloog het
tevens tot zijn werk deze kritische editie van
interpunctie,
woord- en
zakencommentaar te voorzien, om hem in een
historisch perspectief te plaatsen en begrijpelijk te maken voor lezers van
nu.
Voor de Tweede Wereldoorlog, vóór de hernieuwde
belangstelling voor codicologie en analytische bibliografie, verstond men onder
filologie vooral tekstkritiek en tekstinterpretatie op taalkundige
grondslag.
Daarnaast wordt de term filologie gebruikt als benaming voor de
studie van een tekst, bijv. de Reinaert-filologie, of de studie van een
taal(gebied), bijv. Germaanse filologie.
LIT: Baldick; Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Laan; Metzler; MEW;
Shipley; Wilpert; Willem de Vreese. ‘Paradox over den grooten nood der
Nederlandsche philologie’, in: Willem de Vreese. Over handschriften en
handschriftenkunde, p. 142-178; G.I. Lieftinck. ‘Pleidooi voor de
philologie in de oude en eerbiedwaardige ruime betekenis van het woord’,
in: F.P. van Oostrom (red.). Arturistiek in artikelen (1978), p. 49-75.
[W. Kuiper]
| |
fin de siècle
Aanduiding voor de laatste decennia van de 19e eeuw, waarin
decadentie en
estheticisme een belangrijke rol speelden.
Met de term ‘fin de siècle’ geeft men eigenlijk niet zozeer
het tijdsbestek zelf aan als wel het levensgevoel dat in die tijd overheerste:
het fatalistische gevoel van aan het einde te staan van een cultuurperiode en
de daarmee samenhangende cultuurmoeheid, de verveeldheid (‘ennui’)
van het ‘Alles ist schon da gewesen’. Vertegenwoordigers van deze
fin de siècle-mentaliteit zijn onder meer Louis Couperus en Karel van de
Woestijne.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Myers/Simms;
Scott; Shipley; Wilpert; B. Polak. Het fin-de-siècle in de Ned.
schilderkunst (1955); J.M. Fischer. Fin de siècle (1978);
Nederland rond 1900 (1979); J. Fontijn. Leven in extase (1983);
Mary Kemperink. Het verloren paradijs. De Nederlandse literatuur en cultuur
van het fin de siècle (2001). [G.J. van Bork]
| |
fin'amors
Zuidfranse benaming uit de 12e eeuw voor de liefdesideologie
(hoofse liefde) die door
troubadours beleden werd in met name de
lyriek (canso). De fin'amors (‘zuivere
liefde’) kan worden opgevat als de meest extreme vorm van hoofse liefde.
Uitgangspunt is dat er tussen gehuwden geen liefde kan bestaan. De ware liefde
wordt ervaren als een vorm van genade, een gunst waarop men geen recht heeft,
maar die door de aanbeden vrouw verleend kan worden of niet. Binnen het
huwelijk kan daarvan geen sprake zijn. De man bezit zijn vrouw. Hij kan haar
nemen waar en wanneer hij dat wil; hij is dus niet afhankelijk van haar
‘genade’. Een minnaar daarentegen is dat wel. Omdat hij in de
nabijheid van zijn geliefde wil zijn, wat niet kan (amour lointain), ervaart
hij zijn liefde als lijden, terwijl de vrouw op haar beurt weer ongelukkig is,
omdat zij zich binnen het huwelijk onbevredigd voelt (mal mariée).
Hoewel de fin'amors buitenechtelijk en overspelig is - en zeker niet alleen
platonisch, zoals in het verleden wel beweerd werd - wordt zij desondanks als
kuis en als een creatieve kracht ervaren, omdat zij absolute trouw eist tussen
de geliefden en de minnaar het besef geeft tot een groep van uitverkorenen te
behoren.
De oorsprong van de fin'amors heeft men gezocht bij de Katharen,
Ovidius en de Mariaverering, maar
tegenwoordig neemt men aan dat de fin'amors is ontleend aan de Arabische
erotische lyriek zoals die zich in het noorden van Spanje
ontwikkelde (minnelied-1).
In de tweede helft van de 12e eeuw drong de fin'amors door in het
noorden van Frankrijk, om zich vervolgens over de rest van
West-Europa te verspreiden. De fin'amors veranderde hierbij in
zoverre van gedaante dat de liefde minder als een overweldigende en wonderlijke
kracht werd ervaren, maar meer werd gerationaliseerd.
LIT: Best; Gorp; LdMA; Wilpert; L. Pollmann. Die Liebe in der
hochmittelalterlichen Literatur Frankreichs (1966); M. Lazar. Amour
courtois en fin'amors dans la littérature du 12e siècle
(1964); R. Boase. The origin and meaning of courtly love. A critical study
of European scholarship (1977); U. Liebertz-Grün. Zur Soziologie
des ‘amour courtois’ (1977); R. Schnell. Causa amoris.
Liebeskonzeption und Liebesdarstellung in der mittelalterlichen Literatur
(1985); S.C. Jaeger. The Origins of Courtliness. Civilizing Trends and the
Formation of Courtly Ideals. 939-1210 (1985); E. van Altena. Daar ik tot
zang word aangespoord. Occitaanse troubadours 1100-1300 (1987); R. Zemel.
‘Hoofse liefde in de literatuur van de twaalfde eeuw’, in:
Herkennen wij de middeleeuwen? (1988), p. 71-107; G. Duby. De
middeleeuwse liefde en andere essays (1988). [W. Kuiper/H. Struik]
| |
finale adonius
Speciale vorm van het
adonius versus, waarbij de tweevoetige
combinatie -~~/-(-) of -~~ /-(~) aan het eind van de versregel staat. De vorm
fungeert als een soort
eindrijm doordat deze - als afsluiting van
een
getelde versregel, respectievelijk van een
regel met een gelijk aantal voeten (versvoet) als de
voorafgaande (en eventueel volgende) regel(s) - voor het oor de verwachte
beëindiging vormt van het vers, bijv.
Werken en/denken en/leeren is leven/:
Wie hier niet/werkt, is zijn /plekjen op aard',
Wie daar niet/denkt, is het/ leven niet waard,
En om te/leeren is/'t leven gegeven!
(
P.A. de Genestet. Complete
gedichten, 19122, p. 223).
LIT: Cuddon; Morier; Myers/Simms; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
fingerprint
Bibliografische term voor een aantal symbolen uit een
exemplaar van een
druk die, tot een bepaalde formule
gegroepeerd en in combinatie met een aantal andere bibliografische gegevens,
indicatief zijn voor een bepaalde druk. De vingerafdrukmethode is ontwikkeld
inEngeland ten behoeve van een centrale-catalogusproject voor de
bibliotheken van Londen, Oxford en
Cambridge (het LOC-project): de voor computerinvoer bestemde
boekbeschrijvingen moesten het mogelijk maken om op snelle wijze exemplaren bij
een bepaalde druk onder te brengen. Aan de gegevens van de
short title werden 18 (later 16) tekens
toegevoegd, nl. de laatste twee tekens van drie verschillende regels op drie
verschillende pagina's. Als exemplaren identieke formules opleveren, zijn ze
waarschijnlijk van hetzelfde zetsel vervaardigd.
De term ‘fingerprint’ is vervolgens ook toegepast op
een andere, al veel langer bestaande, methode om (exemplaren van) drukken te
onderscheiden, nl. de methode die een aantal posities van
katernsignaturen noteert. Deze methode is in
het kader van de
STCN ook geschikt gemaakt voor invoer in de
computer. De STCN-fingerprint bestaat uit het jaar van verschijnen, het
bibliografisch formaat en de tekens direct boven de signatuur van de onderste
tekstregel van de pagina's waarop de eerste en laatste katernsignatuur van
respectievelijk het
voorwerk, de hoofdtekst en het
nawerk voorkomen.
Zo hoort bijv. bij
Barlaeus' Orationum
liber van 1661 de volgende fingerprint: 166112 - a1 *2 nat : a2 *7
pr - b1 A q : b2 Y4 uib. Dit betekent dat in dit boek uit 1661 in
duodecimo-formaat de eerste (a1) en laatste (a2) katernsignatuur van het
voorwerk, nl. *2 en *7, staan onder respectievelijk de letters
‘nat’ en ‘pr’ van de onderste regels van die folia en
dat de eerste (b1) en laatste (b2) katernsignatuur van de hoofdtekst, nl. A en
Y4, staan onder respectievelijk de letters ‘q’ en ‘uib’
van de onderste regels van fol. A1 recto en Y4 recto.
De methode is afhankelijk van de nauwkeurigheid waarmee de
signatuurposities genoteerd worden (alleen die tekens die geheel binnen de
breedte van de signatuur vallen): iedere afwijking zou in principe op een
andere druk kunnen wijzen. Om niet zo afhankelijk te zijn van het geringe
aantal controlepunten van de fingerprintmethode kan in bibliografieën
gekozen worden voor het noteren van meer of zelfs alle signatuurposities.
Tevens kan dan wat meer tekst genoteerd worden dan alleen de tekens direct
boven de signatuur (die in dit geval onderstreept worden: *2: ornatus;
*7: hodie praesentibus), zodat veel duidelijker is dat het slechts een
geringe verschuiving en dientengevolge een wellicht verkeerde waarneming of
notatie betreft.
LIT: BDI; Brongers; Hiller; Computers and early books. Report
of the LOC Project investigating means of compiling a machine-readable union
catalogue of pre-1801 books in Oxford, Cambridge and the British Museum
(1974); P.J. Verkruijsse. Mattheus Smallegange (1624-1710) (1983), p.
33-34; Fingerprints/Empreintes/Impronte. 2 dln. (1984); P.C.A. Vriesema.
‘The STCN fingerprint’, in: Studies in Bibliography 39
(1986), p. 93-100 en Dokumentaal 15 (1986), p. 55-61; B. van Selm.
‘De raadsels van de Vondel-drukken’, in: Dokumentaal 17
(1988), p. 19-25. [P.J. Verkruijsse]
| |
finis-1
Term uit de retorica voor de doelstelling van de
retorica, die volgens sommigen (
Aristoteles) alleen bestaat uit
overreden en overtuigen (ars persuadendi; persuasief
taalgebruik) en volgens anderen (
Cicero,
Quintilianus) als
ars bene dicendi alle vormen van doelgericht
spreken (dus ook informatief taalgebruik) omvat.
LIT: Lausberg; Leeman/Braet. [P.J. Verkruijsse]
| |
finis-2 of einde
Term uit de retorica voor de afsluiting van een groter of kleiner
geheel zoals een woordgroep, een versregel, een zin, maar ook een geheel
kunstwerk. Heel lang en nog steeds heeft men de behoefte gehad een (onderdeel
van een) werk af te sluiten met (explicit)-formules als
‘Hier eindigt [...]’, bijv. ‘Hier eyndt die historie vander
Borchgravinnen van Vergy’ (ed. Resoort, 1988, p. 294), of ‘Einde
van het eerste/laatste deel/hoofdstuk, Finis, Uit’ (
J. van den Vondel. Gysbreght
van Aemstel, ed.
Mak, 19625, p. 85).
LIT: Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| | | |
flashback zie
retroversie
| |
flat character
Figuur of
personage in een literair werk dat
beschreven wordt in enkele (hoofd)trekken. Het personage wordt meer getypeerd
(type) dan uitvoerig (psychologisch) beschreven. In dat
laatste geval spreekt men van een
round character. Sommige flat characters
krijgen door het aandikken van bepaalde eigenschappen overeenkomst met de
karikatuur. De eigenschappen van het flat character liggen vast. Er is geen of
nauwelijks sprake van enige karakterontwikkeling of van psychologische
diepgang. De figuren zijn in hoge mate statisch. De beschrijving gebeurt veelal
van buitenaf.
Voorbeelden van flat characters zijn Pieter Stastok uit de
Camera obscura (1839) en Droogstoppel uit de
Max Havelaar (1860). Ook in kluchten en blijspelen wordt
veel gebruik gemaakt van typen in een min of meer karikaturale rol, zoals de
vrek Warnar in de Warenar (1617) van
Hooft en in Het wederzijds
huwelijks bedrog (1714) van
P. Langendijk. Met de opkomst van de
psychologie worden de hoofdpersonen steeds uitvoeriger gekarakteriseerd en
treffen we flat characters vooral bij de nevenfiguren aan. De terminologie
impliceerde, zeker bij
E.M. Forster die haar in zijn
Aspects of the novel (1927) introduceerde, lange tijd een
waardeoordeel over de karakterbeschrijving in de roman. In feite is het gebruik
van round of flat character sterk conventiegebonden. Bovendien zijn de grenzen
tussen beide soorten personages lang niet altijd zo duidelijk als hierboven
wordt gesuggereerd.
LIT: Abrams; Boven/Dorleijn; Cuddon; Drop; Herman/Vervaeck;
Myers/Simms; Prince; Scott; K.D. Beekman en J. Fontijn.
‘Romanfiguren’, in: Spektator 1 (1971-1972), p. 406-414; M.
Bal (red.). Mensen van papier (1979). [G.J. van Bork]
| | | |
fleuron
Term uit de bibliografie voor een typografisch ornament, smaller
dan de
zetspiegel, bestaande uit (vazen met
gestyleerde) bloemen en bladeren en gebruikt, hetzij als sluitstuk van een
hoofdstuk of ander tekstgedeelte, hetzij op het
titelblad in plaats van een
drukkersmerk om een te opvallend wit vlak te
vullen. Samen met het andere in een
druk gebruikte typografisch materiaal (vignet,
kader, versierde
initialen-1, lijnen en lettermateriaal)
kunnen fleurons helpen ongeïdentificeerde boeken aan een bepaalde drukker
toe te schrijven.
LIT: BDI; Hiller; S. Corsini. ‘Vers un Corpus des ornements
typographiques lausannois du XVIIIe siècle; problèmes de
définition et de méthode’, in: Ornementation
typographique et bibliographie historique (1988), p. 139-158. [P.J.
Verkruijsse]
| |
florilegium zie
bloemlezing
| |
focalisatie
Term uit de verteltheorie waarmee de relatie wordt aangegeven
tussen de instantie door wiens ogen het vertelde gezien wordt en dat wat gezien
en verteld wordt. Het subject van de focalisatie of het punt van waaruit de
waarneming geschiedt, noemt men de
focalisator en dat wat waargenomen wordt het
gefocaliseerd object. In
Louis Couperus' roman Van oude
menschen, de dingen die voorbijgaan (1906) ligt de focalisatie
wisselend bij verschillende focalisatoren, bijv. soms bij Harold waar het de
gebeurtenissen in Italië betreft, en dan weer bij Lot waar het zijn moeder
Ottilie betreft.
De term focalisatie werd in Nederland
geïntroduceerd door
M. Bal in navolging van
G. Genette. In de
romananalyse worden in vergelijkbare
gevallen de termen point of view of
perspectief gebruikt.
LIT: Bal; Boven/Dorleijn; Gorp; Herman/Vervaeck; Lodewick; MEW;
Prince; G. Genette. Figures III (1972). [G.J. van Bork]
| |
focalisator
Term uit de verteltheorie waarmee het punt van de
focalisatie wordt aangegeven, d.w.z. het
punt van waaruit het vertelde wordt waargenomen. De focalisator is de waarnemer
van het
gefocaliseerde object. In
Louis Couperus' Van oude
menschen, de dingen die voorbij gaan (1906) komt de volgende
passage voor: ‘Lot Pauw zat op zijn kamer te werken, toen hij beneden
hoorde de stemmen van zijn moeder en van haar man, Steyn’ (VW,
1952, p. 74). Hierin, en in het daarop volgende, is Lot de focalisator en zijn
de stemmen van zijn ouders het gefocaliseerde object. De focalisator is
vergelijkbaar met het vertellers-perspectief of het
point of view in de traditionele romananalyse.
LIT: Bal; Boven/Dorleijn; Herman/Vervaeck; Prince. [G.J. van
Bork]
| |
foliant
Strikt genomen een boek gedrukt in
folio-1-formaat, maar doorgaans gebruikt
voor ieder boek van grote afmetingen.
LIT: BDI; Best; Brongers; Hiller. [P.J. Verkruijsse]
| |
foliëring
Omdat het gedurende de Middeleeuwen gebruikelijk was de bladen
(blad-2) van een
codex of
incunabel te nummeren en niet de blad
zijden (paginering), telt men in (beschrijvingen
van) middeleeuwse handschiften en van de vroege gedrukte boeken niet de
pagina's maar de bladen. De voorzijde van een blad - in beschrijvingen
aangeduid met ‘fol.’ van folium - noemt men de
recto-zijde, de achterkant de
verso-zijde. Het foliumnummer staat normaal
gesproken in de rechter bovenhoek van de recto-zijde. Ouder is de
foliëring van de verso-zijde in het midden van de bovenmarge. Als een
handschrift in kolommen geschreven is, telt men de kolommen met een letter,
bijv. fol. 12a, waarmee de eerste kolom op het twaalfde blad
recto-zijde bedoeld wordt.
LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller. [wk/pv]
| |
folio-1
Term uit de bibliografie voor een
formaat, dat verkregen wordt door een
vel eenmaal te vouwen. De bibliografische
aanduiding is gewoonlijk: ‘in-fol.’, ‘fol.’ of
‘2o’. Omdat de hoeveelheid bindtouwtjes in de rug te
groot zou worden, worden meestal meer folio-katernen in elkaar geschoven. Men
krijgt dan folio-in-vieren of fol.-in-4 (nl. een katern van vier bladen),
folio-in-zessen of fol.-in-6 (een katern van zes bladen), folio-in-achten of
fol.-in-8 (een katern in acht bladen) enz. Bij folio-formaat lopen de
kettinglijnen verticaal en het
watermerk zit in het midden van
één van de twee bladen van het katern.
De aanduiding ‘fol.’ wordt ook gebruikt als afkorting
van ‘folio’, een verbogen vorm van folium (blad-2). Omdat folio-formaat het grootste bibliografische
formaat is, zijn de daarin gedrukte werken ook wat afmetingen betreft het
grootst; vandaar de term
foliant.
LIT: Baldick; BDI; Best; Brongers; Cuddon; Feather; Hiller; Scott;
Wilpert; M.J. Pearce. A workbook of analytical and descriptive
bibliography (1970), p. 62-64; P.M. van Cleef. Handboek ter beoefening
der boekdrukkunst in Nederland, ed. F.A. Janssen (1974), p. 85-86; Ph.
Gaskell. A new introduction to bibliography (19742), p.
84-107. [P.J. Verkruijsse]
| | | | | |
fonds-1
De totale verzameling boeken, pamfletten, brochures, tijdschriften
enz. waartoe een uitgever het recht van uitgave bezit. Meestal duidt men er
echter het totaal van publicaties mee aan dat door een uitgever ook
daadwerkelijk is uitgegeven. Vandaar dat men het woord ook aantreft in de term
fondscatalogus, en ook in
‘fondsrestanten’ voor onverkoopbare publicaties die tegen een
ramsjprijs worden verkocht aan wat het moderne antiquariaat genoemd wordt. Een
derde variant betreft de totale voorraad boeken, brochures, tijdschriften enz.
die te eniger tijd bij een boekhandelaar verkrijgbaar is. Een mengvorm van een
boekhandels- en uitgeversfonds kan men bijv. aantreffen in de Fondscatalogus
van Martinus Nijhoff 1853-1897 (1898), boekhandelaar en uitgever te
's-Gravenhage.
LIT: BDI; Brongers; Gorp. [G.J. van Bork]
| |
fonds-2
In de bibliotheekwereld gebruikt men de term fonds voor het
historisch en organisch gegroeide geheel aan codices (codex) en vroege drukken dat de kern van een bibliotheekbezit
vormt.
LIT: Brongers; Bibliotheek en documentatie. Handboek ten
dienste van de opleidingen (19792), p. 65. [G.J. van Bork]
| |
fonds-3
In de archivistiek wordt de term fonds gebruikt voor een in
dezelfde archiefbewaarplaats berustende groep gelijksoortige of verwante
archieven. Zo is er sprake van het fonds van de notariële archieven, van
de rechterlijke archieven enz.
LIT: Ned. Arch.-term. [P.J. Verkruijsse]
| |
fondscatalogus
Beschrijving van de totale voorraad publicaties (boeken,
brochures, tijdschriften, seriewerken enz.) die te eniger tijd bij een uitgever
verkrijgbaar is of is geweest. Veel uitgevers vervaardigen jaarlijks een
fondscatalogus of fondslijst voor de aanbieding aan de boekhandel. Een enkele
keer blijken ook boekhandelaars een fondscatalogus te maken van de bij hen in
voorraad zijnde uitgaven. Een fraai voorbeeld van een uitgeverscatalogus is de
Fondscatalogus van Martinus Nijhoff 1853-1953 (1953). De jaarlijkse
fondscatalogi van boekhandel Coebergh te Haarlem zijn voorbeelden
van het tweede type.
LIT: BDI; Hiller. [G.J. van Bork]
| |
fonografisch schrift zie
alfabetisch schrift
| |
forma formans of zich vormende vorm
Term uit de
creatieve analyse voor een moment binnen een
proces van lineair lezen met een bepaald verwachtingspatroon als gevolg. In de
termen van
Hellinga en
Van der Merwe Scholtz houdt dit principe
in ‘dat die steeds gegewene tekens opnuut die volgende aanbod
bepaal’ (a.w., p. 43). Zo kan de lezer, gekomen aan het eind van de
tweede regel van ‘Het regende in de stad’ (
H. Gorter. Verzamelde lyriek
tot 1905 ed.
Endt, 1977, p. 130), luidend ‘toen
kwam er wat’, verschillende kanten op. Hij kan het bijv. lezen als
afgesloten en interpreteren ‘toen kwam er iets’; wanneer men echter
doorgaat naar vs. 3 (‘muziek van straatmuzikanten’) ontstaat de
leesmogelijkheid van ‘wat muziek’ in de betekenis ‘een
beetje, enige muziek’. Terugkijkend op vs. 1 en 2 - dan is dit tekstdeel
forma formata geworden - heeft de lezer andere
interpretatiemogelijkheden en -grenzen dan toen hij zich in de forma formans
van de verzen 1 en 2 bevond.
LIT: W.G. Hellinga en H. van der Merwe Scholtz. Kreatiewe
analise van taalgebruik (1955), p. 43. [G.J. Vis]
| |
forma formata of gevormde vorm
Term uit de
creatieve analyse voor een gelezen tekstdeel
(woord, woordgroep, enz.) waarop de lezer in een proces van linaire lezen
terugkijkt. Zo is de eerste regel van het door
Hellinga en
Van der Merwe Scholtz onderzochte
gedicht ‘Om mijn oud woonhuis peppels staan’ van Leopold voor de
lezer die bezig is met vs. 2 van het gedicht en die kan terugkijken op vs. 1,
te beschouwen als de forma formata binnen een bepaalde fase van zijn leeswerk;
vs. 2 behoort op dat moment tot de
forma formans, omdat de desbetreffende
leesact in die leesfase nog bezig is en niet voltooid. De laatste vorm van
forma formata binnen het geheel van leeshandelingen is het slotwoord c.q. de
slotpunt van het gedicht.
LIT: W.G. Hellinga en H. van der Merwe Scholtz. Kreatiewe
analise van taalgebruik (1955), p. 43. [G.J. Vis]
| |
formaat
Het bibliografisch formaat van een boek of codex wordt bepaald
door het aantal malen en de manier waarop een
vel papier of perkament tot een
katern gevouwen wordt. Dit formaat heeft dus
geen betrekking op de afmetingen (breedte x hoogte) van een boek.
Wanneer een boek bestaat uit katernen van éénmaal
gevouwen vellen heet dat
folio-1-formaat (ook aangeduid als
‘fol.’ of ‘2o’). Bij tweemaal vouwen krijgt
men een
kwarto- (of 4o) en bij driemaal
vouwen
octavo-formaat (of 8o). Bij
kleinere formaten (duodecimo of 12o enz.) moet er behalve gevouwen
ook nog gesneden worden. Perkamenten vellen werden gewoonlijk tweemaal over de
korte kant gevouwen en vervolgens in elkaar gelegd, waardoor katernen van vier
dubbelbladen ontstaan.
Men kan het formaat van een boek vaststellen door te letten op de
looprichting van de
kettinglijnen, de plaats van het
watermerk, de plaats van de bindtouwtjes en
het aantal bladen per katern. Bij het
formaatmaken in de drukkerij moet het zetsel
zodanig in de
binnen- en
buitenvorm ingesloten worden dat de pagina's
zetsel in de juiste volgorde liggen voor het desbetreffende formaat. Bij het
bepalen van het formaat van een perkamenten codex kan men steun hebben aan
onregelmatigheden van de bovenmarges of aan de verstoring van de regelmatige
afwisseling van
haar- en
vleeszijde (de zgn. regel van
Gregory).
LIT: Abrams; BDI; Best; Brongers; Cuddon; Feather; Myers/Simms;
Scott; M.J. Pearce. A workbook of analytical & descriptive
bibliography (1970), p. 61-71; P.M. van Cleef. Handboek ter beoefening
der boekdrukkunst in Nederland, ed. F.A. Janssen (1974), p. 84-113,
184-213; Ph. Gaskell. A new introduction to bibliography
(19742), p. 80-110; L. Gilissen. Prolégomènes
à la codicologie (1977). [P.J. Verkruijsse]
| |
formaatmaken, inslaan, insluiten, opkooien of
overslaan
Drukkersterm voor het zodanig rangschikken van de
bladzijden zetsel in de vorm dat ze na het
afdrukken en vouwen de juiste volgorde hebben en voor het zodanig vastzetten
van de gezette bladzijden in de vorm dat ze niet in
pastei vallen en de goede afstand van elkaar
hebben in verhouding tot het
wit. Soms wordt alleen de eerste activiteit
met overslaan of inslaan aangeduid en de tweede met formaatmaken, insluiten of
opkooien, maar meestal worden de termen door elkaar heen gebruikt.
Voor ieder bibliografisch
formaat moet anders overgeslagen worden. De
diverse drukkershandboeken geven daarvoor allerlei schema's. Fouten bij het
overslaan worden in de regel tijdig ontdekt bij de
proefdruk of
drukproef.
Bij het formaatmaken worden de ruimten tussen de pagina's zetsel
opgevuld met kooien en schenen, het zgn. formaatgoed. Om
schoon- en
weerdruk goed
register te laten maken, moet ervoor gezorgd
worden dat men voor
binnen- en
buitenvorm hetzelfde formaatgoed gebruikt.
Wanneer van een
oplage een
uitgave op groot en klein papier gedrukt
wordt, moet de verhouding van de marges gewijzigd worden, wat men
versteken noemt.
LIT: W.Gs Hellinga. Kopij en druk in de Nederlanden (1962),
p. 135; Ph. Gaskell. A new introduction to bibliography
(19742), p. 78-110; P.M. van Cleef. Handboek ter beoefening der
boekdrukkunst in Nederland, ed. F.A. Janssen (1974), p. 84-113; C. Schook.
Handboekje voor letterzetters, boekdrukkers en correctors, ed. F.A.
Janssen (1981), p. 48-106; F.A. Janssen. Zetten en drukken in de 18e
eeuw (19862), p. 200-204, 302-312; H. van Krimpen. Boek over
het maken van boeken (19862), p. 38-42, 177-180; J.C.
Zweijgardt. De boekdrukkerij, ed. F.A. Janssen en J. Bouman (1986).
[P.J. Verkruijsse]
| |
formaatsignatuur
Term uit de zetterij voor een aanduiding in de
kopij die de zetter aanbrengt wanneer hij
een pagina zetsel voltooid heeft. De formaatsignatuur kan bestaan uit een
krasje, een letter, een (pagina)cijfer of de volledige
katernsignatuur. Wanneer in een
manuscript of gedrukte tekst
formaatsignaturen aangetroffen worden, is het zeker dat die inderdaad als kopij
gediend hebben voor een eerste, respectievelijk een
herdruk.
LIT: W.Gs Hellinga. Kopij en druk in de Nederlanden (1962),
p. 94-96. [P.J. Verkruijsse]
| |
formalisme
Literatuurwetenschappelijke benadering die ontstaan is in
Rusland in nauwe relatie met het Russisch futurisme en ook
aangeduid wordt als het
Russisch formalisme. Het formalisme gaat
ervan uit dat literatuur te onderscheiden valt van praktisch taalgebruik
doordat taal in literaire teksten een onafhankelijke waarde heeft en dus
autonoom is. De formalisten organiseerden zich in de Moskouse Taalkundige
Kring, waarvan
Roman Jakobson de naamgever was. Hij
schreef in 1921 een verhandeling waarin hij zijn uitgangspunten aldus
formuleert:
‘Als beeldende kunst is het vormgeven van het autonome
materiaal van visuele voorstellingen, muziek het vormgeven van autonoom
geluidsmateriaal, choreografie vorm geeft aan het autonome gebaar, dan is
poëzie het vormgeven van het autonome woord of wat Khlebnikov noemt
‘het woord dat zichzelfgenoeg is.’
Hoewel niet alle formalisten het met deze stellingname eens waren,
is de invloed van Jakobson groot geweest, vooral omdat hij naar
Praag vertrok en daar het initiatief nam tot de oprichting van de
Praagse Taalkundige Kring, waarvan ook
Mukarovsky en
Vodicka deel uit maakten. Internationaal
bekend werd Jakobsons Linguistics and poetics (1960),
waarmee de ideeën van de formalisten ook in het westen bekend werden als
het
Praagse of Tsjechisch structuralisme.
Algemeen is men van oordeel dat met het formalisme en
structuralisme de moderne
literatuurwetenschap begonnen is. Met hun uitgangspunt dat
‘literairheid’ (‘literaturnost’) een specifieke
taalkundige categorie betreft, zetten ze een standaard voor veel daaruit
voortvloeiend onderzoek. Zo is het handboek van
R. Wellek en
A. Warren Theory of
literature (1942) geschreven vanuit deze achtergronden.
Een van de eersten die zich in Nederland met het formalisme hebben
beziggehouden, is
Paul Rodenko die in zijn essays
‘De criticus als ingenieur’ en ‘De techniek van het
sleutelgat’ ideeën van de formalisten overnam. In een interview
bekende hij veel van
Roman Jakobson en de Russische
formalisten geleerd te hebben. Het is dan ook geen toeval dat Rodenko de
pleitbezorger was van de Vijftigers en zo'n grote belangstelling had voor het
deregulerende karakter van hun taalgebruik.
Andere
autonomiebewegingen waarin het literaire
werk centraal gesteld wordt (ergocentrisch), zijn met
het formalisme verwant. De term wordt bijvoorbeeld door
Oversteegen (Vorm of
vent, 1969) in deze meer algemene zin gebruikt om het werk van
Nijhoff en
Van Ostaijen te typeren.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Fowler; Gorp; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Wilpert; W.J.M. Bronzwaer, D.W. Fokkema en E. Kunne-Ibsch (red.).
Tekstboek algemene literatuurwetenschap (1977), p. 85-158; W. van Peer
& K. Dijkstra (red.). Sleutelwoorden (1991), p. 99-104; N. Laan.
Het belang van smaak (1997). [G.J. van Bork]
| |
formata of littera formata
Term uit de
paleografie voor zorgvuldig en
gedisciplineerd geschreven
boekschrift met een uitgesproken
kalligrafisch (kalligrafie) karakter. De formata bezet
het hoogste niveau in een door
Lieftinck geïntroduceerde indeling
naar niveau van het schrift; van snel geschreven naar zorgvuldig
gekalligrafeerde letters (currens,
libraria en formata). Bij deze indeling naar
niveau is het tamelijk moeilijk om van objectieve criteria uit te gaan: de
beschrijver moet afgaan op zijn ervaring en eigen (subjectieve) oordeel. Het
begrip wordt vaak gebruikt als toevoeging bij de objectieve, op vormelijke
eigenschappen gebaseerde schriftbenaming, bijv.:
littera textualis formata.
LIT: G.I. Lieftinck. Manuscrits datés, conservés
dans les Pays Bas (1964), dl. 1, p. VII-XXX; J.P. Gumbert. ‘Iets over
laatmiddeleeuwse schrifttypen, over hun onderscheiding en hun
benamingen’, in: Archief- en Bibliotheekwezen in België 46
(1975), p. 273-282; B. Engelhart en J.W. Klein. 50 eeuwen schrift
(19882), p. 164-178. [H. Struik]
| |
fractura of fractuur
Van oorsprong laatmiddeleeuwse, door
B. Kruitwagen opnieuw
geïntroduceerde, benaming voor de grootste van de drie schriftsoorten
(fraterschrift) die door de Broeders des gemeenen levens
(Moderne Devotie) gebruikt werd voor het schrijven van
boeken. De fractura is een reactie op de gotische
littera textualis
formata en werd vooral gebruikt voor
opschriften. De beide andere soorten heten
bastarda en
rotunda.
Pogingen om een
nomenclatuur op te stellen die gebaseerd is
op de middeleeuwse benamingen, moesten worden gestaakt: het aantal gebruikte
termen was veel te groot en te verwarrend en strikte definities konden
nauwelijks gegeven worden. Tegenwoordig gebruikt men de door
G.I. Lieftinck ontwikkelde nomenclatuur,
die overigens ontstaan is uit pogingen om op basis van Kruitwagens studie de
nomenclatuur van de Broeders van het gemene leven te reconstrueren.
LIT: Best; Brongers; Hiller; LdMA; Wilpert; B. Kruitwagen.
Laat-middeleeuwse paleografica, paleotypica, liturgica, kalendalia,
grammaticalia (1942), p. VI-IX, p. 25-78; J. Stiennon.
Paléographie du Moyen age (1973), p. 117-119. [W. Kuiper/H.
Struik]
| | | |
fragment-1
Door een auteur bewust onvoltooid gelaten tekst, bijvoorbeeld
omdat door een nadere uitwerking ervan het oneindige van de stof of het thema
geweld zou worden aangedaan. Dit type fragmenten ontstond vooral sinds de
romantiek, o.m. bij
Goethe,
Schlegel en
Arnim. Deze fragmenten zijn dus, anders
dan
fragment-2, bepaald door de
literatuuropvatting van deze auteurs.
In Nederland werden dergelijke fragmentarische
teksten bijvoorbeeld geschreven door
Lodewijk van Deyssel, o.m. in
De zwemschool (1891) en in Menschen en
bergen (1891). Bij Van Deyssel gaat het niet zozeer om het
oneindige, als wel om de momentopname van de sensatiebeleving. Vaak worden deze
fragmenten ook aangeduid met de term
schets.
LIT: Bantel; Best; Brongers; Gorp; HWR; Metzler; Wilpert. [G.J.
van Bork]
| |
fragment-2
Term uit de
filologie en de
codicologie voor met name middeleeuwse
(literaire) teksten die verminkt zijn overgeleverd in slechts een deel van het
geheel. Meestal betreft het fragmenten van
perkament, maar fragmenten van
papier komen ook voor. Als fragmenten heel
klein of niet te identificeren zijn, spreekt men van
membra disiecta.
Het fragment kan een perkamenten
dubbelblad zijn dat als omslag werd
gebruikt. Ook werd perkament in boekbinderijen tot repen versneden om dienst te
doen als
hartstrookje (om insnijden van het bindtouw
in het papieren katern te voorkomen), als bladwijzer of als
maculatuur (ter versteviging van de
boekband).
De fragmenten van één en hetzelfde boek kunnen over
vele bibliotheken verspreid zijn; zo bevinden zich fragmenten van
Jacob van Maerlants Spiegel
historiael in bibliotheken te Berlijn,
Chicago, Frankfurt am
Main,Göttingen, Rotterdam en
Trier, die behoord hebben tot dezelfde
codex. Als een tekst ook compleet bewaard is
gebleven, kan in een aantal gevallen de codex gereconstrueerd worden waarvan
het fragment oorspronkelijk deel uitmaakte.
LIT: Best; Brongers; Gorp; Metzler; G. Kalff. Middelnederlandse
epische fragmenten (1967, reprint van 1886); E. Pellegrin. ‘Fragments
et membra disiecta’, in: A. Gruys en J.P. Gumbert. Codicologica 3
(1980), p. 72-79; J.A.A.M. Biemans. ‘Middelnederlandse fragmenten in de
Stadsbibliotheek van Trier’, in TNTL 100 (1984), p. 129-150,
191-200; H. Kienhorst. De handschriften van de Middelnederlandse
ridderepiek, 2 dln. (1988). [W. Kuiper/H. Struik]
| |
francijn
Algemeen gebruikte Middelnederlandse benaming voor
perkament. Aanvankelijk werd de term
gebruikt voor perkament van een zeer goede kwaliteit dat afkomstig zou zijn
uitFrankrijk. De betekenisaspecten ‘kwaliteit’ en
‘uit Frankrijk’ zijn echter na verloop van tijd verdwenen, zoals
ook de kwalitatieve betekenis van
abortief perkament verdween.
LIT: Brongers; MNW. [H. Struik]
| |
Frankische roman zie
Karelroman
| |
Frans-classicisme zie
classicisme
| |
Franse maat
Term uit de prosodie voor een
isosyllabisch vers zonder metrisch (metrum) patroon, zoals men dat reeds in de Middeleeuwen in de
Franse poëzie kan aantreffen in de Alexanderlegende van
Lambert le Tort (± 1170) en die
van
Alexandre de Bernai (± 1180).
Later vindt men dit vers in de theorie en praktijk van de Franse
renaissancistische literatuur. Het standaardtype is twaalfsyllabig, vervolgens
overgenomen in de
alexandrijn. Dat het niet-metrische
isosyllabische vers vooral in de Franse literatuur zo vaak voorkomt, hangt
samen met het feit dat het verschil in prominentie van de lettergrepen in het
Frans niet zo'n grote rol speelt, veel minder in ieder geval dan in sommige
Germaanse talen.
In de loop van de 16e eeuw raken term en begrip ingeburgerd in de
Nederlanden (
Van der Noot,
De Heere e.a.). Er komen dichtwerken met
twaalfsyllabige regels, al dan niet met de Franse middenrust na de zesde
syllabe. De rederijkerskamer Het Wit Lavendel eist in 1613 refereynen ‘op
Fransche maet’. Al spoedig gaat men over tot het aanbrengen van een
metrisch patroon, ten onrechte menend dat dit inherent is aan de originele
Franse maat.
Als vroeg voorbeeld van deze maat kunnen de beginregels gelden van
het Middelnederlandse isosyllabische
Bi wilen plach ic t'eene tide
Een toepat heymelic te liden.
(
J. Pollmann. Van
tweeërlei minne, 1962, p. 81).
Voorbeeld van een metrische (dus onechte) Franse maat is de vijfde
strofe uit ‘Epitalameon’ (met zessyllabige regel) van
Van der Noot:
Op den dagh als de schoone
Thetis, fris van persoone,
Vergadert groot en cleyn.
Van der Noot was het gros van zijn
tijdgenoten, inclusief
Jan van Hout, in metrisch opzicht ver
voor. Toch is ook Van Hout van groot belang geweest in de ontwikkeling van de
Franse maat naar het metrische vers. Wat hem van anderen onderscheidt, is dat
hij zijn opvattingen inzake de ware regellengte (isosyllabisch vers) in ruime
kring, met name in de rederijkerskamers, bekend maakte. Een grote groep
traditioneel ingestelde dichters liet hij kennis maken met nieuwe vormen en
technieken in de poëzie, waaronder die van de Franse maat.
Als een verre nagalm van de Franse maat zou men sommige verzen van
H. Roland Holst-van der Schalk kunnen
zien, omdat ze isosyllabisch zijn, maar niet metrisch.
LIT: Gorp; Morier; Preminger; Shipley; Wilpert; F. Kossmann.
Nederlandsch versrythme (1922), p. 47-49; J. Koppenol. ‘“In
mate volget mi”: Jan van Hout als voorman van de renaissance’, in:
Spektator 20 (1991), p. 55-85. [G.J. Vis]
| |
Franse titel, voordehandse titel of
voortitel
Term uit de bibliografie voor de titel op de eerste pagina van een
boek na het
schutblad en vóór de
titelpagina. De Franse titel bestaat uit
slechts de titel van het boek of zelfs een gedeelte daarvan, zonder auteursnaam
of welke andere aanduiding ook. De Franse titel kan dus afwijken van de titel
op de titelpagina, een gegeven waarmee men bij de titelbeschrijving rekening
dient te houden. Vooral bij lange titels is een boek vaak bekender onder een
ingekorte titel, die dan overeen kan komen met de Franse titel. Soms ook komt
de Franse titel overeen met de
rugtitel, maar die laatste moet vaak nog
verder ingekort worden om op de rug van een boek te passen, bijv. de Franse
titel van de Nieuwe cronyk van Zeeland van
M. Smallegange uit 1696 luidt Cronyk
van Zeeland, een naam die bekender is dan die met ‘Nieuwe’. De
titel van
Multatuli's Max Havelaar of De
koffieveilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij (1860) treft
men op Franse titelpagina's meestal aan als Max Havelaar. Vreemd is de
discrepantie tussen de Franse titel en de volledige titel van de biografie van
Huygens uit 1980 door
Jacob Smit: De grootmeester van woord-
en snarenspel Constantijn Huygens, respectievelijk 1596-1687.
De grootmeester van woord- en snarenspel. Het leven van
Constantijn Huygens.
LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; Scott; M. de Vries.
‘Fransche tite’, in: Verspreide taalkundige opstellen
(1894), p. 67-68; K.F. Treebus. Tekstwijzer (19832), p.
155-156. [P.J. Verkruijsse]
| |
Frans-klassiek toneel zie
classicistisch drama
| |
fraseogram
Term uit de schriftgeschiedenis voor een schriftteken dat een
gehele zin weergeeft. Fraseogrammen komen vooral voor in de stenografie.
LIT: I.J. Gelb. A study of writing (19632).
[P.J. Verkruijsse]
| |
fraterschrift
Door
B. Kruitwagen geïntroduceerde
benaming voor het schrift dat door de Broeders van het gemene leven (Moderne Devotie) gebruikt werd voor het schrijven van boeken,
een bezigheid waarmee zij in hun onderhoud voorzagen; het prediken met de pen.
Het fraterschrift kende de
fractura (groot, voor opschriften), de
rotunda of notula (middelgroot, voor de
tekst zelf) en de
bastarda (klein, voor tekst die in de marge
geschreven werd (glos,
noot). De door Kruitwagen gebruikte
schriftnamen waren van oorsprong laatmiddeleeuws. Pogingen om een
nomenclatuur op te stellen die gebaseerd is
op de middeleeuwse benamingen, moesten echter worden gestaakt: het aantal
gebruikte termen was veel te groot en te verwarrend en strikte definities
konden nauwelijks gegeven worden. Tegenwoordig gebruikt men de door
G.I. Lieftinck ontwikkelde nomenclatuur,
die overigens ontstaan is uit het streven om op basis van Kruitwagens studie de
nomenclatuur van de Broeders van het gemene leven te reconstrueren.
LIT: B. Kruitwagen. Laat-middeleeuwse paleografica,paleotypica,
liturgica, kalendalia, grammaticalia (1942), p. VI-IX, 23-116. [W.
Kuiper/H. Struik]
| | | |
frontispies zie
titelprent
| |
functionele metafoor zie
impliciete metafoor
| |
funeraire poëzie
Verzamelnaam voor de gelegenheidspoëzie met betrekking tot
dood, rouw en begrafenis als onderdeel van de totale
mortuaire literatuur, zoals
elegie (klaaglied in het algemeen, dus niet
uitsluitend funerair),
grafdicht (nenia),
lijkdicht (epicedium) en
threnos (rouwklacht in het algemeen, maar
ook speciaal bij de verwoesting van steden), subgenres die ook reeds bij de
klassieken niet scherp onderscheiden waren. Al naar gelang de doorgaans in de
funeraire poëzie voorkomende onderdelen
laus,
luctus of
consolatio (lofprijzing, klacht en
vertroosting) overheersen, is er verwantschap met respectievelijk
lofdicht, elegie en troostdicht.
LIT: P.J. Buijnsters. Tussen twee werelden. Rhijnvis Feith als
dichter van Het Graf (1963), p. 50-92; S.F. Witstein. Funeraire
poëzie in de Nederlandse Renaissance (1969); M. van Vaeck.
‘Jeremias de Deckers funeraire cyclus: Suchten en tranen over 't lyck
myns vaders (1659)’, in: SpL 25 (1983), p. 241-277. [P.J.
Verkruijsse]
| |
futurisme
Eén van de radicale
historische avant-garde-stromingen binnen
het
modernisme van de eerste decennia van de 20e
eeuw. De term ‘futurisme’ werd voor het eerst gebruikt door
Gabriël Alomar
(Spanje, 1904), maar eigenlijk door
F.T. Marinetti in diens Futuristisch
manifest in de Figaro (1909), waarin hij in 11 punten
zijn belangrijkste doelstellingen opsomt, als (literair) programma
geïntroduceerd. De voornaamste kenmerken van het futurisme zijn de
verheerlijking van energie, gevaar, dynamiek, techniek, snelheid, en de hang
naar de heroïek van de daad en de strijd. Het futurisme kent sterke
nationalistische en activistische tendenzen. Bij Marinetti leidde dit tot een
voorkeur voor de daadkracht van politieke stromingen als het fascisme en de
reinigende werking die de oorlog zou hebben. Bij de Russische futuristen (
Chlebnikov,
Boerljoek,
Majakovski e.a.) overheerste de
gerichtheid op de toekomst, de sprong voorwaarts die de sociale revolutie zou
moeten brengen. In beide gevallen was er echter sprake van het streven om te
breken met het verleden en van verzet tegen het estheticisme van de
symbolisten. Het futurisme is nauw verbonden met andere substromingen van het
modernisme, zoals het
kubisme (vgl. het Russische
‘kubofuturisme’),
dadaïsme en
surrealisme. In Nederland oefende het
duidelijk invloed uit op het
expressionisme en speciaal het
vitalisme van
Marsman.
In de literaire terminologie krijgen woorden als vuur, dynamiek,
sprong, auto, vliegtuig, fabriek, menigte, stad e.d. de status van trefwoorden.
In de beeldspraak blijkt een voorkeur voor directheid: het beeld wordt gegeven
in plaats van het verbeelde (met name
metonymie). Daarnaast wordt gebruik gemaakt
van
neologismen om de nieuwe (technische)
verworvenheden aan te duiden. De nadruk ligt op het woord, niet op de
volzin.
Hoewel het futurisme in Nederland nauwelijks als
geïsoleerd verschijnsel valt aan te wijzen, komt het nog het duidelijkst
tot uiting in het expressionisme en het
constructivisme. In Het Getij
(1916-1924) publiceerde
Theo van Doesburg zijn manifest
gebaseerd op dat van Marinetti. Ook in een blad als De Stijl (1917-1932)
was Van Doesburg de meest uitgesproken vertegenwoordiger van het futurisme. Het
werk van
Herman van den Bergh en
Paul van Ostaijen is er duidelijk door
beïnvloed.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Myers/Simms;
Shipley; Wilpert; F. Drijkoningen en J. Fontijn (red.). Historische
avantgarde (1982); J. Weisgerber (red.). Les avant-gardes
littéraires au XXe siècle, 2 dln. (1982). [G.J. van Bork]
| |
fysiologie
Prozaschets die populair was in de 19e eeuw en waarin bepaalde
typen uit de bevolking beschreven worden, waarbij het gaat om vaste typen van
beroepsgroepen (de visser, de koetsier, de jager, etc.), maar vaak ook andere
sociale groeperingen of zelfs steden het onderwerp zijn. Het genre - dat in de
renaissance als
zedeprint of karakter bekend is - werd
geïntroduceerd door
H. de Balzac met diens La
physiologie du mariage (1829) en inNederland nagevolgd
door o.m.
N. Beets in diens Camera
obscura (1839) en door
J. Kneppelhout in
Studenten-typen (1841). Een verzameling fysiologieën
verscheen in De Nederlanden (1840; ed.
Van der Meulen en
Welsink, 1980) met als ondertitel
‘karakterschetsen, kleederdrachten, houding en voorkomen’. Daarin
worden door auteurs als
J. van Lennep,
J.P. Heije,
N. Beets en
J. Kneppelhout beschrijvingen gegeven van
‘De veerschipper’, ‘De aanspreker’, ‘De
schoorsteenveger’, ‘De schaatsenrijder’, ‘De
duivenmelker’ etc.
LIT: Laan; K. Korevaart. ‘Krant en literatuur: de fysiologie
in het dagblad’, in: De Negentiende Eeuw 15 (1991), p. 89-108; R.
Wezel. ‘Kneppelhout publiceert “De student-Leydenaar”’,
in: Nederlandse Literatuur, een geschiedenis (1993), p. 455-460. [G.J.
van Bork]
| |
fysisch perspectief
Term uit de
romananalyse voor het
perspectief dat bepalend is voor de
voorstelling die een lezer zich maakt van de ruimtelijke en materiële
omstandigheden die een tekst aanbiedt. Een goed gebruik van het fysisch
perspectief geeft aan een tekst de concreetheid waardoor de lezer een scherpe
voorstelling van het gebodene krijgt. In Vergeten straat
(1944) van
Louis Paul Boon wordt op de eerste
bladzijde een bijna filmisch beeld van de straat gegeven:
Een nauwe straat loopt dood tegen den hoogen botten achtergevel
van een pakhuis. Het is er stil. [...] Gezien van boven op het pakhuis is het
een nauwe koker, een grauwe zak (p. 9).
Het gegeven voorbeeld vertoont tevens de eigenschappen van de
panoramische vertelwijze; daarnaast kan het
fysisch perspectief gegeven worden in een
scenische presentatie.
Naast het fysisch perspectief onderscheidt men het
psychisch perspectief dat op het innerlijk
en de gedragingen van de personages gericht is.
LIT: Drop; Lodewick. [G.J. van Bork]
|
|
|