|
|
|
| |
N
| |
NUGI
Letterwoord uit de bibliotheekwereld voor Nederlandse
Uniforme Genre Indeling, eerder
UGI genaamd, een decimaal systeem voor de
indeling van publikaties naar hun ‘genre’, ontworpen door het
Documentatiecentrum van de Stichting Speurwerk betreffende het Boek. In 1985
werd een voorstel gedaan voor een codering met vier cijfers, maar dit voorstel
werd kort daarop teruggedraaid ten gunste van een driecijferige code. Vanaf
1987 moeten alle produkten die via het Centraal Boekhuis verspreid worden of
bij het
wettelijk depot worden aangemeld van een
NUGI-codering worden voorzien. Dit gebeurt op voorstel van de uitgever bij de
bibliografische gegevens als
ISBN en
CIP op de verso-zijde van het
titelblad en/of op het achterplat van het
boek, opdat op grond daarvan de boekhandelaar het boek snel kan plaatsen bij
andere boeken van dezelfde rubriek. De NUGI-code heeft dus een ander doel dan
de
UDC en de
SISO.
De NUGI telt ruim 350 rubrieken en is onderverdeeld in een
hoofdschema voor de algemene, professionele en wetenschappelijke uitgaven, en
drie subschema's voor non-books, videoprudukties en educatieve uitgaven. De
200-rubriek betreft kinderboeken; 300 is Nederlandse literaire romans, 310 is
poëzie, 320 literaire essays, 340 streek- en familieromans, enz.; de
900-rubriek bevat de kunst, waaronder bijv. 951 literatuurwetenschap, 952
Nederlandse literatuurgeschiedenis.
Publikaties kunnen meer dan één NUGI-code krijgen
wanneer ze bij verschillende rubrieken aansluiten.
LIT: Brongers; Stichting Speurwerk. Handleiding NUGI
(1990). [P.J. Verkruijsse]
| |
naamdicht zie
acrostichon
| | | |
nadrukformule
Term uit de retorica voor een uitspraak dat iets waar is (veritas
topos), belangrijk is of dadelijk gebeurt, meestal gebruikt als
versvulling of bij
rijmdwang, bijv.
Telker poorten zijn ghestaen
Vierwarf twintich man sonder waen
(
Penninc en
Pieter Vostaert. Roman van
Walewein. Ed.-
Van Es, 19762, p. 103, vss.
3469-3470).
De nadrukformule is een vast bestanddeel van alle
Middelnederlandse epiek. Het is mogelijk dat zij functioneerde als zwaartepunt
bij de voordracht.
LIT: A.A.M. Besamusca. Het ‘Boec van Lancelote’. De
Middelnederlandse vertaling in verzen van de Lancelot en Prose en het aandeel
van Lodewijk van Velthem in de totstandkoming van de Lancelotcompilatie
(1988), p. 93-96; W. Kuiper. Die riddere metten witten scilde.
Oorsprong, overlevering en auteurschap van de Middelnederlandse Ferguut,
gevolgd door een diplomatische editie en een diplomatisch glossarium
(1989), p. 278-283; E. van den Berg. ‘Nadrukformules in Middelnederlandse
ridderepiek’, in: Ntg 85 (1992), p. 205-214. [H. Struik]
| |
nar of zot
Satirisch persoon die de menselijke dwaasheid belichaamt en met
behulp van het ongerijmde de ware wijsheid aantoont. De nar treedt op in
literatuur met een moreel-didactische inslag, welke in de late Middeleeuwen en
tijdens het humanisme een grote bloei beleeft. Door middel van karikatuur en
polemiek wordt de belering nagestreefd. Belangrijke vertegenwoordigers van dit
genre zijn
Sebastiaan Brants
Narrenschiff (1494), dat in het Middelnederlands is
overgeleverd als Dit is der zotten ende der narren scip
(1500), en
Erasmus' Moriae
Encomium (Lof der Zotheid, 1511).
In de vastelavondliteratuur (vastelavondviering) is het narrenschip het vervoermiddel bij
uitstek van allerlei buitenmaatschappelijken; dronkelappen, overspelige
vrouwen, hoerenlopers en ander maatschappelijk wrakhout worden uitgenodigd aan
boord te komen. Door omkering van de moraal en door middel van felle satire
benadrukt men dat allen die niet aan de eisen van de geordende samenleving
voldoen, zich moeten aanpassen of verdwijnen.
De nar is een traditioneel type in het
rederijkerstoneel, waar hij meestal de zot
of sot genoemd wordt. Tot de vorming en instandhouding van de traditie heeft
waarschijnlijk bijgedragen dat de zot ook buiten het toneel, als functionaris
aan het hof of van een rederijkerskamer voorkwam.
In kleinere spelen zoals het
tafelspel, waarin de zot bijna altijd tot de
hoofdpersonen behoort, is hij louter een komische figuur.
Een enkele keer komt hij voor in een serieus stuk, waarbij hij
niet uitsluitend komisch maar tevens dienstbaar is aan de didactische
bedoelingen van de auteur en niet meer tot de hoofdpersonen wordt gerekend; de
hoofdhandeling in het spel wordt op een satirische wijze door hem gehekeld.
Speciaal in deze vorm lijkt de zot veel op het
zinneken. Beiden spreken de waarheid of
onthullen deze: de zot omdat hij te naïef is om misleid te worden, de
zinnekens omdat zij als transcendente wezens over superieure kennis en
superieur inzicht beschikken en een hogere waarheid tonen. De zot is echter een
aardse zedenmeester en wendt zijn naïviteit en het spreken via zijn marot
of zotskolf slechts voor om zijn spot te verscherpen en zichzelf te
beveiligen.
LIT: Best; Gorp; Metzler; MEW; Wilpert; W.M.H. Hummelen. De
sinnekens in het rederijkersdrama (1958), p. 383-396; H. Pleij. Het
gilde van de Blauwe Schuit. Literatuur, volksfeest en burgermoraal in de late
middeleeuwen (19832); H. Pleij. ‘De zot als
maatschappelijk houvast in de overgang van middeleeuwen naar moderne
tijd’, in: Waanzin. Groniek 23 (1990) 109, p. 19-39. [H.
Struik]
| |
narratief systeem
Term uit de narratologie of verteltheorie voor de manier waarop
een verhalende tekst blijkt te zijn opgebouwd. In feite bestaat het narratieve
systeem uit de retoricale middelen die een verhalende tekst structureren, zoals
bijv. de
focalisatie of het
perspectief (point of
view), de
tijdsaspecten, de ruimtelijke aspecten
(ruimte) van het verhaal e.d. Het totaal van deze
structurerende kenmerken die de verhalende tekst bepalen noemt men het
narratieve systeem.
LIT: Bal; Dupriez-2; Herman/Vervaeck; Prince; Shipley; M. Bal.
Narratologie (1977); G. Genette. Narrative discourse (1980).
[G.J. van Bork]
| |
narratieve cyclus
Term uit de narratologie voor de specifieke ordening van de
gebeurtenissen of groepen gebeurtenissen in een verhaal die men globaal zou
kunnen omschrijven als een meegedeelde mogelijkheid (1), de gebeurtenis(sen)
die daarmee is (zijn) verbonden (2) en de afsluiting (gevolgen) daarvan in
positieve of negatieve zin (3). Deze drie fasen vinden we bijv. terug in:
(1) Iemand wil een grote reis maken;
(2) Hij neemt een aantal weken vakantie, pakt zijn koffers en
monstert aan op een schip;
(3) Hij slaagt er wel/niet in zijn voorgenomen reis te
voltooien.
Binnen de reeksen gebeurtenissen kunnen weer nieuwe, ingebedde
reeksen gebeurtenissen optreden die niet noodzakelijk ondergeschikt hoeven te
zijn aan de hoofdreeks. Combinaties van een beginsituatie waarin de
acteurs verandering (meestal verbetering)
willen brengen, het proces van die verandering en de nieuwe eindsituatie waarin
al dan niet een verbetering is ingetreden vormen samen de narratieve
cyclus.
LIT: Bal; Herman/Vervaeck; Cl. Bremond. ‘De logica van de
narratieve mogelijkheden’, in: W.J.M. Bronzwaer e.a. Tekstboek
algemene literatuurwetenschap (1977), p. 186-189. [G.J. van Bork]
| |
narratieve tekst zie
verhalende tekst
| |
narratio
Term uit de retorica voor dat onderdeel van de opzet van een
betoog (dispositio) dat na de inleiding (exordium) de feiten moet leveren voor het volgende onderdeel,
de
argumentatio. Dit feitenoverzicht moet
beknopt, duidelijk en geloofwaardig zijn. Als afsluiting kan het best een
voorstel (propositio) gedaan worden. Voor de narratio
kan de redenaar putten uit tal van topoi (topos); met
name de tijdsbepaling (locus a tempore, in het bijzonder de
Natureingang) en plaatsbepaling (locus a
loco) zijn voor het begin van een narratio erg geschikt, bijv.
Die coninc Aertuer hadde hof
Gehouden, daer hi groten lof
Eens sinxendages, hadde ontfaen
Ter borch die hiet Caradigaen.
(Ferguut, ed.-
Rombauts e.a., 19822, p.
45).
Ick kreegh lestent een buydt op de Reden-rijckers Camer
(
G.A. Bredero, Klucht van de
koe, vs. 13, in: Kluchten, ed.-
Daan, 1971, p. 62).
Er was des morgens te tien ure eene ongewone beweging op den
grooten weg die de afdeeling Pandeglang verbindt met Lebak.
(
Multatuli. Max
Havelaar, begin van het Havelaar-verhaal in hoofdstuk 5).
De narratio is uitgegroeid tot het belangrijkste of zelfs enige
onderdeel van een literair werk (vgl. de
roman).
LIT: Best; Gorp; Lausberg; LdMA; Lodewick; Marouzeau. [P.J.
Verkruijsse]
| |
narrativiteit
Term uit de narratologie of
verteltheorie voor de manier waarop een
tekst als vertelde tekst kan worden beschreven. De narrativiteit wordt daarbij
bepaald door de onderlinge relaties binnen de tekst zelf, de betekenis van die
tekst en de geschiedenis of reeks gebeurtenissen die er de grondslag van
vormen.
LIT: Abrams; Baldick; Boven/Dorleijn; Herman/Vervaeck; Metzler;
Shipley; M. Bal. ‘Over narratologie, narrativiteit en narratieve
tekens’, in: Spektator 7 (1977-1978), p. 528-548; A. Rigney.
‘Narrativiteit’, in: W. van Peer en K. Dijkstra (red.).
Sleutelwoorden (1991), p. 112-119. [G.J. van Bork]
| |
narratologie zie
verteltheorie
| |
nationale bibliografie
Bibliografie die tot doel heeft om per land of taalgebied een
compleet overzicht te geven van de boekproduktie. In landen waar een
wettelijk depot is ingesteld, kan de
nationale bibliografie vrij gemakkelijk bijgehouden worden op de
depotbibliotheek (D-nummer). InNederland
vindt vanaf 1982 de samenstelling plaats op basis van vrijwillig depot door de
afdeling Depot van Nederlandse Publikaties & Nederlandse Bibliografie van
de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag en is on-line beschikbaar
via
Pica en op cd-rom. Ook
CIP-beschrijvingen maken deel uit van de
bibliografie. De nationale bibliografie wordt nog steeds aangeduid als de
‘Brinkman’ naar de vervaardiger -
C.L. Brinkman - van Brinkman's
catalogus van boeken en tijdschriften, verschenen in Nederland en Vlaanderen en
in de Nederlandse taal elders (1846-1872). Zijn werk is voortgezet
door
R. van der Meulen (1873-1924),
D. Smit (1925-1928),
G.J. van der Lek (1929-1945),
D. de Jong (1946-1973) en anoniem sinds
1974.
Minder complete voorlopers van de ‘Brinkman’ zijn de
Naamregisters van
Van Abkoude en
Arrenberg over de periode 1600-1787, de
Alphabetische naamlijst van
J. de Jong over de jaren 1790-1832
(aangevuld door Brinkman voor de periode 1833-1875) en de Naamlijst van
uitgever Saakes over 1790-1848. De periode 1801-1832 is ingevuld met de
Nederlandse bibliografie van
L.G. Saalmink (1993).
Als grondslag voor de
retrospectieve (nationale) bibliografie is
in 1982 het
STCN-project begonnen, dat in de vorm van
een Short Title Catalogue alle publikaties vanaf de uitvinding van de
boekdrukkunst tot 1800 beschrijft en evenals ‘Brinkman’ gebruik
maakt van Pica. De periode vóór 1540 wordt al bestreken door de
bibliografie van
incunabelen van
Campbell en die van
postincunabelen van
Nijhoff/
Kronenberg. De
Noord-Nederlandse bibliografie 1541-1600 is bewerkt door
B. en
M.E. de Graaf en
P. Valkema Blouw; voor
Zuid-Nederland is er over dezelfde periode de
Belgica typographica van
E. Cockx-Indestege en
G. Glorieux. Een ander project, de
Bibliotheca Belgica van
F. Vanderhaeghen, dat alle publikaties van
vóór 1600 en de belangrijkste van daarna uitvoerig wilde
beschrijven, bleef onvoltooid.
LIT: BDI; Hiller; Mathijsen; J.A. Gruys, P.C.A. Vriesema en C. de
Wolf. ‘De Nederlandse nationale bibliografie van 1540-1800: de
STCN’, in Dokumentaal 12 (1983), p. 107-116; A.M.J. van Buuren,
W.P. Gerritsen en A.N. Paasman. Vermakelijk bibliografisch ganzenbord
(19835), p. 79-85; M. Feijen. ‘Brinkman's catalogus
1982-1986’, in Pica-mededelingen 9 (1986), nr. 3 (okt.), p. 3;
A.O. Kouwenhoven. Handboek bibliografie (1995), p. 164-183. [P.J.
Verkruijsse]
| |
naturalisme
Internationale stroming in de literatuur die ontstaan is in de
tweede helft van de 19e eeuw in Frankrijk op basis van de positivistische
theorieën van
Hippolyte Taine (Histoire de la
littérature anglaise, 1863-1864) en de medicus
Claude Bernard (Introduction á
l'étude de la médecine expérimentale, 1865).
Uitgangspunt is dat de mens gedetermineerd (determinisme) is door erfelijkheid en milieu. Het is de taak
van de schrijver om de mens te tonen in zijn ontwikkeling op grond van
empirische waarneming en tegen de achtergrond van diens determinerende
factoren. Men sprak in dit verband wel van ‘proefondervindelijke
romans’.
De belangrijkste Franse naturalistische auteurs (de gebroeders
De Goncourt,
Gustave Flaubert,
Emile Zola e.a.) stelden zich ten doel
zich voor hun romans door nauwkeurige studie te documenteren om tot een zo
objectief mogelijke beschrijving van hun personages te komen. Het
‘proefondervindelijke’ komt tot uiting in de werkwijze: gegeven een
personage X voorzien van bepaalde erfelijke eigenschappen en geplaatst in
situatie of omstandigheden Y, dan zal de ontwikkeling zich volgens patroon Z
ontplooien.
Opvallend is de voorkeur voor personages uit de lagere standen,
die voor een deel verklaard kan worden uit sociale motieven (Zola) en voor een
deel uit esthetische (exotische) motieven (De Goncourts). Terwille van de
genoemde objectiviteit verdwijnt de vertellende en oordelende instantie van de
auctoriale vertelwijze ten gunste van de
objectievere
personale vertelwijze.
De Nederlandse naturalistische literatuur, die in navolging van de
Franse rond 1880 opkomt, vertoont een aantal bijzondere kenmerken die niet
steeds aan de stroming zelf inherent zijn. Eén daarvan is de voorkeur
voor personages met een zwak, nerveus of sensibel gestel (vgl. Eline Vere uit
de gelijknamige roman van
Couperus, Mathilde uit Een
liefde (1888) van
Lodewijk van Deyssel en Hedwig uit
Van de koele meren des doods (1900) van
Frederik van Eeden). Aanvankelijk blijken
de naturalisten ook duidelijk een pessimistische, soms fatalistische
levensvisie te hebben die voor een belangrijk deel voortkomt uit de
fatalistische trekken van het determinisme, maar in de romans zelf ontstaat uit
een botsing tussen ideaal en werkelijkheid (
T. Anbeek spreekt van ‘de
geschiedenis van een ontnuchtering’). Later (na 1900) blijkt dit
pessimisme soms plaats te maken voor optimistischer geluiden, gevoed bijv. door
socialistische of godsdienstige heilsverwachtingen.
De Nederlandse naturalistische literatuur vertoont bovendien onder
invloed van Van Deyssels
estheticisme (in het bijzonder in diens
dertiende hoofdstuk van Een liefde, 1888) een sterke neiging tot
impressionistische beschrijvingskunst (Van Deyssels
sensitivisme), de zgn.
‘woordkunst’ van de
Tachtigers, die parallel loopt met de
gedetailleerde beschrijvingen van de naturalisten.
Men kan een merkwaardige tweesporigheid constateren binnen het
naturalisme. Enerzijds is er de neiging de werkelijkheid te beschrijven met het
doel de samenleving te ontleden en zo te laten zien welke wetten haar
beheersen. Anderzijds is er de behoefte aan esthetisering van het lelijke en
onaangename: de ‘schoonheid van de ellende’. Soms lopen deze twee
aspecten dwars door het werk van één auteur (
Heijermans,
Coenen), soms kenmerkt één
van beide het werk van een auteur (Zola versus De Goncourt).
Opvallend is voorts dat het naturalisme zich voornamelijk geuit
heeft in narratief proza en drama. Dat heeft veel te maken met het feit dat dit
genres zijn waarin de auteurs meenden een zo groot mogelijk objectiviteit te
kunnen betrachten, terwijl het ze tevens in staat stelde een grote
gedetailleerdheid na te streven.
De belangrijkste Nederlandse auteurs van naturalistisch werk zijn
Lodewijk van Deyssel (1864-1952), Louis Couperus (1863-1923),
Marcellus Emants (1848-1923), Frederik
van Eeden (1860-1932),
Jan ten Brink (1834-1901),
Frans Netscher (1864-1923),
Frans Coenen (1866-1936),
P.A. Daum (1850-1898),
Herman Heijermans (1864-1924),
Johan de Meester (1860-1931),
August P. van Groeningen (1866-1894) en
J. van Oudshoorn (1876-1951).
Belangrijke Vlaamse auteurs zijn
Em. de Bom (1868-1953),
Reimond Stijns (1850-1905),
Gustaaf Vermeersch (1877-1924) en
Cyriel Buysse (1859-1932).
Hoewel Lodewijk van Deyssel het naturalisme reeds in 1891 dood
verklaarde, heeft het tot ver in de 20e eeuw nog aanhangers en navolgers
gekend, vooral onder vrouwelijke auteurs als
Ina Boudier-Bakker (1875-1966),
Jo van Ammers-Küller (1884-1966) en
Elisabeth Zernike (1891-1982), maar het
hoogtepunt is rond 1910 toch wel voorbij, mede onder invloed van het opkomend
modernisme.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Fowler; Gorp;
Krywalski; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott;
Shipley; Wilpert; J. de Graaf. Le réveil littéraire en
Hollande et le naturalisme français (1880-1900) (1937); E. Auerbach.
‘Germinie Lacerteux’, in: Mimesis (1971), p. 434-463; L.R.
Furst en P.N. Skrine. Naturalism (1971); T. Anbeek. De
naturalistische roman in Nederland (1982); M.G. Kemperink, ‘Wat wil
het naturalisme? Een invulling van het Nederlandse naturalistische concept op
basis van poëticale teksten’, in: F.A.H. Berndsen en J.J.A. Mooij
(red.). Dit is vreugd die langer duurt ... Opstellen aangeboden aan Prof.
Dr. W. Blok (1984), p. 41-60; G.J. van Bork en N. Laan (red.). Twee
eeuwen literatuurgeschiedenis (1986), p. 117-142; R. Debbaut. Het
naturalisme in de Nederlandse letteren (1989). [G.J. van Bork]
| |
Natureingang
Gedurende de Middeleeuwen veelvuldig gehanteerd
topos om een gedicht of roman (narratio) te beginnen met een stereotype beschrijving van de
ontluikende (lente)natuur, bijv.:
Die voghele hebben delijt;
Die bloemen ontspringhen in berch in dal;
Den wreden wintre diese qual.
(
Hadewijch. Strofische
gedichten. Ed.-
De Paepe, 1983, nr. XVI, vss. 1-7, p.
156).
Vaak is de Natureingang een standaardbeschrijving van een
locus amoenus, een lieflijke plaats waar de
mens de zwaarte van het bestaan volledig kan vergeten. De Natureingang is een
consequente toepassing van de
ab ovo-structuur, maar wordt ook gebruikt
als
allegorie voor de ontluikende liefde,
waarbij de meevoelende natuur zich soms aansluit bij de stemming van de
personages, bijv.
H. Poot:
Akkerleven,
Rhijnvis Feith:
Julia (1783) en
A. den Doolaard: Het verjaagde
water (1947). De korte Natureingang in Van den Vos
Reynaerde (ed.-
Lulofs, 19852, vss. 41-43) zet
het publiek op het verkeerde been: in plaats van vrolijkheid en liefde volgen
onrecht, verkrachting en moord.
LIT: Alphen; Gorp; Lausberg; Lodewick; MEW; E.R. Curtius.
Europäische Literatur und Lateinisches Mittelalter
(19738); W.P. Gerritsen. Rhetorica en litteratuur in de
middeleeuwen (1974); F. Willaert. De poëtica van Hadewijch in de
Strofische Gedichten (1984), p. 17-79. [H. Struik]
| |
natuurlyriek
Vorm van
lyriek waarin flora en fauna centraal
staan.
De middeleeuwse literatuur kent geen natuurlyriek in strikte zin,
wèl topische (topos) natuurbeschrijvingen, met
name in de
hoofse poëzie, bijv. de
locus amoenus, de
locus terribilis en de
Natureingang.
In de Renaissance gaat de natuurbeschrijving in poëzie een
zelfstandiger rol spelen, blijkend uit bijv. de cultivering van een genre als
het
hofdicht. Terwijl de natuurlyriek in
Renaissance en Classicisme veelal generaliserend van aard is (vgl.
arcadia en
idylle) gecombineerd met een nauwkeurige
verzorging van de uiterlijke vorm (strofenbouw, rijm en metriek), gaat men in
de Romantiek individualiserend te werk, naar inhoud en vorm. De dichter legt
een verband tussen zijn innerlijke stemming en de gevoelens die door de natuur
worden opgeroepen, dan wel op de natuur worden geprojecteerd (het z.g.
‘paysage de l'âme’). Men denke aan
A. de Lamartinemet zijn beroemde gedicht
‘Le lac’, en in de Nederlandse letterkunde aan poëzie van
Guido Gezelle en
Herman Gorter. Bij veel symbolisten
(Symbolisme) neemt de aandacht voor de natuur af. Dat de
natuur ook in de 20e eeuw bij sommige dichters een belangrijke rol blijft
spelen, blijkt uit het werk van dichters als
Hans Warren,
M. Vasalis en
Habakuk II de Balker.
LIT: Laan; Metzler; Preminger; Shipley; Wilpert; M.M. Prinsen.
De idylle in de 18e eeuw (1934); Th.J. Beening. Het landschap in de
Nederlandse letterkunde van de Renaissance (1963); A.N. Paasman.
‘Loopt, geitevoeten’, in: Studia neerlandica 1 (1971), 5, p.
1-41; W.B. de Vries. ‘Toetsing van een genre; vier onbekende
achttiende-eeuwse hofdichten’, in: NTg 78 (1985), p. 110-126. [W.
Kuiper]
| | | |
nawerk
Term uit de drukkerswereld voor die onderdelen van een boek die
zich bevinden na de hoofdtekst, zoals
bijlagen of appendices, notenapparaat, lijst
van gebruikte literatuur, indices, inhoudsopgave, nawoord,
colofon,
addenda,
corrigenda en errata. Anders dan bij het
voorwerk komt het zelden voor dat het nawerk
apart gepagineerd of gefolieerd is. Wel komt het vaak voor in boeken uit de
periode van de handpers dat de paginering vóór het nawerk ophoudt
terwijl de signering doorgaat.
LIT: Best; K.F. Treebus. Tekstwijzer (19832), p.
178-182. [P.J. Verkruijsse]
| |
necrologie zie
levensbericht
| |
Nederduits
In de 20e eeuw in onbruik geraakte benaming voor de eenheidstaal
die omstreeks 1500 uit het
Middelnederlands ontstond: het
Nieuwnederlands. De term werd in de 16e en
17e eeuw algemeen gebruikt, bijv. in de titel van de eerste spraakkunst van het
Nederlands: de Twe-spraack van de Nederduytsche
Letterkunst (1584) van (waarschijnlijk)
Hendrick Laurensz Spiegel.
Het begrip ‘Nederduits’ voor het Nederlands moet
overigens niet verward worden met de gelijknamige ‘Duitse’
tegenhanger van het Hoogduits, de taal van Noord-
enWest-Duitsland die ook wel Platduits of Nedersaksisch genoemd
wordt.
LIT: Laan; WNT; C.G.N. de Vooys. Geschiedenis van de
Nederlandse taal (19525); M.J van der Wal en C. van Bree. De
geschiedenis van het Nederlands (1992); J.W.de Vries, R. Willemijns en P.
Burger. Het verhaal van een taal. Negen eeuwen Nederlands (1993). [H.
Struik]
| | | |
Negen Besten
De ‘Neuf Preux’ zijn volgens middeleeuwse maatstaven
de grootste helden die de geschiedenis ooit heeft voortgebracht. Zij belichamen
van de 14e tot in de 16e eeuw het aristocratische ridderideaal en
vertegenwoordigen rechtvaardigheid en ridderschap (provesse). Verder verbeelden
ze de
vanitas, de vergankelijkheid van al het
aardse. De Negen Besten zijn onder te verdelen in drie groepen: 1) de drie
antieke helden
Hector,
Alexander de Grote en
Julius Caesar; 2) de drie bijbelse
helden
Josua,
Judas Maccabeus en koning
David; 3) de drie christelijke helden
koning
Artur,
Karel de Grote en
Godfried van Bouillon.
Het thema van de Negen Besten wordt voor het eerst gebruikt in
Les Voeux du Paon (ca. 1312) van
Jacques de Longuyon. In de literatuur
wordt het al gauw populair, waarbij de Negen gezelschap krijgen van de
‘Neuf Preuses’. Uit ca. 1325 dateert het Middelnederlandse
Van den Neghen Besten.
De populariteit van de Negen heeft bijgedragen tot het voortleven
van koning Artur in allerlei teksten die zich kritisch opstellen ten opzicht
van de verhalen in de
Arturromans, zoals
Jan van Boendales Der Leken
Spieghel (ca. 1330) en Van den .ix. besten
van heraut Beyeren in zijn kroniek (ca. 1404-1410). Verder komt het thema voor
in Een exempel van Heren van
Willem van Hildegaersberch, waar de Negen
Besten nadrukkelijk gecombineerd worden met de
vanitas-gedachte:
Mercket, waer sijn sy bevaren,
Die hier voer u heren waren,
Als Hector ende Alexander,
Julius ende menich ander;
Machabeus, die coene was,
Artur, Kaerl ende Godevaert?
Dese heren mosten onghespaert
Sterven, ende ghi sult oeck den ganc
Volghen mede, ist cort, ist lanc.
(ed.-
Bisschop en
Verwijs, 19812, nr. LXXV,
p. 149, vss. 9-18).
LIT: Cuddon; Scott; W.P. Gerritsen & A.G. van Melle (red.).
Van Aiol tot Zwaanridder. Personages uit de middeleeuwse verhaalkunst en hun
voortleven in literatuur, theater en beeldende kunst (1993); H. Schroeder.
‘The Nine Worthies. A supplement’, in: Archiv für das
Studium der Neueren Sprachen und Literaturen 218 (1981), p. 330-340; H.
Schroeder. Der Topos der Nine Worthies in Literatur und bildener Kunst
(1971); W. van Anrooij. Helden van weleer. De Negen Besten in de Nederlanden
(1300-1700) (1997). [H. Struik]
| | | |
neo-avantgarde
Literair-historische aanduiding voor de na de Tweede Wereldoorlog
ontstane
avant-gardebewegingen (Vijftigers,
experimenteel proza en
experimentele poëzie,
nouveau roman e.d.), ter onderscheiding van
de
historische avantgarde van voor 1940.
LIT: F.F.J. Drijkoningen en J. Fontijn (red.). Historische
avantgarde (1982). [G.J. van Bork]
| |
neoclassicisme-1 zie
classicisme
| |
neoclassicisme-2
Literairhistorische term met wisselende inhoud waarvan de
constante echter is dat er steeds een terugkeer mee wordt aangeduid naar een
vroegere stroming die als ‘klassiek’ wordt ervaren. Zo duiden de
Engelsen (neoclassicisme-1) er die stroming mee aan
(‘neoclassicism’) die op het vasteland van Europa te
boek staat als
classicisme. Een ander voorbeeld is het
neoclassicisme van de ‘école romane’ in
Frankrijk (
Jean Moréas 1891) ingaande tegen
de uitwassen van het
symbolisme en een ‘klassieke’
vormelijke schoonheid propagerend. Een vergelijkbare stroming is het
‘nieuwe classicisme’ van de latere
Albert Verwey.
LIT: Abrams; Baldick; Cuddon; Lodewick; Myers/Simms; Scott; J.
Kamerbeek Jr. Albert Verwey en het nieuwe Classicisme (1966); G.J. van
Bork en N. Laan (red.). Twee eeuwen literatuurgeschiedenis
(19902), p. 171 v. [G.J. Vis]
| |
neofilologie
Onderdeel van de
filologie dat zich bezighoudt met de studie
van teksten, meestal literair van aard, die in het niet-klassieke Latijn of in
de moderne talen geschreven zijn. Doel is enerzijds het vaststellen van de
juiste vorm van de tekst, anderzijds het interpreteren van de tekst in het
licht van de culturele context waarbinnen deze is ontstaan. Wat dat betreft,
wijkt de neofilologie niet af van de klassieke en de bijbelfilologie. De
neofiloloog heeft te maken met andersoortige - namelijk voor een groot deel
gedrukte - bronnen, die een andere benadering eisen via hulpwetenschappen als
de
analytische bibliografie en de
manuscriptologie dan die van de
klassiek-filoloog. InNederland is de neofilologie met betrekking
tot Nederlandse teksten (
P.C. Hooft) toegepast door
W.Gs Hellinga in het door hem in het
leven geroepen Instituut voor Neofilologie en Neolatijn (in de jaren 1970 en
1980) van de Universiteit vanAmsterdam.
LIT: MEW; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
neologisme
Nieuw gevormd woord dan wel een bestaand woord gebruikt in een
nieuwe betekenis. Een neologisme is vaak ontstaan naar het voorbeeld van een
gangbaar woord.
Men onderscheidt twee typen. Allereerst is daar de groep woorden
ontstaan naar aanleiding van nieuwe zaken. Zo is het woord
‘vliegenier’, destijds een neologisme, gevormd op basis van
bestaande woorden als ‘kruidenier’, ‘glazenier’ e.d.
Veel van dit soort woorden zijn in gebruik gekomen op grond van het streven
naar taalzuivering (purisme,
puritas), zoals ‘wentelwiek’
voor helikopter. In de periode van de
taalbouw (16e-17e eeuw) werd er bewust naar
gestreefd neologismen in te voeren op bijv. het gebied van de wiskunde (
Stevin) en het recht. Het recente
gebruik van het woord ‘richting’ als voorzetsel (‘richting
het parlement’) is een voorbeeld van een bestaand woord dat een nieuwe
betekenis krijgt.
Daarnaast onderscheidt men die groep neologismen die in het
literaire taalgebruik als expressieve neologismen hun intrede doen. Men vindt
ze bijv. in het
impressionisme. Zo probeerden sommige
Tachtigers, strevend naar individuele
expressie, hun poëticale opvatting terzake te realiseren met zelf gevonden
woorden, woordcombinaties en zegswijzen. Zij gebruikten woorden als
‘sneeuwsel’ (Gorter), samenstellingen als ‘blanktande’
(Gorter), ‘sneeuwgeontblader’ (
Van Looy) e.d. Ook bij
vertegenwoordigers van het
naturalisme vindt men expressieve
neologismen.
Sommige neologismen zijn contaminaties (portmanteau,
calembourg). Veel materiaal vindt men in het
tijdschrift Onze taal (1932-....).
LIT: Alphen; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh';
Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Marouzeau; Metzler; MEW; Myers/Simms;
Preminger; Scott; Shipley; L. van den Branden. Het streven naar
verheerlijking, zuivering en opbouw van het Nederlands in de 16de eeuw
(1956); R. Reinsma. Signalement ven nieuwe woorden (1975), met
aanvullingen daarop in Woordenboek van het nieuw Nederlands (1986).
[G.J. Vis/P.J. Verkruijsse]
| |
neoplatonisme
Een verchristelijkt
platonisme, waarvoor de grondslagen zijn
gelegd door
Plotinus (3e eeuw n.Chr.). Via hem,
Boëthius en
Dionysius de Areopagietheeft het
platonisme (Plato in Latijnse vertaling) de Middeleeuwen
‘overleefd’. Vanaf de 15e eeuw in Florence heeft door
humanisten als
Ficino en
Pico della Mirandola dit neoplatonisme,
nu weer gebaseerd op bestudering van de Griekse teksten, met zijn
schoonheidsideeën (vooral de ideeën over de geestelijke liefde, de
‘platonische liefde’) grote invloed gehad op de kunsten en dus ook
op de literatuur van
humanisme en
renaissance, later ook op die van
romantiek en
symbolisme. De hooggestemde goddelijke
liefdesidealen van Ficino werden al snel verbonden met die van de hoofse liefde
waarna ze tot literair spel in de liefdespoëzie degradeerden. De
ideeën over de lichamelijke aspecten van de liefde zijn verbreid via het
petrarkisme.
De dichter neemt een bijzondere plaats in in het neoplatonisme:
hij is de geïnspireerde figuur (inspiratie) die een
taak heeft als volksopvoeder, filosoof en profeet. De neoplatoonse dichter van
de renaissance is vooral te vinden aan het hof, eerst aan dat van
De Medici te Florence, vervolgens aan
het Franse (de Pléiade-dichters) en het Engelse hof. De literatuur geeft
uitdrukking aan de eeuwige schoonheid door
imitatio van de perfect geachte klassieken
en door na-bootsen van de natuur en de realiteit (mimesis), de daarin verborgen harmonie onthullend.
De neoplatoonse stroming krijgt nieuwe impulsen met de
herontdekking van
Plotinus door
Shaftesbury (1672-1713).
Wellekbeschouwt deze Engelse filosoof
als de voornaamste bron van het neoplatonisme in de 18e-eeuwse esthetica. In de
periode van de romantiek kan men neoplatoonse elementen vinden in het wijsgerig
idealisme en in de metafysica van
Bilderdijk en zijn kring. Het
neoplatonisme werkt door tot in het idealisme van het symbolisme.
LIT: Baldick; Cuddon; Fowler; Lodewick; MEW; Preminger; Scott; F.
Veenstra. ‘Hooft: enkele aspecten van de levens- en wereldbeschouwing der
Renaisssance’, in: J.C. Opstelten e.a. Geestelijke achtergronden bij
enkele grote schrijvers (1958); A.O. Lovejoy. The great chain of
being (1960), p. 32-37; G.J. Vis. Johannes Kinker en zijn literaire
theorie (1967), p. 227-229; R.B. Harris (red.). The significance of
neoplatonism (1976); I. Rivers. Classical and Christian ideas in English
Renaissance poetry (1979); R. Wellek. A history of modern criticism
(dl. 1, 1981), p. 106-107; G.J. van Bork en N. Laan (red.). Twee eeuwen
literatuurgeschiedenis (1986), p. 50-51, 59, 145-146; S. Brinkkemper en I.
Soepnel. Apollo en Christus. Klassieke en christelijke denkbeelden in de
Nederlandse renaissance-literatuur (1989), p. 40-51. [P.J. Verkruijsse/G.J.
Vis]
| |
neo-realisme of nieuw realisme
Stroming behorend tot de
avant-garde in de Nederlandstalige
literatuur die zich aan het einde van de jaren-'50 met een op het
modernisme gebaseerde
realisme-opvatting presenteerde in de
tijdschriften Barbarber, Gard Sivik en De nieuwe
stijl.
De neo-realisten verzetten zich tegen de poëzie-opvattingen
van de
Vijftigers van wie ze vonden dat zij de
werkelijkheid te poëtisch, te metaforisch-suggererend benaderden.
Daartegenover stelden ze een onmiddellijke presentatie van de werkelijkheid
door het aan de realiteit ontleende materiaal onbewerkt en geïsoleerd te
presenteren. Daarbij dient mooi of lelijk geen enkele rol te spelen, maar wel
intensivering van het waargenomene. Alles kan aanleiding zijn voor literatuur,
of liever: voor een tekst, want ze vermeden de term literatuur. De kunstenaar
maakt zijn kunstwerk niet, maar hij ziet of vindt het (vaak bij toeval), en hij
presenteert het vervolgens zo objectief mogelijk in een nieuwe contekst, zonder
interpretatie of commentaar.
Tot de genres van de neo-realisten behoren de
ready-made en de
reportage, genres die ook bij de eerste
generatie van de modernisten een belangrijke rol speelden (bijv. bij
Marcel Duchamp). Men spreekt daarom ook
wel van
neo-avantgarde. Folderteksten,
reclameteksten, flarden van opgevangen gesprekken, technische handleidingen,
circulaires etc. kunnen als materiaal geannexeerd worden en in het wit van de
pagina worden geïsoleerd en zo gepresenteerd als gedicht. De
authenticiteit van het materiaal is een eerste vereiste daarbij. De auteur
treedt als maker van de tekst zo volledig mogelijk terug.
De beweging kende een betrekkelijk kort bestaan. Gard Sivik
werd al in 1964 opgeheven en Barbarber in 1971. De nieuwe stijl
kende zelfs maar twee jaargangen (1965-66). Tot de belangrijkste auteurs
behoorden
Armando,
J. Bernlef,
G. Brands,
H. Sleutelaar,
K. Schippers,
C. Buddingh' en
E. Develing.
In Vlaanderen voltrok zich enkele jaren later een
soortgelijke, maar enigszins subjectiever gekleurde ontwikkeling rond
tijdschriften als Kreatief, Revolver en Yang. Gard
Sivikwas zelfs oorspronkelijk een Vlaams tijdschrift, maar het werd al vrij
vroeg door Nederlandse redacteuren overgenomen. De belangrijkste Vlaamse
neo-realisten zijn
Herman de Coninck,
Stefaan van Bremt,
Patricia Lasoen en
Daniël van Ryssel.
LIT: Baldick; Best; Gorp; Metzler; J. Bernlef. Een cheque voor
de tandarts (1967); J. Bernlef. Wie a zegt (1970); L. Deflo (red.).
Nieuw-realistische poëzie in Vlaanderen (1972); H. Brems.
‘Als een weerbarstig anachronisme’, in: Al wie omziet
(1981), p. 9-57; K.D. Beekman. ‘Ready-mades, reportages en concrete
poëzie’, in: G.J. van Bork en N. Laan (red.). Twee eeuwen
literatuurgeschiedenis (1986), p. 263-274. [G.J. van Bork]
| |
neo-romantiek
Begrip uit de literatuurgeschiedenis voor een stroming die door
sommigen gezien wordt als reactie op het
realisme en
naturalisme van de 19e eeuw en die
gekenmerkt wordt door subjectiviteit en idealisme. Als periodebegrip echter is
neo-romantiek eigenlijk niet goed bruikbaar, omdat niet duidelijk is wat de
precieze grenzen zijn met
romantiek en
symbolisme. Bovendien worden in dit verband
ook vaak de termen
impressionisme,
estheticisme en
decadentie genoemd, waardoor de omschrijving
van neo-romantiek er niet duidelijker op wordt. Daarenboven wordt in de Duitse
literatuurgeschiedschrijving de term ‘Neuromantik’ gebruikt voor de
tweede generatie romantici (1800-1840) en later nog eens voor de navolgers van
de grote Duitse romantici tussen 1840 en 1850.
Op grond van de werken die men gewoonlijk neo-romantisch noemt,
kunnen misschien een aantal kenmerken worden opgesomd die bepalend zijn voor
wat men in de praktijk neo-romantiek noemt. Dan blijkt dat men de term bij
voorkeur toepast op proza waarin een historische periode behandeld wordt, maar
dan zo dat niet een reconstructie van een historische gebeurtenis wordt
nagestreefd, maar vooral de sfeertekening aan het verleden wordt ontleend. Het
historische blijkt in de neo-romantiek sterk subjectief en idyllisch gekleurd.
In die zin is er een opvallend verschil met de 19e-eeuwse
historische roman. Soms is het bijna
onmogelijk de precieze tijd en plaats van handeling vast te stellen. Ook de
figuren zijn vaag, schetsmatig getekend. De personages zijn, evenals de
handeling, fictief, maar geplaatst in een sfeervol, dichterlijk beeld van een
historische periode, meestal de middeleeuwen. Er bestaat blijkbaar een grote
voorliefde voor thema's als onvervulde liefde, de natuur en het zwerversleven.
Bij minder grote schrijvers kan dit soms ontsporen en kitsch opleveren, of,
waar het streekgebondene bovendien nog een rol speelt,
Blut-und-Boden-romantiek.
Tot de neo-romantiek worden o.m.
Arthur van Schendels noodlotsverhaal
Drogon (1896) en zijn romans Een zwerver
verliefd (1904) en Een zwerver verdwaald
(1907) gerekend. Andere auteurs van werk dat neo-romantisch genoemd wordt zijn
Adriaan van Oordt
(Irmenlo, 1896),
Alfred Hegenscheidt
(Starkadd, 1897),
Aart van der Leeuw (Ik en mijn
speelman, 1927),
Filip de Pillecyn (De soldaat
Johan, 1939) e.a.
Nog problematischer wordt het gebruik van de term neo-romantiek
als periodebegrip, wanneer er in de praktijk ook nog de generatie dichters mee
wordt aangeduid die aan het einde van de jaren-'60 teruggrijpt naar motieven en
procédé's van romantische auteurs uit de 19e eeuw, zoals
De Genestet,
De Schoolmeester,
Piet Paaltjens e.a. Het gaat bij deze
dichters om een intellectueel en ironisch spel met oudere poëtische
vormen. Typisch romantische motieven als het onvervulbare verlangen, het
pathos, de zelfspot, het contrast tussen werkelijkheid en ideaal worden in
bewust dichterlijke taal en in archaïsche vorm licht ironisch verwoord.
Ter onderscheiding van de neo-romantici van voor de Tweede Wereldoorlog spreekt
men bij deze dichters ook wel van de ‘nieuwe romantiek’. Tot deze
laatste groep neo-romantici worden gerekend
Anton Korteweg,
Gerrit Komrij,
Willem Wilmink,
Lévi Weemoedt e.a. in
Nederland, en
Jotie 't Hooft,
H.F. Jespers,
Nic van Bruggen,
Eddy van Vliet,
L. Gruwez e.a. in
Vlaanderen.
LIT: Bantel; Gorp; Krywalski; Laan; Lodewick; MEW; Wilpert; T. van
Deel. ‘De ironie van de nieuwe romantiek’, in: De Klopgeest
10 (1975), p. 36-43; H. Brems. ‘Neo-romantische poëzie in Nederland
en Vlaanderen’, In: Ons Erfdeel 23 (1980) 5, p. 655-666;
‘Kunst in de jaren 70’. Spec. nr. Nieuw Vlaams Tijdschrift
35 (1982) 3. [G.J. van Bork]
| |
net
Term uit de editietechniek voor een versie van een tekst die
gebaseerd is op een
klad. Een netversie kan vervolgens als
kopij dienen.
LIT: Mathijsen. [P.J. Verkruijsse]
| |
nevenrechten
Vorm van het
auteursrecht waarbij de rechten van de
auteur indirect voortvloeien uit het werk zelf. Voorbeelden van nevenrechten
zijn die uit vertalingen, filmbewerkingen, bewerkingen voor radio, TV of
toneel, uit feuilletonpublikatie of uit het fotokopiëren van de tekst. De
uitgever van een werk is slechts bevoegd de nevenrechten van een werk op een
van de genoemde wijzen te exploiteren voor zover dit uitdrukkelijk met de
auteur is overeengekomen. De kwestie van de nevenrechten is pas in 1961
geregeld door de Conventie van Rome; de regeling is sedert 1964
van kracht.
LIT: Hiller; MEW; N. van Lingen. Auteursrecht in
hoofdlijnen (1975), p. 106-107. [G.J. van Bork]
| |
neventekst of subtekst
Term uit de dramatheorie om de door de toneelschrijver gegeven
toneelaanwijzingen die niet tot de
hoofdtekst behoren aan te duiden. Meestal
zijn deze toneelaanwijzingen typografisch van de hoofdtekst onderscheiden door
het gebruik van cursief, vet, haakjes e.d. Men spreekt in dit geval van directe
toneelaanwijzingen, in tegenstelling tot de indirecte toneelaanwijzingen die
uit de hoofdtekst kunnen worden opgemaakt.
In
Herman Heijermans' Dora
Kremer staat:
Dora, gaat naar de whisttafel: Een van de heren nog
thee?... (1893; Toneelwerken I, 1961, p. 15).
Hiervan is het gedeelte voor de dubbele punt neventekst en dat
erna behoort tot de hoofdtekst.
LIT: Baldick; Bergh; Gorp; Lodewick. [G.J. van Bork]
| |
new criticism
Anglo-amerikaanse
autonomiebeweging uit de jaren '20 van deze
eeuw met
J.C. Ransom en
I.A. Richards als pioniers. In reactie
op het verleden - biografisme en levensbeschouwelijke interpretatie - wilde men
de aandacht vestigen op het zelfstandige werk als doel in zichzelf (autotelisch,
ergocentrisch). Door een nauwgezette manier
van lezen (close reading) wilde men de individuele
karakteristieken en de vormgevingsprincipes van een tekst op het spoor komen,
met bijzondere aandacht voor ironie, paradox en
ambiguïteit. Belangrijke studies in dit
verband zijn die van I.A. Richards (Principles of literary
criticism, 1924; Practical criticism, 1929),
W. Empson (Seven types of
ambiguity, 1930),
J.C. Ransom (The New
Criticism, 1941),
C. Brooks (The well wrought
urn, 1942, 19472). Belangrijke namen zijn verder die van
Allen Tate,
R.P. Blackmur,
Kenneth Burke,
T.S. Eliot en
Yvor Winters.
De stroming is verwant aan formalistische bewegingen (formalisme) als die van het
Russisch formalisme en het
Praags structuralisme, en in Nederland aan
de Amsterdamse school (
W.Gs Hellinga) en de beweging in en om
het tijdschrift Merlyn (1962-1966).
LIT: Abrams; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon;
Fowler; Gorp; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; S.E. Hyman. The
armed vision (1947; 19554); F.C. Maatje.
Literatuurwetenschap (1970), p. 40-46; R. Wellek en A. Warren.
Theorie van de literatuur (1974); J.J. Oversteegen. Beperkingen
(1982), p. 46-50; J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de
literatuurwetenschap (19833), p. 67-70. [G.J. Vis]
| |
Nibelungensagen
Germaans complex van
sagen waarvan het middeleeuwse Duitse
epos Nibelungenliedde
bekendste vertegenwoordiger is. Een van de hoofdpersonen is Siegfried of
Sigurd, een held die de Nibelungenschat verwerft, een draak doodt en op jonge
leeftijd door verraad om het leven komt.
Over het ontstaan van het Nibelungenlied is men het nog
altijd niet eens. De meest waarschijnlijke hypothese is dat het epos eeuwenlang
mondeling werd overgeleverd en rond 1200 inBeieren is opgetekend
door een ons onbekende dichter. De circa 35 bewaard gebleven handschriften gaan
waarschijnlijk alle terug op die ene basistekst. Uit diezelfde mondelinge
overlevering zijn ook de andere versies van het verhaal voortgekomen:
verschillende Oudnoorse bronnen, waaronder een aantal Edda-liederen
(Edda: goden en heldenliederen uit de germaanse oudheid.
Vert.
De Vries, 19888) en het
laatmiddeleeuwse Lied vom Hürnen Seyfrid, over de
jeugdavonturen van Siegfried, waarvan tot diep in de 18e eeuw een zogenaamd
volksboek op de markt was.
De belangrijkste gebeurtenis van het epos en een aantal namen van
personen en locaties berusten op historische feiten. De historische gebeurtenis
die aan het Nibelungenlied ten grondslag ligt, is de vernietigende
nederlaag die de Hunnen de Bourgondiërs toebrachten in 436 of 437 in de
omgeving van Worms. In bijna alle handschriften volgt
Die Klage, die de gebeurtenissen na die catastrofale slag
beschrijft en dat eveneens rond 1200 is ontstaan.
Het Nibelungenlied is in de 13e eeuw in het
Middelnederlands vertaald; van dit Nevelingenlied zijn twee fragmenten
overgeleverd (ed.-
Gysseling &
Peijnenburg. Corpus van
Middelnederlandse teksten (tot en met het jaar 1300, 1980, reeks
II, dl. 1, p. 375-379). Deze vertaling is evenals zijn Middelhoogduitse
voorbeeld geschreven in zogenaamde ‘endgereimte
Langzeile’, een lang vers dat in twee
halfverzen uiteenvalt en waarbij steeds twee halfverzen door eindrijm verbonden
worden:
[daer] was gereet die spise. uele ende diere genoech
[ay] wat men al wiltbraets. ter cokenen wert droech
(Nevelingenlied, ed.-Gysseling, 1980, p. 375, vss.
1-2).
Het Nibelungenlied is na 1500 volledig in vergetelheid
geraakt. In de 19e eeuw wordt het epos herontdekt en beleeft het opnieuw grote
bloei, waarvan de belangrijkste exponent de opera-tetralogie Der Ring
des Nibelungen (1876) van
Richard Wagner is.
LIT: Laan; LdMA; N.Th.J. Voorwinden. ‘Siegfried’. In:
W.P. Gerritsen & A.G. van Melle (red.). Van Aiol tot Zwaanridder,
Personages uit de middeleeuwse verhaalkunst en hun voortleven in literatuur,
theater en beeldende kunst (1993), p. 303-317. [H. Struik]
| |
Nibelungenstrofe
Middelnederlands verstype dat genoemd is naar de toepassing ervan
in het Nibelungenlied en dat bestaat uit vier lange
regels (Langzeile) met zes heffingen en twee kortere
regels die in één regel gepresenteerd worden, maar wel met een
korte rust ertussen.
Deze dichtvorm komt in het Nederlandse taalgebied vrijwel
uitsluitend voor in de 13e-eeuwse vertaling van het Nibelungen-epos
(ed.-
Gysseling, 1980).
LIT: Bantel; Best; Cuddon; Metzler; MEW; Preminger; Shipley;
Wilpert. [G.J. van Bork]
| | | |
niet-chronologische vertelwijze
Vertelwijze waarbij de verteller wat de tijd (tijdsaspecten) betreft zelfstandige onderdelen van het verhaal
invoegt die niet tot de chronologische opeenvolging van de gebeurtenissen
gerekend kunnen worden. Soms kan dat gedaan worden door het verhaal midden in
de gebeurtenissen te laten beginnen (in medias res) en
pas daarna de voorgeschiedenis te onthullen. Soms ook worden heden en verleden
zo met elkaar vermengd dat ze onontwarbaar lijken.
Ook binnen niet-chronologisch vertelde verhalen kan
anticipatie (vooruitwijzing) of
retroversie (terugverwijzing), dus
achronie voorkomen, die alszodanig de
chronologie van de afzonderlijke delen niet hoeven te verstoren.
Een goed voorbeeld van een niet-chronologisch vertelde roman is
De Paradijsvogel (1958) van
Louis Paul Boon. Daarin zijn heden en
verleden met elkaar vervlochten en pas aan het eind vallen ze symbolisch
samen.
LIT: Bal; Drop; Herman/Vervaeck; E. Lämmert. Bauformen des
Erzählens (19756); G. Genette. Tijdsaspecten in de
roman (1979). [G.J. van Bork]
| |
niet-continue vertelwijze zie
discontinue vertelwijze
| |
Nieuwnederlands
Benaming voor de taalfase van het Nederlands die rond 1500 is
ontstaan vanuit het
Middelnederlands en tot op heden voortduurt.
De overgang van Middelnederlands naar Nieuwnederlands is niet duidelijk te
markeren. Uit de Nieuwnederlandse dialecten (Brabants, Hollands, Vlaams, e.d.)
ontwikkelt zich als cultuurtaal het zogenaamde Algemeen Beschaafd Nederlands
(ABN), hoewel de term Algemeen Aanvaard Nederlands, waarin ook ruimte is voor
regionale varianten, in opkomst is.
Aan de vorming van het ABN is vanaf de 16e eeuw bewust gewerkt
door grammatici en schoolmeesters (taalbouw). Belangrijk
als bron zijn het Vlaams en het Brabants geweest, omdat veel Middelnederlandse
literatuur in die dialecten geschreven is. Hieruit resulteerde een
Zuidnederlandse schrijf- en spellingstraditie die veel invloed op de spreektaal
had, en die na de val van Antwerpen (1585), toen veel Brabanders
en Vlamingen naar het Noorden uitweken, ook in de Noordelijke Nederlanden
doorgewerkt heeft. De belangrijkste bron werd het Hollands, het dialect van het
economisch en politiek machtigste gewest. De patricische kringen van steden als
Amsterdam, Haarlem en Leiden stelden de
norm voor een zich ontwikkelend ABN. Van groot belang bij de verspreiding van
het Nieuwnederlands als eenheidstaal is de Statenbijbel van 1637 geweest.
LIT: M.J van der Wal en C. van Bree. De geschiedenis van het
Nederlands (1992); J.W. de Vries, R. Willemijns en P. Burger. Het
verhaal van een taal. Negen eeuwen Nederlands (1993). [H. Struik/P.J.
Verkruijsse]
| |
nieuwe zakelijkheid
Term ontleend aan de bouwkunst en beeldende kunst voor een
literair verschijnsel dat zich na Eerste Wereldoorlog manifesteerde als reactie
op de als overspannen ervaren gevoelslyriek van het
symbolisme en de impressionistische
beschrijvingskunst van het
naturalisme. De term ‘nieuwe
zakelijkheid’ is in de literatuur vooral van toepassing op het proza
waarin de nadruk ligt op strakke vormgeving, zakelijke weergave van feiten en
handelingen, met weglating van veel omschrijvende formuleringen (o.m.
bijvoegelijke naamwoorden) die voor de sfeertekening gebruikt worden. Over het
algemeen ontstaat daardoor versnelling. Wat de inhoud betreft bestaat een
voorkeur voor moderne technische, commerciële, politieke of sociale stof.
De stijl wordt gekenmerkt door korte zinsbouw, filmische overgangen, een strak
prozaritme en wisselende, direct naast elkaar geplaatste, beelden. Men spreekt
in dit verband vaak van de reportagestijl (reportage,
reportageroman).
Net als in de bouwkunst (
Oud,
Brinkman,
Van der Vlugt,
Duiker e.a.) wordt gestreefd naar
functionaliteit, d.w.z. het weren van elke overtolligheid zoals die bijv. tot
uiting komt in decoratieve versieringen bij de architectuur, in
stemmingsbeschrijving of mooischrijverij in de literatuur. Deze elementen
werden gezien als subjectief, terwijl de nieuw-zakelijke kunstenaars trachtten
een zo groot mogelijke objectiviteit te bereiken. Voor sommige auteurs over dit
onderwerp vallen
magisch realisme of
surrealisme en nieuwe zakelijkheid samen
vanwege de koel-realistische weergave die beide stromingen gemeen hebben.
Anderen zijn echter van mening dat juist in de hyperrealistische kunst van
iemand als
A.C. Willink, waarmee bijv.
Bordewijk wel op één lijn
gesteld wordt, een gevoelslading aantoonbaar is die de nieuwe zakelijkheid
onverenigbaar maakt met het surrealisme. De term kan dan ook beter gereserveerd
worden voor een stroming waarin een zo sober en functioneel mogelijk gebruik
wordt gemaakt van de taal. In die zin behoort de nieuwe zakelijkheid tot het
gematigd-modernisme.
In het Nederlandse taalgebied had het werk van
Ilja Ehrenburg (bijv. Das
Leben der Autos, 1930) invloed op het proza van o.m.
M. Revis (8.100.000
m3 zand, 1932),
B. Stroman (Stad,
1932),
M. Dekker (Brood,
1932) en
Jef Last (Zuiderzee,
1934). De modernistische versobering van het taalgebruik is niet zonder invloed
gebleven op het werk van
Willem Elsschot,
Gerard Walschap,
Martinus Nijhoff e.v.a.
LIT: Bantel; Best; Gorp; Lodewick; Metzler; MEW; R. Houwink.
‘Naar nieuwe zakelijkheid’, in: Den Gulden Winckel 31
(1932), p. 168-170; B. Stroman. ‘De Nieuwe Zakelijkheid in de
literatuur’, in: Rondom het boek (1935), p. 77-84; C. Tazelaar.
Het proza der nieuwe-zakelijkheid (1935); H. Anten. Van realisme naar
zakelijkheid (1982); J. Goedegebuure. Nieuwe zakelijkheid (1992).
[G.J. van Bork]
| |
nieuwjaarslied
Liederen - gewoonlijk van religieus-moralistische aard - bij de
jaarwisseling ter begroeting van het nieuwe jaar komen voor vanaf de
Middeleeuwen: reeds
Hadewych dichtte nieuwjaarsliederen. Bij
de rederijkers en tijdens de Renaissance werd het genre druk beoefend, o.a.
door de Kamer In Liefde Bloeyende (een aantal Nieuw jaers lieder van
H.L. Spiegel verscheen in 1608) en
Costers Academie (een reeks van 1618 tot en met 1622). Nieuwjaarswensen op
rijm, veelal als
plano-druk, hebben het tot in de 20e eeuw
volgehouden.
Een bloemlezing van nieuwjaarspoëzie vanaf de Middeleeuwen
tot
Albert Verweyis samengesteld door
K. Goossens, Al in dit soete
nieuwe-jaar (1941).
LIT: Laan; J.A.L. de Meyere. Met de beste wensen voor het
nieuwe jaar (1981); Veel heil en zegen: nieuwjaarswensen uit eigen
bezit; tentoonstelling in het Algemeen Rijksarchief (1982); H. Demarest.
‘Dit soete nieuwe-jaer; gecatalogeerde Brugse nieuwjaarswensen’,
in: Volkskunde 85 (1984), p. 1-15. [P.J. Verkruijsse]
| |
nieuw realisme zie
neo-realisme
| |
nigromantie of zwarte kunst
Hekserij, duivels- en geestenbezwering waren de belangrijkste en
gevaarlijkste van de verboden kunsten, de artes incertae. Anders dan de
vrije kunsten (artes liberales) was de beoefening van
nigromantie verboden door kerk en staat, die overigens witte en zwarte magie
over een kam schoren en vanaf de 14e eeuw deze relicten uit een heidens
verleden gelijkstelden met ketterij.
Berucht is de Malleus Maleficarum of
Heksenhamer (1486) van de dominicaanse inquisiteurs
Henrich Institoris Krämer en
Jakob Sprenger. Dit handboek voor
heksenjagers beleefde nog in 1669 zijn waarschijnlijk 31ste druk.
Heksenprocessen hebben van de 16e tot in de 18e eeuw in heel
Europa naar schatting een miljoen mensenlevens gekost, waarbij
tienmaal meer vrouwen dan mannen gedood werden. Heel wat van hekserij verdachte
oude vrouwtjes zijn verdronken, nadat zij bij wijze van heksenproef
vastgebonden in het water waren gegooid: zij bleken onschuldig, een heks was
blijven drijven. Een verdachte werd door martelingen tot bekentenissen
gedwongen, welke varieerden van het betoveren van vee tot en met
geslachtsgemeenschap met de duivel. Daarna wachtte meestal de brandstapel.
Mariken van Nieumeghen speelt dus letterlijk met vuur als zij
Moenen vraagt, hoewel ze in hem al de duivel vermoedt, haar te bekwamen in de
zeven vrije kunsten èn in de necromantie:
Nigremansie, dats een const, die ghenoechelijck is,
Mijn oom es daer af fraey ende cloeck;
Hy maect wonder somtijts: hij heeft er af eenen boeck,
Ick wane hi hem in node noyt en faelde.
Hi soude door die ooghe van eender naelde
Den viant wel doen cruypen teghen sinen danck.
Die consti moetti mi oock leeren.
(Mariken van Nieumeghen, ed.-
Beuken, 19723)
Het is overigens opmerkelijk dat de oom van Mariken, die priester
is, de zwarte kunst beoefent.
In de Republiek der Nederlanden is in de 17e eeuw een eind aan de
vervolgingen gemaakt en was het beleid ongewoon humaan in vergelijking met de
omringende landen: in Oudewaterwas (en is, nu als toeristische
attractie) een heksenwaag: van hekserij verdachte personen werden daar gewogen
en nooit te licht bevonden: bij voldoende gewicht kon de verdachte geen heks
zijn en kreeg een bewijs van onschuld mee naar huis. Vooral
Baltasar Bekker heeft met zijn
De betoverde wereld (4 dln., 1691-1694) een omslag in het
denken over hekserij teweeg gebracht.
LIT: Brongers; W.P.C. Knuttel. Baltasar Bekker de bestrijder
van het bijgeloof (1906); L. Dresen-Coenders. Het verbond van heks en
duivel (1983); M. Gijswijt-Hofstra en W. Frijhoff (red.). Nederland
betoverd; toverij en hekserij van de veertiende tot in de twintigste eeuw
(1984); L. Dresen-Coenders. Helse en hemelse vrouwenmacht omstreeks 1500
(1988); D. Vanysacker. Hekserij in Brugge. De magische leefwereld van een
stadsbevolking, 16e-17e eeuw (1988); P. Bange en E. Muller. Tussen heks
en heilige: het vrouwbeeld op de drempel van de moderne tijd, 15e/16e eeuw
(1989); C. van der Wurf-Bodt, ‘Demonen en “quaatwyfs”; magie
rond het middeleeuwse kraambed’, in: Spiegel Historiael 31 (1996),
p. 18-23. [H. Struik/P.J. Verkruijsse]
| |
nihil obstat zie
imprimatur
| |
Nil volentibus arduum
Letterlijk: ‘Niets is moeilijk voor hen die willen’.
Nil volentibus arduum, kortweg Nil, is het eerste Nederlandse
dichtgenootschap, opgericht te Amsterdam in
1669, ‘na het voorbeeld van de Italiaansche en Fransche Akademien [...]
tot voortzettinge van onse Taal en Dichtkunst’, zoals in het
privilegie voorin alle uitgaven van Nil na
1677 vermeld staat. De kunstopvattingen van de leden van Nil zijn van grote
invloed geweest op het toneel (classicistisch drama) en
de literatuur van eind-17e en van de 18e eeuw.
De aanleiding tot de oprichting moet gezocht worden in onenigheid
over toneelopvattingen tussen
Jan Vos en
Lodewijk Meijer, welke laatste in 1669
uit het bestuur van de Schouwburg werd verwijderd. Samen met o.a.
Andries Pels en
Johannes Bouwmeester richtte Meijer toen
Nil op. De theorie van Pels richtte zich vooral op het toneel waarvoor hij het
Frans-classicisme ten voorbeeld stelde in Q. Horatius Flaccus
dichtkunst, op onze tijden en zeden gepast (1677; ed.-
Schenkeveld-Van der Dussen 1973) en
Gebruik én misbruik des tooneels (1681). Het
Naauwkeurig onderwys in de tooneel-poëzy (pas in
1765 gedrukt) was een gezamenlijk project van de leden van het genootschap,
waarin vooral Vondels tragedies als voorbeeld dienden en van commentaar werden
voorzien. Tal van stukken werden vooral uit het Frans vertaald en soms grondig
bewerkt volgens de inzichten van Nil, o.a. De gelyke
twelingen (ed.-
Beenen en
Harmsen, 1985).
Door toedoen van Nil heeft zich enerzijds de literaire kritiek
ontwikkeld (er moest voortdurend geschaafd en betutteld worden), maar
anderzijds heeft de streng-normatieve en mechanische opvatting van poëzie
(niets was immers moeilijk voor hen die wilden!), die door alle andere
dichtgenootschappen werd overgenomen, tot ver in de 18e eeuw als een keurslijf
gewerkt.
De directe invloed van Nil werd al na de dood van
Meijer en
Pelsin 1681 minder, hoewel het
genootschap in 1713 nog bestond. Daarvoor hadden zich felle polemieken
afgespeeld tussen voor- en tegenstanders, de zogenaamde Poëtenoorlog, een
strijd die deels te maken heeft met de voorkeur voor de leer van
Spinoza van de leiders van Nil.
J. Antonides van der Goes, eerst een
medestander, leverde een felle satire op Nil: Marsyas (1677-78), evenals
Govert Bidloo in zijn De
muitery en nederlaag van Midas (1685).
LIT: Cuddon; Laan; MEW; Preminger; A. Bossers. ‘Nil
volentibus arduum en Vondel’, in: Spektator 8 (1978-1979), 95-103;
B.P.M. Dongelmans. Nil Volentibus Arduum: documenten en bronnen; een uitgave
van Balthazar Huydecopers aantekeningen uit de originele notulen van het
genootschap (1982); T. Harmsen. Onderwys in de tooneel-poëzy; de
opvattingen over toneel van het Kunstgenootschap Nil Volentibus Arduum
(1989). [P.J. Verkruijsse]
| |
nom de plume zie
pseudoniem
| |
nomenclatuur
Vaste regel volgens welke de namen in een bepaalde wetenschap
worden vastgelegd. Voor de
codicologie en middeleeuwse
paleografie heeft men behoefte aan een
duidelijke nomenclatuur voor de diverse schriftsoorten. Vooral bij de
bestudering van de
Gotische schriften is zo'n ordening erg
belangrijk.
Ook middeleeuwse schrijvers besteedden al aandacht aan de
benoeming van hun verschillende schriften. Naar aanleiding van een schrijfblad
uit 1447 van de Münsterse schrijfmeester
Herman Strepel heeft
Kruitwagen onderzocht welke benamingen
in de kring van de
Moderne Devotie (waar een groot deel van het
15e-eeuwse boekenbestand geproduceerd is) gebruikt werden voor de verschillende
boekschriften. Het aantal gehanteerde termen
bleek echter veel te groot en te verwarrend om geschikt te zijn voor hernieuwd
gebruik. Bovendien konden de meeste namen niet strikt gedefinieerd worden.
Pogingen om een nomenclatuur voor de gotische schriftsoorten op te stellen op
grond van middeleeuwse namen, moesten daarom opgegeven worden. De nomenclatuur
van Kruitwagen (fraterschrift,
fractura,
bastarda,
rotunda) wordt tegenwoordig niet veel meer
gebruikt.
Uit deze pogingen is echter wel de nomenclatuur van
Lieftinck voortgekomen. Lieftincks
nomenclatuur is een historische: het doel is de schriftsoorten te
onderscheiden, die in de behandelde periode ook werkelijk als afzonderlijke,
door de tijdgenoten onderkende, groepen bestonden. Lieftinck heeft daartoe een
internationaal aanvaarde indeling in drie lettersoorten ontworpen naar
objectief bepaalbare kenmerken:
littera textualis,
littera cursiva en
littera hybrida; en daarnaast een indeling
naar schrijfniveau van
currens (laag), via
libraria (midden) naar
formata (hoog). In Lieftincks nomenclatuur
is er nog een vierde categorie voor alles wat niet in de eerste drie groepen
past: mengvormen en schriften die verschillende vormen voor dezelfde letter(s)
gebruiken. Deze groep is voor de Nederlanden maar heel klein,
voorDuitsland en Frankrijk, maar zeker voor
Engeland enItalië is deze vierde categorie veel
groter.
Een indeling op louter formele criteria is voorgesteld door
Gumbert. Aan de hand van acht mogelijke,
zuivere combinaties van drie letters die elk twee varianten kennen (nl. de
‘a’ met één of twee verdiepingen, de ‘l’
met of zonder lussen en de lange ‘s’ met of zonder voetje), is een
kubusmodel geconstrueerd, waarbij per letter de twee varianten op de drie assen
van de kubus uitgezet worden. Op de kubus vertegenwoordigen de acht hoekpunten
de zuivere combinaties van de drie criteria. Schriften die in het gebruik van
hun lettervormen niet consequent zijn, worden vertegenwoordigd op een punt op
het lijnstuk tussen twee punten (als ze in één kenmerk
variëren), door een punt op een vlak (als ze in twee kenmerken
variëren) en (theoretisch) door een punt in de kubus (wanneer alle drie de
kenmerken variëren). In tegenstelling tot de nomenclatuur van Lieftinck is
er geen enkel verband met de historische realiteit: een bepaald punt in het
model kan zowel een
Karolingische minuskel als een 15e-eeuws
handschrift voorstellen, omdat beide schriftsoorten aan de, door
Gumbert bepaalde, criteria voldoen.
Een ander groot verschil is dat Lieftinck de schriftsoorten
bekeek, ze indeelde in groepen en die groepen namen gaf, terwijl Gumbert eerst
‘namen’ en hun inhoud vaststelde en vervolgens keek welke schriften
bij welke ‘naam’ hoorden. Zo kan de kubus dienen als een landkaart
van de paleografie: men kan bijvoorbeeld de in de 15e eeuw in de Nederlanden
voorkomende schriftsoorten op de kubus aangeven en deze vergelijken met de
schriftsoorten in de 14e eeuw of met die van dezelfde periode in een ander
gebied, waardoor het al of niet voorkomen van bepaalde schriftsoorten in
bepaalde gebieden en perioden duidelijk wordt.
Bij het benoemen van schriftsoorten als onderdeel van een
handschriftenbeschrijving is de terminologie van Lieftinck meestal voldoende;
voor de moeilijke gevallen is de kubus van Gumbert heel nuttig.
LIT: BDI; Best; Brongers; Metzler; Wilpert; B. Kruitwagen.
Laat-middeleeuwse paleografica, paleotypica, liturgica, kalendalia,
grammaticalia (1942), p. VI-IX, p. 23-116; G.I. Lieftinck. ‘Pour une
nomenclature des écritures livresques de la periode dite gothique, essay
s'appliquant specialement aux manuscrits originaires des Pays-Bas
medievaux’, in: Nomenclature des écritures livresques du
IXe au XVIe siecle (1954), p. 15-34; G.I. Lieftinck. Manuscrits
datés conservés dans les Pays Bas. Dl. 1 (1964), p. IX-XXX;
J.P. Gumbert. ‘Iets over laatmiddeleeuwse schrifttypen, over hun
onderscheiding en hun benamingen’, in: Archief- en bibliotheekwezen in
België 46 (1975), p. 273-282; J.P. Gumbert. ‘A proposal for
Cartesian nomenclature’, in: Miniatures, scripts, collections. Essays
presented to G.I. Lieftinck 4 (1976), p. 45-52. [H. Struik]
| |
nonsenspoëzie
Vorm van veelal humoristische (humor)
poëzie die inhoudelijk wordt gekenmerkt door het feit dat er een gekke of
onzinnige ideeënwereld in wordt opgeroepen. In de vormgeving valt een
herkenbaar metrum op, terwijl soms niet bestaande woorden (neologisme) worden gebruikt.
Nonsenspoëzie neemt een loopje met de werkelijkheid, maar ook
met de poëzie, de taal, het rijm, maar vooral ook met zichzelf en de
beoefenaars ervan. Hoewel de nonsenspoëet allereerst streeft naar absurde
of kolderieke effecten, is het niet onmogelijk dat hij diep in zijn hart
ernstige bedoelingen heeft. Volgens
V. van de Reijt is hij nooit
moralistisch. Een bekend dichter in dit genre is
Cees Buddingh'
(Gorgelrijmen 1953). Een voorbeeld van een nonsensgedicht
is:
In het land der grijze dalen
is een vogel groot en klein
die daar alles moet betalen
omdat daar geen mensen zijn.
(
J.M.A. Biesheuvel in: NRC,
2.6.1987).
Het genre is verwant aan
burleske literatuur. Voorbeelden vindt men
in menige
limerick. Soms heeft het de vorm van een
parodie of
pastiche. Nonsenspoëzie werd veel
beoefend door vertegenwoordigers van
dadaïsme,
surrealisme en
absurdisme. Het genre behoort tot het
light verse.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-2; Gorp; Metzler;
MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; V. van de Reijt. Ik
wou dat ik twee hondjes was (1982); R.H. Zuidinga. Droggen zijn bedroom:
Nederlandse nonsenspoëzie uit de 19de en 20ste eeuw (1984); W. Tigges.
An anatomy of literary nonsense (1988). [G.J. Vis/W. Kuiper]
| |
noodlotsdrama
Drama waarin de held ten onder gaat aan een van te voren
vaststaande ontwikkeling die door een goddelijke macht of een fatum wordt
bepaald. In feite is het noodlotsdrama een andere benaming voor
tragedie, met dien verstande dat in het
noodlotsdrama de onafwendbaarheid van het tragische einde sterk benadrukt
wordt. In die zin kan de klassieke tragedie noodlotsdrama genoemd worden, maar
ook een romantisch treurspel als
A. van der Hoops De
horoskoop (1838) valt er onder.
LIT: Laan; Metzler. [G.J. van Bork]
| |
noot
Toelichting in de vorm van een
eindnoot,
voetnoot of
marginalia in een boek- of
tijdschriftpublicatie. Noten in de vorm van woordverklaringen in tekstedities
noemt men
annotaties.
LIT: BDI; Best; Hiller; Scott; K.F. Treebus. Tekstwijzer
(19832), p. 160-162. [P.J. Verkruijsse]
| |
nota-1 of Tiroonse nota
Gereduceerde lettervorm die onderdeel uitmaakt van een in de
klassieke oudheid ontstaan soort steno. Vaak wordt gesproken van Tiroonse
notae, naar de vrijgelaten Romeinse slaaf
Tiro, die het systeem ontwikkelde om de
redevoeringen van zijn meester
Cicero op te schrijven.
Het principe van de Tiroonse notae is als volgt: de beginletter
van een woord, eventueel gevolgd door enkele andere letters, wordt in
gereduceerde vorm neergeschreven, waarbij, door middel van bepaalde tekens,
verbuigingen van zelfstandig naamwoorden, vervoegingen van werkwoorden en
woordafleidingen weergegeven worden.
Het Tiroonse notenschrift raakte in de loop der eeuwen wijd
verspreid en werd uitgebreid tot zo'n 13.000 tekens. Na de klassieke oudheid
raakte het systeem in onbruik, uitgezonderd een korte opleving in de 9e eeuw
als gevolg van de ontdekking van een aantal handboeken. De Middeleeuwen kenden
een eigen stelsel van afkortingen, de
abbreviaturen, hoewel ook de nota in
marginalia voorkomt. In de 14e eeuw is het
notenstelsel praktisch uitgestorven, alleen de tekens voor con (9) en
et (7) bleven. De nota et werd in alle Westeuropese talen
gebruikt voor en. In de 17e eeuw wordt een aantal Tiroonse noten weer
opgepikt om gebruikt te worden in de wiskunde: ‘7’ (et) wordt
‘+’ en ‘=’ (esse) wordt het is-gelijk-teken.
LIT: J. Stiennon. Paléographie du Moyen Age (1973),
p. 129-132; B. Engelhart en J.W. Klein. 50 eeuwen schrift. Een inleiding tot
de geschiedenis van het schrift (19882), p. 125. [H. Struik]
| |
nota-2
Begrip uit de codicologie en de paleografie voor de
marginalia die sommige lezers in de
marge van handschriften en gedrukte boeken
aanbrachten (gebruikssporen) om passages die ze
herkenden vanuit de literaire traditie en die ze belangrijk vonden of die ze om
andere redenen aanspraken, te markeren. Deze notae konden allerlei vormen
aannemen: het al dan niet afgekorte woordje nota, lijnen in de marge, handjes,
een wijzend figuurtje, diertjes, enz.
Het is mogelijk dat al bij de productie van een handschrift door
de rubricator (rubricatie) notatekens werden aangebracht
bij belangrijke passages. In het Haagse Die Rose-handschrift kan dat het
geval zijn geweest; hier staan namelijk nette, in rood en blauw uitgevoerde
handjes en halffiguren, en slordige, kennelijk door gebruikers snel
aangebrachte nota's, lijnen, bloemmotiefjes e.d. door elkaar.
LIT: D.E. van der Poel. ‘Moderne en middeleeuwse lezers van
de “Roman van de Roos”’, in: J. Reynaert (e.a.). Wat is
wijsheid? Lekenethiek in de Middelnederlandse letterkunde (1994), p.
101-115. [H. Struik]
| |
notabel
Middelnederlandse 14e-eeuwse benaming voor een kort, moraliserend
gedicht, in lengte variërend van 6 tot ca. 60 versregels. Het is niet
duidelijk waarin het notabel zich als genre van de
sproke onderscheidt. Met name van
Willem van Hildegaersberch bleven
notabelen bewaard, hoewel het niet helemaal zeker is of deze het genre zelf zo
aanduidde of dat latere
kopiisten een aantal teksten deze titel
meegaven. Bijv.:
Die ter werlt is verheven, / Verdient hi dan in desen leven,
Dat hi machtich blijft hier boven, / Soe heeft hi Gode veel te
loven;
Want tis al niet daermen off scrijft, / Dan die een vrient mit
Gode blijft.
(Gedichten van Willem van Hildegaersberch,
ed.-
Bisschop en
Verwijs , 1870, ongew. herdr. 1981, p.
65).
LIT: T. Meder. Sprookspreker in Holland. Leven en werk van
Willem van Hildegaersberch (ca. 1400) (1991), p. 169. [H. Struik]
| | | |
notulen, acta of handelingen
Term uit de archivistiek voor het officiële verslag van het
verhandelde in een vergadering. Met name voor de verslaglegging van
wetenschappelijke bijeenkomsten (congressen, symposia) gebruikt men de termen
acta of handelingen, die vervolgens deel uitmaken van titels van tijdschriften,
bijv. Handelingen van het Nederlandse Filologencongres,
ook als er geen sprake meer is van notulen, bijv. de Acta Historiae
Neerlandicae; studies on the history of the Netherlands.
De beschrijvingen van de handelingen van apostelen en heiligen
worden eveneens aangeduid als acta: de apocriefe Acta
Apostolorum dateren uit de 2e en 3e eeuw; de Acta Sanctorum
zijn verschillende reeksen heiligenlevens, o.a. één van 70 delen
van de Bollandisten die verschijnt vanaf 1643.
Voor de literair-historicus zijn de notulen van letterkundige
verenigingen en organisaties van zodanig belang dat ze geëditeerd worden,
bijv. de ‘uitgave van
Balthazar Huydecopersaantekeningen uit
de originele notulen’ van het genootschap Nil Volentibus Arduum
door
B.P.M. Dongelmans (1982).
LIT: BDI; Metzler; Ned. Arch.-term. [P.J. Verkruijsse]
| |
nouveau roman
Stroming in de Franse prozaliteratuur van na 1945 waarvan de
auteurs breken met de prozatraditie door het toepassen van nieuwe technieken en
het doelbewust doorkruisen van bestaande literatuuropvattingen. In die zin
behoren de auteurs van de nouveau roman dan ook duidelijk tot de
avant-garde. Bij de schrijvers van de
nouveau roman bestaat een sterke preoccupatie met de taal, die in haar
(sociaal-politieke) verstarring, vooral onder invloed van de voorbije oorlog,
gewantrouwd wordt. Taal die vastlegt of logisch beschrijft, wordt afgewezen en
er wordt de voorkeur gegeven aan proza dat voorlopig en voorzichtig formuleert
en dat herroepen kan worden. Ook de vormgeving is daarop gericht. Personages in
de traditionele zin worden vermeden en vervangen door wisselende gezichtspunten
of door een bewustzijn (stem) van waaruit gebeurtenissen, gevoelens e.d. worden
beleefd. Ook de logische verhaalopbouw met zijn gerichtheid op de
intrige wordt losgelaten. De nouveau roman
is in hoge mate experimenteel. In Nederland spreekt men dan ook bij voorkeur
van
experimenteel proza, al is deze term minder
dan de Franse een stromingsaanduiding. Men kan in de nouveau roman
één van de vele verschijningsvormen van het
postmodernisme zien.
Bekende Franse auteurs van de nouveau roman zijn o.m.
Marguerite Duras,
Alain Robbe-Grillet,
Michel Butor,
Claude Simonen
Nathalie Sarraute. Hun invloed op de
na-oorlogse romanproductie is groot geweest. In het Nederlandse taalgebied is
die invloed terug te vinden in het werk van
Sybren Polet,
Daniël Robberechts,
Enno Develing,
Lidy van Marissing e.v.a.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Wilpert; J.A.G.
Tans. Romans lisibles et romans illisibles (1963); A. Robbe-Grillet.
Pour un nouveau roman (1963); J. Ricardou. Problèmes du
nouveau roman (1967); F. van Rossum-Guyon. Critique du roman. Essai sur
la Modification de Michel Butor (1970); A. Jefferson. The nouveau roman
and the poetics of fiction (1980). [G.J. van Bork]
| |
novelle
Fictionele prozatekst die wat de omvang betreft tussen de
roman en het
verhaal-1 geplaatst wordt. Meestal noemt men
ook inhoudelijke en vormtechnische criteria om de novelle te definiëren.
De novelle zou een
enkelvoudige structuur bezitten en een klein
aantal personages die nauwelijks of geen ontwikkeling doormaken. Bovendien zou
de novelle geen brede milieuschildering geven en een kort tijdsbestek
omvatten.
In de praktijk blijken geen van deze onderscheidingsmiddelen
voorbehouden aan de novelle; ze komen zowel voor bij de roman als bij het
verhaal. Zelfs de omvang blijkt niet altijd een afdoend criterium.
Jacob van Lenneps novelle Een
schaking in de 17e eeuw (1850) is langer dan
Alberts' roman De
vergaderzaal (1974).
W.F. Hermans' novelle Filip's
sonatine (1980) is korter dan zijn verhaal ‘Een veelbelovende
jongeman’ in Een landingspoging op New Foundland en andere
verhalen (1957).
J.J. Cremers Betuwsche
novellen (1856) hebben soms de omvang van een verhaal en
Mensje van Keulens Bleekers
zomer (1972) geeft op de titelpagina ‘kleine roman’ en
is wat de lengte betreft vergelijkbaar met een novelle. Wel treft men de
novelle vaker als een zelfstandige publikatie aan dan het verhaal, dat vooral
gebundeld voorkomt. Waarschijnlijk spelen ook commerciële aspecten een rol
om de uitgave van een novelle op de titelpagina als ‘roman’ aan te
duiden.
Een ander genrebepalend element lijkt het onverwachte of nieuwe te
zijn dat in de novelle een dominerende rol zou spelen. In overeenstemming met
de oorsprong van de term (novella = nieuwtje) dient de novelle een verrassende
wending te geven die door de lezer als een opvallend nieuw gezichtspunt kan
worden ervaren. Maar ook dit aspect blijkt sterk bepaald door tijdgebonden
poëticale opvattingen (
Goethe e.a.).
De novellen van
Boccaccio ingebed in de
kadervertelling hebben langdurig de
voornaamste wijze van presentatie bepaald. Het ging daarbij om het vertellen
van ‘nieuwigheden’ (nouvelles: een soort anecdoten met
nieuwswaarde), steeds in het kader van een aantal mensen dat door
omstandigheden op elkaar aangewezen was. De invloed van Boccaccio's novellen op
de Nederlandse kluchtcultuur was velerlei. Een Frans voorbeeld verscheen in de
15e-eeuw: Cent nouvelles nouvelles, waarvan een
Nederlandse bewerking uit de 16e eeuw onder de titel Dat bedroch der
vrouwen onze vroegste novellenverzameling vormt. Ook de Italiaanse
auteur
Matteo Bandello (1485-1561) oefende grote
invloed uit met zijn Novelle (1554) via Franse
vertalingen, bijv. op het toneel van
G.A. Bredero en
Theodore Rodenburgh (stapelspel).
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; BDI; Best; Cuddon; Fowler; Gorp;
Krywalski; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Scott; Shipley; Wilpert; A. Hirsch.
Der Gattungsbegriff Novelle (1928); Th.J. van der Wal. ‘Roman of
novelle’, in: Critisch Bulletin 13 (1946), p. 296-301; B. von
Wiese. Novelle (1963); K.K. Polheim. Novellentheorie und
Novellenforschung (1965); J. Kunz (red.). Novelle (1968); H. Pleij.
‘Een fragment van de oudste Nederlandse novellenbundel te
Cambridge’, in: Opstellen aangeboden aan C.H.A. Kruyskamp (1977),
p. 142-155; D. Krywalski (red.). Handlexikon zur Literaturwissenschaft
(dl.2, 1978), p. 372-378; H. Pleij e.a. (ed.). Een nyeuwe clucht boeck
(1983), p. 34-36; R. van Stipriaan. Leugens en vermaak; Boccaccio's novellen
in de kluchtcultuur van de Nederlandse renaissance (1996); W. Abrahamse.
Het toneel van Theodore Rodenburgh (1574-1644) (1997). [G.J. van
Bork/P.J. Verkruijsse]
| |
novet
Term uit de poëtica voor een strofe van negen versregels. Een
voorbeeld van een gedicht waarin twee novetten voorkomen, is ‘De
avondstond’ van
W.E. de Perponcher (strofe 4 en 8, in:
G. Komrij. De Nederlandse
poëzie van de 17e en 18e eeuw, 1986, p. 1109-1111). Een ander
voorbeeld vindt men in
Remco Camperts gedicht (strofe 2)
‘Hoe hij mijn verjaardag vierde’ (
D. Kroon. Dichters door
dichters, 1986, p. 42).
Een specifieke vorm van de novet vindt men in het nonarime, een
met één regel vermeerderde
stanza.
LIT: Alphen; Lodewick. [P.J. Verkruijsse/G.J. Vis]
|
|
|