|
|
|
| |
H
| |
haagspel
Term uit 15e en 16e eeuw voor een toneelwedstrijd tussen
rederijkerskamers. In vergelijking met het
landjuweel waren de haagspelen minder
officieel. Er konden ook niet erkende rederijkerskamers aan mee doen, of kamers
uit een andere regio. Vooral in Brabantvonden regelmatig
haagspelen plaats.
LIT: Buddingh'; Gorp; Laan; MEW; J.J. Mak. De Rederijkers
(1944), p. 90-97; E. van Autenboer. Volksfeesten en rederijkers te Mechelen
(1400-1600) (1962), p. 133-149. [W. Kuiper]
| |
haarzijde
Aan
perkament onderscheidt men een haarzijde en
een
vleeszijde. De haarzijde is taaier, geliger
en ruwer dan de tere, gladde en blanke vleeszijde. Als perkament zijn
natuurlijke spanning nog bezit, krult de haarzijde hol. In een middeleeuwse
codex bestaat een regelmatige afwisseling,
om en om, tussen haar- en vleeszijden, en wel zo dat bij een
opening altijd twee gelijke zijden tegenover
elkaar komen te staan. Deze regelmatigheid wordt de regel van
Gregory genoemd, naar degene die dit
verschijnsel het eerst opmerkte. Voor Middelnederlandse handschriften geldt dat
de buitenzijde van een
katern een vleeszijde is.
LIT: W. Wattenbach. Das Schriftwesen im Mittelalter
(19584), p. 113-139; W.Gs Hellinga en P.J.H. Vermeeren,
‘Codicologie en filologie V’, in: SpL 5 (1961-1962), p.
300-307; R. Reed. The nature and making of parchment (1975). [W.
Kuiper]
| |
hagiografie of heiligenleven
Biografie van een heilige of episoden uit zijn of haar leven. In
navolging van het Latijnse vita (= leven) kende het Middelnederlands het woord
vite als aanduiding van het leven van een
heilige of aanzienlijk persoon. Voor episoden uit het leven, de bekering, de
marteldood of wonderen op het graf van een heilige, reserveert men de termen
legende en
mirakel. Ook rekent men
martelaarsboeken en
calendaria wel tot de hagiografische
geschriften.
Een van de oudste overgeleverde Middelnederlandse literaire
teksten is een heiligenleven: de Sint Servaeslegende van
Hendrik van Veldeke (ed.
Van Es, 19762), die gedateerd
wordt rond 1170. Een bekend 13e-eeuws heiligenleven in verzen is het
Leven van sinte Lutgart (ed.
Gysseling, 1985); een vaak gedrukt
heiligenleven in proza is het 15e-eeuwse Leven van Lidewij, de maagd
van Schiedam (ed.
Jongen en
Schotel, 1989). De meest vermaarde bundel
legenden is de ook in het Middelnederlands vertaalde Legenda
Aurea van
Jacobus de Voragine (ca. 1230-1298).
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; HWR; Laan; LdMA;
Lodewick; MEW; Scott; Wilpert; J.J.A. Zuidweg. De duizend en een nacht der
heiligenlegenden (1948); J. Notermans. Commentaren op Heinric van
Veldeke's Sint Servaeslegende (4 dln. in 5 bdn.; 1974-1977); R.E.V. Stuip
en C. Vellekoop (red.). Andere structuren, andere heiligen (1983); A.B.
Mulder-Bakker en M. Carasso-Kok. Gouden legenden. Heiligenlevens en
heiligenverering in de Nederlanden (1997). [H. Struik]
| |
haiku
Term uit de niet-Westerse genreleer voor een natuurgedicht van
drie versregels met in totaal 17 lettergrepen verdeeld over verzen van
respectievelijk 5, 7 en 5 syllaben. Meestal verwoordt de haiku een Zen-gedachte
en is zij opgebouwd uit twee ervaringen die door een alogische associatie met
elkaar verbonden worden. Er bestaat nauwelijks een adequate definitie van de
haiku; als poëtisch genre wordt het dikwijls in poëtische
bewoordingen omschreven, wat zijn grond schijnt te vinden in het feit dat
dichten, denken en geloven in de culturele wereld van de haikuschrijver hecht
met elkaar verweven zijn. Het genre is vooral sinds 1960 in het Westen
beoefend, bijv.
in mijn handen, kletterde
(
H. van Teylingen, in: De
revisor 4, 1977, p. 53).
Nederlandse schrijvers van haiku's zijn o.a.
K. Hellemans (tevens secretaris van het
sinds 1977 bestaande Nederlandse Haikoe-Centrum),
H. Andreus,
J.C. van Schagen,
H. van Teylingen en Koot (Haikoot).
LIT: Alphen; Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Hobsbaum;
Lodewick; Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert; R.W.
Poortier. ‘Nederlandse haïkoe’, in: Spektator 7
(1977-1978), p. 499-512; Mededelingen van het Haikoe-Centrum 1 (1978);
K. Hellemans. ‘Nederlandse haikoe, nader bekeken’, in:
Spektator 8 (1978-1979), p. 289-292; R. Poortier. ‘Antwoord aan
Karel Hellemans’, in: Spektator 8 (1978-1979), p. 292-293. [G.J.
Vis]
| |
halfrijm, embryonisch rijm of imperfect rijm
Term uit de prosodie voor die vorm van
eindrijm waarbij - anders dan bij
gelijk rijm en
volrijm - óf de klinkers rijmen: man
- nam (assonance) óf de medeklinkers: vis - vos
(medeklinkerrijm).
LIT: Alphen; Baldick; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh';
Cuddon; Gorp; Lodewick; Metzler; MEW; Morier; Scott; Shipley. [G.J. Vis]
| |
halfunciaal of semi-unciaal
Laatromeinse, uit de
minuskelcursief (minuskelschrift) ontstane schriftsoort. De naam van de letter
berust op de misvatting dat zij zich uit de
unciaal ontwikkeld zou hebben. De oudste
inEgypte onstane versie (3e-5e eeuw) is nooit een
boekschrift geworden. De jongere (4e-5e
eeuw), mogelijk uit Afrika afkomstige, versie komt al in de 5e
eeuw inIerland voor en is daar, met een uitgebreid alfabet,
omgevormd tot het insulair, de kenmerkende schriftsoort voor Ierland en door
Ierse monniken gestichte abdijen inEngeland en
Duitsland (bijv. Fulda).
De halfunciaal is samen met de unciaal lange tijd het
belangrijkste boekschrift geweest en plaatselijk tot in de 10e eeuw in gebruik
gebleven. Volgens
Mallon hebben de cursieve
gebruiksschriften, waarvan hij aannemelijk
gemaakt heeft dat ze van ca. 200 tot 700 naast de gekalligrafeerde
minuskelschriften hebben bestaan, zich ontwikkeld via de semi-unciaal.
LIT: Hiller; J. Mallon. ‘Paléographie romaine’,
in: L'histoire et ses méthodes (1961); E. Strubbe.
Grondbegrippen van de paléografie der middeleeuwen (1964) p. 46,
57; J. Stiennon. Paléographie du Moyen Age (1973) p. 69, 70; J.J.
John. ‘Latin Paleography’, in: J.M. Powell (red). Medieval
Studies. An Introduction (1976), p. 10-11; B. Bischoff.
Paläographie des römischen Altertums und des abendländischen
Mittelalters (19862) p. 93-101; F. van der Linden. Over
letters & schrift en de beginselen van het schrijven (1983) p. 80-82;
B. Engelhart en J.W. Klein. 50 eeuwen schrift (19882), p.
123-125. [H. Struik]
| |
handboek
Naslagwerk waarin een overzicht gegeven wordt van een bepaalde tak
van wetenschap. Voor de neerlandistiek zijn er de handboeken met overzichten
van de
literatuurgeschiedenis, zoals
G. Knuvelder: Handboek tot de
geschiedenis der Nederlandse letterkunde (4 dln.,
1970-19765). Alle handboeken behoren tot het
apparaat van de neerlandicus.
LIT: BDI; Cuddon; Hiller; Scott. [P.J. Verkruijsse]
| |
handeling
Term uit de dramaturgie waarmee men zowel de materiële
gebeurtenissen op het toneel afzonderlijk (de bewegingen, het spreken, de
mimische uitdrukking, het verplaatsen van attributen e.d.) aanduidt, als het
geheel van de gebeurtenissen op het toneel zoals dat volgens een vooraf bepaald
plan verloopt. In het eerste geval spreekt men bij de specifieke
acteurshandelingen ook wel van
speelhandeling, in het tweede geval van
‘verloop’.
LIT: Best; Cuddon; Metzler; Scott; J.I.M. van der Kun.
Handelingsaspecten in het drama (19702). [G.J. van Bork]
| | | |
handelingsaspecten
Verzamelnaam voor een vijftal dramatische categorieën:
prospectief,
retrospectief,
simultaan (twee typen) en
wereldbeeldaspect. Wanneer een
speelhandeling deelt in de spanning van een
actie-eenheid door uit te wijzen naar een
bepaald punt, dan noemt men deze speelhandeling een
actiemoment, dat als zodanig onderdeel is
van één van de vijf handelingsaspecten. Volgens
Van der Kun is het dramatisch
handelingsaspect samengesteld uit verhouding, spanning en ontroerende
kracht.
LIT: ENSIE, dl. 2, p. 75 vv.; J.I.M. van der Kun.
Handelingsaspecten in het drama (19702). [G.J. van Bork/G.J.
Vis]
| |
handelingsmoment zie
actiemoment
| |
handpalmverhaal
Uiterst kort verhaal (verhaal-1) van
maximaal één pagina. Sinds 1987 organiseert het
letterkundig-artistiek tijdschrift NNVTgierik een jaarlijkse
handpalmverhalenwedstrijd met als prijs de
Gierikhandpalmverhalenwedstrijdtrofee. [P.J. Verkruijsse]
| |
handschrift of manuscript-1
Verzamelnaam voor met de hand geschreven boeken. Gedurende de
Middeleeuwen werden tot de uitvinding van de boekdrukkunst (ca. 1450) alle
boeken met de hand geschreven. Aanvankelijk op
perkament, vanaf ca. 1400 ook op
papier. Het schrijven van een boek was
vakwerk en werd gedaan door
kopiisten. De eerste kopiisten waren
monniken, maar naarmate de eeuwen verstreken nam het aantal lekenkopiisten
sterk toe.
Was een met de hand geschreven middeleeuws boek bedoeld om
publiekelijk te functioneren, dan noemt men zo'n handschrift een
codex (codicologie).
Handschriften bedoeld voor eigen gebruik noemt men manuscripten-2 (manuscriptologie). Handschriften bedoeld om gedrukt te worden,
noemt men
kopij.
Is het handschrift van de hand van de auteur zelf, dan spreekt men
van een
autograaf; gaat het om een kopie, van een
apograaf. De Middelnederlandse literatuur
(in de strikte zin van het woord) is vrijwel uitsluitend in apografen bewaard
gebleven. Middelnederlandse handschriften kunnen als gevolg van herhaaldelijk
kopiëren fouten en corrupte lezingen (transmissiefout) bevatten. De filoloog (filologie) tracht d.m.v.
tekstkritiek dit tekstbederf ongedaan te
maken.
Tegenwoordig is het handschrift als tekstdrager nagenoeg
verdwenen. Het is gebruikelijker teksten te presenteren in de vorm van een
typoscript of met behulp van een
printer.
LIT: BDI; Brongers; Hiller; Metzler; Wilpert; H. Kienhorst. De
handschriften van de Middelnederlandse ridderepiek. Een codicologische
beschrijving, 2 dln. (1988); J.W. Klein. ‘(Middelnederlandse)
handschriften: produktieomstandigheden, soorten, functies’, in:
Queeste2(1995), p. 1-30. [W. Kuiper]
| |
handschriftenkunde zie
codicologie en manuscriptologie
| | | |
haplografie
Term uit de
tekstkritiek voor een
transmissiefout die eruit bestaat dat een
kopiist onbewust en ongewild letters, lettergrepen of een woord overslaat omdat
zijn gedachten sneller gaan dan zijn hand, zoals bijv. blijkt uit een versregel
uit de Karel ende Elegast, waar in de overgeleverde
versies A en F het werkwoord is weggevallen:
A: Daer van sloeghen groot gheluyt
F: Daer van sloghen groet gheluut
BR:daer was van slagen groet gelu[ut]
K: Dar was van slegen groes gelut
(Karel ende Elegast. Dipl. ed.
Duinhoven, 1969, p. 30-31, vs.
413).
Het tegenovergestelde van een haplografie is een
dittografie.
LIT: Dupriez-1; Dupriez-2; Metzler; Scott; A.M. Duinhoven.
Bijdragen tot reconstructie van de Karel ende Elegast I (1975), p. 263.
[H. Struik]
| |
haplologie
Het weglaten van één of twee elkaar opvolgende
woorden, lettergrepen of klanken bij het spreken. In de literatuur komt dit
verschijnsel vooral voor in kluchten en blijspelen, bijv. ‘Gy meugh je
wel schamen voor de menschen te toonen’ (
P.C. Hooft,
Warenar, vs. 1123).
LIT: Best; Dupriez-1; Dupriez-2; A. Weijnen. Zeventiende-eeuwse
taal (z.j.4), p. 60. [P.J. Verkruijsse]
| |
hartstrookje
Strookje perkament dat in het hart (en soms ook aan de
achterzijde) van een
katern, samengesteld uit papieren bladen,
werd meegebonden om het kwetsbaar geachte papier tegen het insnijden van het
bindgaren te beschermen. Hartstrookjes komen vooral voor in 15e-eeuwse
handschriften. Het perkament dat men ervoor gebruikte, sneed men uit afgedankte
handschriften (maculatuur). Hartstrookjes kunnen
waardevolle fragmenten van oudere literaire teksten bevatten.
Een andere oplossing om het insnijden van het kwetsbaar geachte
papier tegen te gaan, is het
encarté-handschrift.
LIT: H. Kienhorst. De handschriften van de Middelnederlandse
ridderepiek. Een codicologische beschrijving, 2 dln. (1988); J.W. Klein.
‘De Gentse fragmenten van de Karel ende Elegast’, in: TNTL
105 (1989), p. 85-131. [W. Kuiper]
| |
heffing, arsis of top
Term uit de prosodie voor een beklemtoonde (accent) lettergreep in een
vers-1 dat een bepaalde ritmische (ritme) organisatie vertoont. Bij de ritmische notatie worden
heffingen met speciale tekens aangeduid. De meest voorkomende zijn -
en ', aan te brengen boven de klinker van de betrokken syllabe, bijv. lpen;
váder.
Het tegenovergestelde van de heffing is de
daling.
LIT: Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Gorp;
Laan; Lodewick; Marouzeau; Metzler; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott;
Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
heffingsvers, accentvers of toppenvers
Term uit de prosodie voor het ritmische schema van het
Oudgermaanse
vers-1. Men vindt het volop in
Middelnederlandse
poëzie-1. Kenmerkend voor het
heffingsvers is het feit dat het twee tot vier
heffingen (vierheffingsvers) per regel bevat
met een wisselend aantal
dalingen daartussen, bijv.
Es bleven menighe avonture
Die nemmer mee ne wert
bescreven.
(Roman van Walewein, ed.
Van Es, dl. 1, 1957, p. 7).
Er zijn enkele Middelnederlandse werken waarvan de beginregels
volgens sommigen een overgang lijken te vormen van heffingsvers naar
alternerend (alternering) vers. Zo kan men de volgende
voorbeelden zelfs zuiver jambisch (jambe) noemen:
Een vray historie ende waer
Mach ic u tellen hoorter naer
Het was op eenen avonstonde
[...].
(Karel ende Elegast, ed.
Duinhoven, 1969, dl. 2, p. 4).
Het is in deze context het vermelden waard dat de Kopenhaagse
versie van Het Leven van Sinte Lutgart geheel in jamben
geschreven is.
LIT: Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Gorp; Lodewick;
Preminger; Wilpert; W. Zonneveld. Van Affligem en Chaucer: ‘Het Leven
van Sinte Lutgart’ als jambisch gedicht (1992). [G.J. Vis]
| |
heiligenleven zie
hagiografie
| |
heiligenspel
Gedramatiseerd
heiligenleven (geestelijk
drama), vaak opgevoerd op de naamdag van de desbetreffende heilige.
Heiligenspelen komen voor vanaf de 15e tot in de 19e eeuw. De oudste vermelding
betreft De Passie van Sente Aechte, opgevoerd in 1409
teTielt; het oudst overgeleverde heiligenspel is Tspel
van Sinte Trudo, geschreven door
Fastraets tussen 1539-1541. Uit de
zuidelijke Nederlanden zijn uit de 18e eeuw nog spelen bekend van
Jan Baptist Flas: Het leven van
de H. Amandus (1742), De versmaetheyt des weirelts in den
H. Trudo (1748) en De kloeckmoedigheyt van den H.
Lambertus (z.j.). Het tot in 1801 toe opgevoerde Cecilia,
heylige maget ende martelaeresse gaat waarschijnlijk terug op
Cornelis de Bie's Heylige
Cecilia van 1671.
LIT: Gorp; Laan; K. Langvik-Johannessen. De Brusselse
hoofdtonelen: een bijdrage tot de geschiedenis van het Brusselse theater in de
Oostenrijkse tijd (1993). [W. Kuiper]
| | | | | |
heldendrama of heroïsch drama
Neoklassiek
drama waarvan de stof gevormd wordt door het
conflict tussen een held en een heldin, tegenover elkaar geplaatst in een
liefdesrelatie die doorkruist wordt door de eisen aan de held gesteld, eisen
die gewoonlijk te maken hebben met diens plichten tegenover het vaderland, de
familie, vrienden of medestrijders. In feite draait het bij het heldendrama
meestal om het conflict tussen liefde en eer. De held van het heldendrama is
gewoonlijk van adel, maar in elk geval edel, dapper en deugdzaam.
In Engeland is het genre een vorm van de
Restauratietragedie (2e helft 17e eeuw). De duidelijkste vertegenwoordiger
ervan is
John Dryden met The Indian
queen (1664) en The conquest of Granada
(1670). De meeste heldendrama's zijn
tragedies. Vanwege de vaak gezwollen toon en
de pathetische inhoud werd het genre al spoedig geparodieerd (parodie), o.m. door de Duke of Buckingham in The
rehearsal (1671).
In Nederland is het heldendrama vertegenwoordigd in het werk van
bijv.
Lucas Rotgans met Eneas en
Turnus (1705) en
Balthazar Huydecoper met
Achilles (1719).
LIT: Abrams; Baldick; Cuddon; Gorp; Myers/Simms; Scott; A. Nicoll.
Restoration drama (1955); C.V. Deane. Dramatic theory and the heroic
play (1931). [G.J. van Bork]
| |
heldenepos
In navolging van
C.M. Bowra en
J.G. Bomhoff maakt
W.A.P. Smit onderscheid tussen
heldenepos en
epos of heldendicht: de eerste term duidt
dan op een epos ‘met een heroïsch onderwerp uit de
heroën-tijd’; met de tweede term kunnen de ‘literaire
heldendichten uit latere cultuur-fasen’ benoemd worden.
LIT: Bantel; Best; Gorp; Laan; Metzler; MEW; C.M. Bowra. Heroic
poetry (1974); W.A.P. Smit. Kalliope in de Nederlanden; het
renaissancistisch-klassicistische epos van 1550 tot 1850 (1975), p. 53-55.
[P.J. Verkruijsse]
| |
hemistichomythie
Bijzondere vorm van de dialoog in het (klassieke) versdrama,
waarbij de personages telkens afwisselend een halve versregel uitspreken.
Hemistichomythie is verwant aan
stichomythie en dient om een versnelling of
grotere levendigheid van de dialoog te bewerkstelligen in situaties die een
zekere heftigheid moeten tonen. Soms wordt het procédé toegepast
vanwege het komisch effect. Een voorbeeld kan worden aangetroffen in
P. Langendijks Don Quichot op
de bruiloft van Kamacho (ed.
Van Es, 1973, vss. 346-351).
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Scott;
Shipley; Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
hendiaduoin zie
hendiadys
| |
hendiadys of hendiaduoin
Uit de klassieke letterkunde stammende stijlfiguur (letterlijk:
één door middel van twee) bestaande uit twee nevengeschikte
substantieven (of adjectiva) in de plaats van een combinatie van substantief en
adjectief, waardoor een vorm van
enumeratio ontstaat, bijv.
‘vrolijkheid en feest’ i.p.v. ‘vrolijk feest’. Beide
noties krijgen aldus een even grote nadruk. Afhankelijk van de context krijgt
de hendiadys soms een specifieke functie, zoals in de volgende regel van
Nijhoff, waar de tweeheid de connotatie
van ‘gebrokenheid’ heeft ter aanduiding van ‘liefdevolle
woorden’:
Ziel, die zichzelve brak in liefde en woorden
(M. Nijhoff. VG, 19744, p. 10).
Sommigen gebruiken de term hendiadys ook voor het begrip
accumulatio.
LIT: Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon; Gorp; HWR;
Lausberg; Lodewick; Marouzeau; Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger;
Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
heptameter of septenarius
Term uit de prosodie voor een
vers-1 bestaande uit een
metrisch patroon van zeven
versvoeten. Hoewel de heptameter meestal
trocheïsch (trochee) is, kan de regel ook wel eens
uit andere voeten zijn opgebouwd, zoals het volgende vers uit het geheel
jambische (jambe) gedicht ‘Laus
senilitatis’:
O eenig rustpunt van ons hart, waarheen het bronstig hopen
(
G. Gossaert.
Experimenten, 194911, p. 37).
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Metzler; Myers/Simms;
Preminger; Scott; Shipley. [G.J. Vis]
| |
heraut
In de 12e en 13e eeuw betrekkelijk onbetekenende dienstman op het
slag- en toernooiveld, maar in de loop van de 14e en 15e eeuw uitgegroeid tot
ceremoniemeester en hoeder van ridderlijke eer en taakbesef. De bekendste
Middelnederlandse heraut is de heraut Gelre, auteur van o.a. het
Wapenboek Gelre.
LIT: Buddingh'; Laan; F.P. van Oostrom. Het woord van eer.
Literatuur aan het Hollandse hof omstreeks 1400 (1989), p. 136-179; W. van
Anrooij. Spiegel van ridderschap. Heraut Gelre en zijn ereredes (1991).
[W. Kuiper]
| |
herdersdicht zie
pastorale-1
| | | |
herdersspel zie
pastorale-2
| |
herdruk
Bibliografische term voor een nieuwe
druk van een tekst. Er wordt pas van een
herdruk gesproken als meer dan 50% van het zetsel gewijzigd is; anders is
sprake van een druk met varianten, met verschillende
staten, of van een herziene
oplage binnen die druk. Als
kopij voor een herdruk wordt gewoonlijk
gebruik gemaakt van een eerdere druk, die dan vaak regel-voor-regel wordt
nagezet. Een herdruk kan echter ook herzien of aangevuld worden, wat expliciet
op het titelblad vermeld behoort te zijn. Een nieuwe druk, nieuw zetsel dus,
maakt zowel intentionele als niet-intentionele varianten mogelijk ten opzichte
van een voorgaande druk. Dit in tegenstelling tot een nieuwe oplage, die per
definitie van (be)staand zetsel vervaardigd wordt en dus alleen intentionele
varianten kent.
LIT: BDI; Best; Hiller; Mathijsen; F.A. Janssen. ‘Notities
bij de aanduiding van herdrukken, in het bijzonder betrekking hebbend op de
bibliografie van de afzonderlijk verschenen werken van W.F. Hermans’, in:
Spektator 4 (1974-1975), p. 275-283. [P.J. Verkruijsse]
| |
herhaling
Aanduiding van een grondprincipe van de West-Europese literatuur
in het algemeen en de poëzie in het bijzonder, namelijk de terugkeer, op
verschillende wijzen en in allerlei vormen, van een syntactisch, semantisch,
fonisch of anderssoortig element in een tekst. Door herhaling worden
correspondenties zichtbaar tussen tekstelementen.
Gelet op de wijze van herhaling kan men een onderscheid maken
tussen identieke herhaling (‘de zee, de zee’), uitbreidende
herhaling (‘de nacht, de eindeloze nacht’), beperkende of beperkte
herhaling (‘kom hier, kom’) en gevarieerde herhaling
(‘nergens hekken, nergens palen’). Ten aanzien van de aard en de
vorm is er een grote variëteit voorhanden zoals de
repetitio, het
parallellisme, het
chiasme, het
rijm, het
metrum, het
cyclisch gedicht e.a.
In studies over esthetica wordt nog wel eens beweerd dat herhaling
het meeste effect heeft wanneer deze gepaard gaat met (voldoende) afwisseling
zodat er een spanningsverhouding ontstaat. Experimenteel lezersonderzoek
terzake wordt verricht door beoefenaren van de
receptie-esthetica.
LIT: Alphen; Best; Cuddon; Lausberg; Morier; Myers/Simms;
Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; C.F.P. Stutterheim. Stijlleer
(1947), p. 76 e.v. [G.J. Vis]
| |
hermeneutiek
Binnen de cultuurwetenschap verstaat men onder hermeneutiek de
leer van de
interpretatie, maar ook de activiteit van
het interpreteren zelf. De hermeneutiek is een poging om een
cultuurverschijnsel te verklaren als uiting van de totale cultuur waartoe dat
verschijnsel behoort en die gehele cultuur op haar beurt te verklaren met
behulp van de afzonderlijke verschijnselen die er deel van uitmaken. Deze
wisselwerking tussen het inzicht in de delen die het geheel doen kennen, en het
inzicht in het geheel dat de delen verklaarbaar maakt, noemt men de
hermeneutische cirkel.
Van het begin af aan heeft in de hermeneutiek de discussie over de
historiciteit van teksten een rol gespeeld: hoe krijgt de interpreet toegang
tot een tekst uit het verleden, en hoe levert hij een adequate interpretatie
zonder daarbij zijn eigen subjectiviteit of culturele bagage een rol te laten
spelen? Sommigen zijn echter van mening dat die eigenschappen van de interpreet
nu juist wel een rol moeten spelen, omdat daarmee constanten
(eeuwigheidswaarden) in het werk blootgelegd kunnen worden. Die verschillen in
benadering veroorzaken dan ook dat er al vroeg onderscheid te maken valt tussen
twee typen van interpretatie binnen de hermeneutiek. Het eerste type is de
grammaticaal-retorische interpretatie, waarbinnen het woordbetekenisonderzoek,
de stilistiek, de etymologie e.d. vallen. Deze vorm van interpretatie tracht de
oorspronkelijke betekenis van de tekst vast te stellen en haar naar het heden
toe te vertalen, waarbij de bedoeling van de auteur zo goed mogelijk moet
worden bewaard. Het tweede type is de allegorische interpretatie die de tekst
boven de letterlijke betekenis tracht uit te tillen. De betekenis of
zin van een historische tekst wordt door de
allegorische interpretatie ingepast in de context van het veranderde
wereldbeeld van de interpreet.
In de Middeleeuwen richtte de hermeneutiek zich vooral op de
bijbelexegese. Men sprak over de zin of morele strekking van een tekst. Bij de
interpretatie onderscheidde men de
sensus litteralis (letterlijke betekenis),
de
sensus moralis (morele betekenis), de
sensus allegoricus of typologicus (de
relatie tussen het Oude en Nieuwe Testament) en de
sensus anagogicus (de tekst in het licht van
dood, laatste oordeel, hemel en hel).
Hoewel men tijdens de hervorming (
Luther e.a.) tracht te abstraheren van
de allegorische interpretatie en vooral gericht is op de tekst als zodanig,
blijft de
allegorese voortleven in de
moreel-christelijke toepassing van de bijbelexegese. De renaissance brengt
bovendien de hernieuwde aandacht voor de klassieken en de wetenschappelijke
bestudering van hun teksten door humanistische geleerden. De hermeneutiek
ontwikkelt zich steeds meer in de richting van ‘wetenschappelijke
tekstkritiek’ of
filologie. Het verschil tussen de
‘hermeneutica sacra’ en de ‘hermeneutica profana’
verdwijnt geleidelijk in de 17e en 18e eeuw.
Onder invloed van
Schleiermacher ontwikkelde de
hermeneutiek zich in de 19e eeuw steeds meer tot een zgn.
‘Verstehens-operatie’, d.w.z. een interpretatie waarbij de
interpretator zich moet inleven in de gevoels- en denkwereld van de auteur en
zijn tijd om tot een zo optimaal mogelijk verstaan van de tekst te komen. Deze
vorm van interpretatie onderkent het invoelen van de interpreet als bron van
kennis omtrent de te verklaren tekst. Vandaar de 19e-eeuwse belangstelling voor
de auteur en diens biografie.
De huidige ‘geistesgeschichtliche’ opvattingen (Geistesgeschichte) omtrent de hermeneutiek zijn nog steeds
sterk bepaald door de theorieën van
Wilhelm Dilthey, die in de 19e eeuw voor
de geesteswetenschappen een eigen status claimde t.o.v. de natuurwetenschappen.
Volgens Dilthey valt cultuur te begrijpen als een reeks gebeurtenissen die
bestaat uit ‘Erleben’, ‘Ausdruck’ en
‘Verstehen’. De hermeneutiek is dan de methodische uitwerking van
dat laatste: de ‘Verstehensoperatie’, d.w.z. het begrijpend
verstaan van schriftelijk gefixeerde levensuitingen. De literaire tekst wordt
door hem gezien als de neerslag van een bepaalde vorm van samenhangend
menselijk leven. De beschouwer kan deze samenhang begrijpen door hem te
confronteren met zijn eigen belevingsvorm. Dilthey gaat daarbij uit van een
objectief kenbaar geestelijk aspect van de cultuur, het ‘wezen’ van
die cultuur, dat door de interpreet als identiek aan de wezenstrekken van zijn
eigen cultuur onderkend kan worden.
Via
Heidegger en
Gadamer groeit de hermeneutiek uit tot
een filosofisch systeem dat alomvattend is en dat de interpretatie van de zin
van het menselijk bestaan voor zijn rekening wil nemen. Gadamer verdedigt de
opvatting dat de interpretatie objectief kan zijn omdat er
‘horizonversmelting’ kan plaats vinden, die veroorzaakt wordt door
de integratie van heden en verleden in de dialoog tussen tekst en interpreet,
waarbij de traditie de bemiddelende rol vervult omdat die de gemeenschappelijke
factor vormt.
Habermas kritiseert Gadamer op diens
traditiebegrip als vaste factor, omdat de traditie onderworpen kan worden aan
ideologische kritiek.
Sindsdien ontwikkelt de hermeneutiek zich in twee belangrijke
richtingen. De eerste is de structuralistische benadering: het kunstwerk
(literaire werk) kent een in zichzelf besloten betekenisstructuur. Bij deze
vorm van interpretatie blijft de aandacht gericht op de verklaring van het
gehele literaire werk uit de delen en andersom (hermeneutische cirkel), alleen
wordt elke vorm van cultuurhistorische en biografische informatie zo lang
mogelijk en liefst geheel buiten beschouwing gelaten. De tweede richting is die
van
Jauss en
Iser, die vooral gericht is op
werkingsgeschiedenis en die de verschillende (historische) interpretaties in
het onderzoek betrekt. Het literaire werk kent geen ideale interpretatie, maar
wordt door elke lezer opnieuw en vaak anders geïnterpreteerd.
Omdat er vanuit de wetenschapstheorie in de laatste jaren sterke
kritiek is uitgeoefend op de hermeneutiek, zijn er verschillende pogingen
ondernomen om haar methodologisch beter te onderbouwen. Oversteegen heeft
indertijd voorgesteld de interpretatie op te vatten als een hypothese.
Göttner heeft methodologische
regels voorgesteld voor de interpretatie. Indien men echter aan de
geesteswetenschappen dezelfde maatstaven wil opleggen als die voor de
natuurwetenschappen gelden, dan moet men erkennen dat deze pogingen als mislukt
moeten worden beschouwd. Omdat interpretaties steeds te maken blijken te hebben
met de normen of waarden van de interpreet, heeft het onderzoek zich de laatste
jaren ook wel gericht op die normen en waarden. Daarnaast is er een tendens
bespeurbaar om terug te grijpen op
Schleiermacher, die historisch-kritische
en comparatieve aspecten binnen de hermeneutiek minder verwaarloosde dan sedert
Dilthey het geval is geweest.
LIT: Abrams; Baldick; Best; Fowler; Gorp; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Wilpert; E. Staiger. Die Kunst der Interpretation (1955);
H.G. Gadamer. Wahrheit und Methode (19652); E. Hirsch.
Validity in interpretation (1967); R.E. Palmer. Hermeneutics
(1969); C.P. Bertels. ‘Kritische schets van de geschiedenis der
hermeneutiek’, in: Intermediair 7 (1971) 48 en 49; H.
Göttner. Logik der Interpretation (1973); P. Szondi.
Einführung in die literarische Hermeneutik (1975); P. Rusterholz.
‘Hermeneutik’, in: Grundzüge der Literatur- und
Sprachwissenschaft (19764), p. 89-105; J.J.A. Mooij. Tekst en
lezer (1979), p. 36; J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de
literatuurwetenschap (19833), p. 71-74; F. Brandsma.
‘(Historische) hermeneutiek’, in: W. van Peer en K. Dijkstra
(red.). Sleutelwoorden (1991), p. 67-74; M.F.K.P. Kummer. Tijdelijke
literatuur. Interpreteren volgens Heidegger (1997). [G.J. van Bork]
| |
hermeneutische cirkel
Binnen de
hermeneutiek bestaat de opvatting dat de
interpretatie van een cultuurverschijnsel bijdraagt tot de interpretatie van de
cultuur waartoe dat verschijnsel behoort en omgekeerd. Toegepast op teksten
betekent dit dat de interpretatie van een deel van de tekst bijdraagt tot de
verklaring van de gehele tekst en de interpretatie van de gehele tekst inzicht
geeft in de betekenis van de delen ervan. Deze wisselwerking tussen deel en
geheel in de interpretatie wordt in de hermeneutiek de ‘hermeneutische
cirkel’ genoemd. Deze hermeneutische cirkel werd sinds de 19e eeuw (
Dilthey,
Spitzer) inherent geacht aan de
Verstehensoperatie en niet gezien als een vicieuze cirkel, maar als typerend
voor, en de enige manier waarop kennis omtrent cultuurverschijnselen te
verwerven valt. In de laatste decennia is erop gewezen dat de hermeneutische
cirkel tot subjectiviteit leidt en dus als onwetenschappelijk gezien moet
worden.
LIT: Baldick; HWR; L. Spitzer. Linguistics and literary
history (19672); J.J. Oversteegen. ‘Hermeneutiek’,
in: Lampas 4 (1971), p. 132-146; W. Stegmüller. ‘Der
sogenannte Zirkel des Verstehens’, in: Natur und Geschichte 10
(1974), p. 21-46. [G.J. van Bork]
| |
hermetische literatuur
In strikte zin aanduiding voor teksten die geïnspireerd zijn
door het erfgoed van de Griekse god Hermes Trismegistos, geïdentificeerd
met de Egyptische god Thot, die de mensheid het schrift (de
hiërogliefen) schonk. Centraal gegeven
in het hermetisme, stammend uit de eerste eeuwen na Christus, is de opvatting
dat de mens in staat is tot eenwording met het goddelijke door invoeling via de
Nous als intuïtief vermogen van de mens. Het universum is een tekst die
gelezen en ontcijferd kan worden. Via het concrete en bijzondere komt men tot
god, niet via de ratio maar door individuele gevoelsmatige contemplatie (mystiek). Er is nauwe verwantschap met de gnosis, een stroming
van sectarisch- religieus syncretisme uit de eerste eeuw, theosofisch van aard.
Ook met het occultisme zijn er hechte banden. Verder dient in deze context ook
de Kabbala te worden genoemd, de joodse geheimleer die gebruik maakt van
getallenspeculatie en -mystiek.
De beelden- en ideeënwereld van de hermetische filosofie is
vooral sinds de 16e eeuw een vruchtbare inspiratiebron geweest voor veel
kunstenaars. Dit ‘toepassen’ van hermetisme in de kunst is niet
verwonderlijk als men bedenkt dat de inzet weliswaar kennis is, maar een andere
dan die van de rationele wetenschap; via het intuïtief gevoelsmatig kennen
was het mogelijk dat kunstenaars gebruik konden maken van hermetische
elementen. Dit gebeurde op twee manieren. In de eerste plaats ging men het
occulte als motief of thema hanteren (
Blake,
Novalis,
Goethe). Vervolgens ging de
auteurspoëtica het schrijven als een soort gnosis beschouwen (
Rimbaud,
De Lautréamont,
Mulisch). Wat kunstenaars soms aansprak,
was de paradox van het beeld van het labyrint: eenheid van chaos en systematiek
is gemakkelijk herkenbaar in de duizelingwekkende systemen van hermetisme en
vormen van gnosis.
Sommigen zagen in de Provençaalse troubadourslyriek (troubadour) al elementen van het hermetisme. De geslotenheid
werd hier veroorzaakt door een nieuwe verstechniek, het onderwerp (de
overspelige liefde) en een bepaald publiek (ingewijden uit het hofmilieu). Deze
opvatting geldt inmiddels als weerlegd.
Duidelijke voorbeelden van hermetisme in de strikte zin in de
Nederlandse letterkunde vindt men bijv. bij
Jan Luyken. Hij schrijft beïnvloed
door het piëtisme - dat gedeeltelijk dezelfde symbolen gebruikt als de
hermetische filosofie - hermetische literatuur. De enige Nederlandse auteur
wiens werk geheel bepaald wordt door het hermetisme, is
W. van Swaanenburg. Zijn weekblad De
Herboore Oudheit (1734-1725) gaat naar inhoud en vorm (de dialoog) terug op
het Corpus Hermeticum uit de 2e eeuw (waaraan de naam gekoppeld is van
Hermes Trismegistos). In zijn filosofische gedichten, afwijkend van de
18e-eeuwse conventie en geschreven in de taal van de mystieke vervoering, de
extase, wordt het fundamenteel onuitsprekelijke benadrukt door in het
hermetisme veel voorkomende stijlfiguren als
paradox en
antithese.
Ook in het
symbolisme vindt men hermetische trekken,
zoals in de poëzie van
Mallarmé en
Rimbaud, al wordt door sommigen
betwijfeld of dit het strikte hermetisme is als boven genoemd. Hetzelfde geldt
voor het werk van
H. Mulisch, die verwijst naar
Trismegistos en naar ‘het getal van Mallarmé’. In ieder
geval wordt men in zijn werk geregeld geconfronteerd met buitenliteraire
tradities als de alchemie en de hermetiek, die hij in dienst stelt van de
verbeelding.
Van belang voor het onderzoek naar het hermetisme is de
Bibliotheca Philosophica Hermetica te
Amsterdam (Bloemgracht 15-19), een particuliere, maar voor
belangstellenden toegankelijke collectie.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; LdMA; Metzler; MEW;
Preminger; Wilpert; V. Orsini. Ermetismo (1956); F.A. Yates. Giordano
Bruno and the hermetic tradition (1964), p. 130-189; J. de Roek.
‘Hermetisme: spel of dwang’, in: Handelingen van het Vlaams
Filologencongres 26 (1967), p. 112-117; Id. ‘Desengagement’,
in: Tijdschrift van de Vrije Universiteit Brussel 10 (1967-1968)
1-2(1968), p. 121-135; S. Dresden. Symbolisme (1980), p. 123-125; J. de
Roek. Verzamelde essays (1980), p. 35-41; P. Meeuse. ‘Literatuur
en gnosis’, in: De Revisor 10 (1983), 6, p. 15-23; Themanummer
De Revisor 10 (1983), 6; M. Eliade (ed.). The encyclopedia of
religion, vol. 6 (1987) (s.v. ‘Hermetism’); Het onzichtbare
zichtbaar gemaakt; het mysterie van de abstracten (catalogus, 1987), p.
56-57; F. de Rover. De weg van het lachen (1987), p. 48-62; F. van
Lamoen (red.). The hermetic gnosis. Catalogue of an exhibition at the
Bibliotheca Philosophica Hermetica (1988). [G.J. Vis]
| |
heroïdes
Brieven in rijmvorm (briefgedicht) van
historische, mythische of bijbelse heldinnen aan hun minnaar. Het voorbeeld
voor dit genre was gegeven door
Ovidius in zijn
Heroïdes en het werd vooral tijdens de renaissance
veel nagevolgd. Vondel maakte een prozavertaling van het werk van Ovidius
(1642, WB-ed., dl. 4, 1930, p. 327-427; uitgeg. door
David van Hoogstraten 1718) en dichtte
vervolgens zijn Brieven der heilige maeghden (1642, WB-ed., dl. 4, 1930,
p. 428-522).
Cornelis van Ghistele had in 1553 Ovidius
al op rijm vertaald: Der Griecxser princerssen ende jonckvrouwen
clachtighe sendtbrieven Heroidum Epistolae ghenaemt;
Jonas Cabeljau doet dat in 1657 nogmaals:
Treurbrieven der blakende vorstinnen en minnebrieven der vorsten en
vorstinnen van P. Ovidius Naso en Aulus Sabinus. Een late navolging
is Jacoba van Beieren aan Frank van Borsselen (1773) door
Betje Wolff.
LIT: Best; Gorp; Laan; Wilpert. [W. Kuiper]
| |
heroïsch drama zie
heldendrama
| |
heroïsch vers of versus heroicus
Term uit
prosodie en
genreleer voor de versvorm (vers-1) van het heldendicht (epos). In
de Klassieke Oudheid was de
hexameter gebruikelijk, later in Frankrijk
de
alexandrijn. Maar
Klopstock verdringt met Der
Messias (1748) de alexandrijn weer een tijdje uit het Duitse epos
ten gunste van de hexameter. In Engeland gebruikt men voor het
heldendicht de ‘heroic couplet’, een combinatie van twee
vijfvoetig-jambische verzen met gepaard mannelijk rijm. In de Nederlandse
letterkunde vigeert de alexandrijn in het epos tot in de 19e eeuw (bijv.
Bilderdijks De ondergang der
eerste wareld van 1820).
Kinker probeert, naar aanleiding van
Klopstock, de hexameter weer toe te passen in zijn fragmentarische vertaling
van
Vergilius' Aeneis (
Gedichten, dl. 3, 1821, p. 84-90). Maar over het geheel gezien bleef de
alexandrijn gehandhaafd, zoals in
L. de Konincks Het menschdom
verlost (1883). Daarnaast hanteerde
C. Vosmaer de hexameter in zijn
vertalingen van Ilias (1878-1880) en
Odyssee (1889).
LIT: Best; Cuddon; Gorp; Hobsbaum; MEW; Myers/Simms; Scott;
Wilpert; W. Bilderdijk. De ondergang der eerste wareld, ed. J. Bosch
(1959), p. 51 en passim; J. Kinker. De verlichte muze, ed. G.J. Vis
(1982), p. 197-218. [G.J. Vis]
| |
heroïsche poëzie
Verzamelnaam voor poëzie die in hooggestemde taal (genus sublime) de daden van helden bezingt met als doel
bewondering te wekken bij de lezer voor de volmaakte held. Tot de
heroïsche poëzie kan men het
epos rekenen, maar ook bijv.
lofdichten op vorsten of zeehelden, die met
name in de periode van de renaissance en het classicisme vergeleken worden met
de helden uit de Oudheid.
Een voorbeeld van heroïsche poëzie is
P.C. Hoofts gedicht op
Frederik Hendrik ‘De Hollandsche
groet aen den Prinsse van Oranien over de zege vanden iaere 1629’ (P.C.
Hooft. Gedichten, ed. Leendertz/Stoett, dl. 1, 1899, p. 281-289).
LIT: Baldick; Cuddon; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley;
Wilpert; F. Veenstra. Een literair kunstrechtelijk triumviraat en
heroïsche poëzie (1970). [P.J. Verkruijsse]
| |
heroïsch-galante roman
Naar het voorbeeld van de 16e-eeuwse
Amadis- en
Palmerijnromans gevormde romans of verhalen
die ontstonden in de 17e-eeuwse Franse salons. Ze behandelen op hoofse wijze de
avontuurlijke, meest amoureuze, lotgevallen van vorsten of helden. Veel van die
romans zijn in de 17e en 18e eeuw vertaald in het Nederlands, o.a. door
Simon de Vries, bijv.
D'uytmuntende Eromena liefd-en-helde-geval, van d'Heer Johan. Franc.
Biondi, Ridder, Kamerlingh van sijn Koninglijcke Majesteyt van Groot
Britanien (1669) en De seldsaemheden der liefde, vertoond
in de waeraghtige geschiedenissen van Harminius en Zeraide, Felix en
Crescentia, Cloridan en Valeria, Cindamert en Lalistea, Floridor en Roselia.
Vertaelt uit de vermaerde schriften van de Heeren Belley en Rosset
(1671).
Gebaseerd op werkelijke gebeurtenissen is de originele roman van
boekverkoper
Baltus Boekholt: De
wonderlijke vryagiën en rampzaalige, doch bly-eyndige trouw-gevallen van
deze tijdt tusschen Arantus en Rosemondt, Granadus en Cielinde, Coredon en
Leliana, Fierandus en Leonora, Herkelus en Narsisa, voorgevallen in het
roem-ruchtigh Hollandt, herwaerts in weynigh jaeren (1668), waarin
o.a. de vrijerij van
Cornelis Tromp en
Margareta van Raaphorst wordt beschreven.
Er verschenen nog twee vervolgen: De droef-eyndige historiën van
Nobelaer en Lauw'ra, Serarius, Rennesse en Lerinde (1668) en
De edelmoedige mintriomphe (1678). Onder de laatste titel
zijn ze alle drie herdrukt in 1684 en onder de titel 't Hollants
schou-toonneel in 1701, 1715 en 1749. Een andere Amsterdamse
boekverkoper,
Timotheus ten Hoorn, schreef en
publiceerde in 1678 zijn Hollantse trouw-gevallen.
LIT: Best; Laan; Wilpert. [W. Kuiper]
| |
hervorming zie
reformatie
| |
heteroniem
Vorm van een
pseudoniem, waarbij een auteur een personage
creëert als afsplitsing van zichzelf en vervolgens diens naam als
auteursnaam gebruikt. Een voorbeeld hiervan is
Fernando Pessoa, die schreef onder de
naam van
Ricardo Reis,
Alvaro de Campos en
Alberto Caeiro, allen personages die hij
van een fictieve biografie voorzag. Soortgelijk is het personage
Johan Janssens van
Louis Paul Boon, waarvan hij de naam ook
als pseudoniem heeft gebruikt.
LIT: Gorp; HWR; Marouzeau; G. Komrij. Averechts (1980), p.
234. [G.J. van Bork]
| |
heuristiek
De leer van het vinden (Gr. heuriskein = vinden) of de manier om
via een methodische weg tot kennis te geraken. Binnen de literatuurwetenschap
verstaat men onder heuristiek vooral het verzamelen van materiaal en het
registreren daarvan op een zodanige wijze dat men met behulp van dat materiaal
tot oplossing van bepaalde probleemstellingen kan komen. Tot de heuristiek
behoort dan het op een systematische wijze gebruik maken van het
apparaat van de neerlandistiek:
bibliografieën, biografieën, woordenboeken, encyclopedieën,
literatuurgeschiedenissen, archieven, instellingen, tijdschriften e.d. Daarbij
spelen ook de bibliografische beschrijvingsregels een rol.
Een voor de neerlandistiek essentieel hulpmiddel is het
Vermakelijk bibliografisch ganzenbord (19835)
van
A.M.J. van Buuren,
W.P. Gerritsen en
A.N. Paasman, inmiddels uitgebreid en
geactualiseerd in het computerprogramma BIZON (Bibliografisch
Zoekprogramma Nederlandse letterkunde, versie 1.1, 1994) van P.J. Verkruijsse,
A. Lemmens en J.F.A.M. van den Berg.
LIT: Alphen; BDI; Myers/Simms; C. Neutjens. De techniek van de
filologische arbeid (1967); P.J. Verkruijsse. ‘Neerlandistische
heuristiek: zwerfkat tegen tijgers?’, in: Neerlandica
Wratislaviensia 8 (1995), p. 95-109. [G.J. van Bork]
| |
hexameter
Term uit de
prosodie ter aanduiding van een zesvoetige
dactylus. Dit metrisch (metrum) schema, sinds
Homerus veelvuldig toegepast, is
catalectisch en ziet er als volgt uit:
-/-/-/-/-/--. In de praktijk is de regel zelden compleet dactylisch. Alleen de
vijfde voet is noodzakelijk een dactylus. De eerste, tweede, derde en vierde
versvoet kunnen vervangen worden door een
spondee of een
trochee, bijv.
Thans aan[/]schouwt hij de / diepe
spe[/]lonk wier schrik[/]barende / ingang
(J. Kinker. Gedichten, dl. 3, 1821, p. 84).
waarvan de eerste versvoet een spondee is.
De hexameter is een van de meest voorkomende vormen van het
heroïsch vers.
LIT: Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer;
Buddingh'; Cuddon; Gorp; Hobsbaum; Laan; LdMA; Lodewick; Marouzeau; Metzler;
MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
hiaat
Het op elkaar stoten van de slotklinker van een woord en de
beginklinker van het direct daarop volgende woord zonder dat
contractie-1 plaatsvindt, bijv.: de
een en de ander. In gedichten die voor de zang zijn bestemd, moet
men soms hiaat toepassen op plaatsen waar de ervaren lezer van metrische
poëzie op grond van een prosodische conventie geneigd zou zijn bij hardop
lezen contractie uit te voeren. Men kan hier bij voorbeeld denken aan de
bekende regel ‘Een karretjeop den zandweg reed’. Gaat
men de regel zingen, dan kan dat tot gevolg hebben dat de zanger -tje en
op als twee afzonderlijke syllaben ‘uitspreekt’ (lees:
zingt!) op grond van de melodie waarop de regel is getoonzet. Zonder die
melodie is deze regel een vierjambisch (jambe) vers, te
lezen als ‘Een karretj' op den zandweg
reed’. In dit geval echter prevaleert de muzikale gebruikswijze
boven de leeswijze; de dichter geeft dit aan door de tekst (zonder muziek) te
presenteren met een - n achter ‘karretje’, aldus: Een
karretjen op een Zandweg reed (
J.P. Heije.
Volksdichten, 18844, p. 281).
Wat betreft het lezen van poëzie kan nog worden opgemerkt,
dat sommige 20e-eeuwse dichters in hun tekstaanbod afwijken van de traditionele
contractieconventie bij het lezen van metrische poëzie. Men denke aan die
gevallen waarin de metrische (metrum) vormgeving van het
gedicht tot een van de traditie afwijkende leeswijze leidt, zoals bij de
laatste regel van de laatste strofe van het gedicht ‘Arabeske /
Onweer’ van
Buning, die luidt:
De wereld is gebaad. Een Zaterdagse vrede
daalt neder ook voor wie geen Zondag kent.
En ieder schepsel, zelfs de grauwe padde,
weet dat er vrede is, na elk geweld.
(
J.W.F. Werumeus Buning. Et
in terra, 1933, p. 32).
In de groep ‘vrede is’ worden - de en is
als twee syllaben uitgesproken (en niet gecontraheerd tot één) op
grond van de prosodische gegevens dat de twee eraan voorafgaande verzen
isosyllabisch en metrisch zijn (in dit geval
vijfjambisch), waarbij het eindrijm kent/ -weld ook nog
meespeelt.
LIT: Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1;
Dupriez-2; Gorp; Marouzeau; Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger;
Scott; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
hiërogliefen
Term uit de schriftgeschiedenis voor het schrift van de
Egyptenaren uit de periode van ongeveer 3000 v.Chr. tot ongeveer 400 n.Chr. Er
bestonden twee varianten naast elkaar: het hiëratisch als netschrift en
het demotisch als gebruiksschrift. Vanaf de 3e eeuw n.Chr. werd het Egyptisch
met Griekse lettertekens geschreven: als zodanig leeft het nog steeds voort als
de liturgische taal, het koptisch, in de koptische kerk. Pas door de vondst van
de Steen van Rosette konden de hiërogliefen in 1822 door Champollion
ontcijferd worden.
Juist doordat de hiërogliefen niet begrepen konden worden, is
er vanaf de tijd van humanisme en renaissance veel belangstelling geweest voor
deze ‘heilige beeldtekens’. Met name het
neoplatonisme veronderstelde dat de
oerwijsheid via de hiërogliefen werd geopenbaard. Eind 15e eeuw verscheen
de eerste druk van de hiëroglifische liefdesroman
Hypnerotomachia Poliphili en begin 16e eeuw die van het
4e- of 5e-eeuwse handschrift van de Hieroglyphica van
Horapollo. Beide publicaties hebben ertoe
bijgedragen dat de hiërogliefenduiding vervolgens doordrong in de
emblematiek (emblema), zowel formeel (door incorporatie
van figuren) als inhoudelijk door het raadselkarakter (hermetisme).
Ook in de Nederlandse literatuur is invloed van de
hiërogliefen te bespeuren, vanaf
Jan van der Noot (diens
Olympia-epen vormen een imitatio van de Poliphili), via
Karel van Mander (die in zijn
Schilder-boeck expliciet naar de hiërogliefen
verwijst) tot
H.K. Poot (in zijn Het groot
werelttoneel) en het Lexicon hieroglyphicum
sacro-profanum van
Martinus Koning uit 1722-1727.
LIT: BDI; MEW; Scott; Wilpert; L. Volkmann. Bilderschriften der
Renaissance. Hieroglyphik und Emblematik in ihren Beziehungen und
Fortwirkungen (1923; reprint 1969); K. Porteman. Inleiding tot de
Nederlandse emblemataliteratuur (1977), p. 19-24, 172; K.-Th. Zauzich.
Hiërogliefen lezen (19864); B. Engelhart en J.W. Klein.
50 eeuwen schrift (19882). [P.J. Verkruijsse]
| |
historiaelspel
Subgenre binnen het rederijkersdrama waarin verhalende stof
gedramatiseerd wordt, dit in tegenstelling tot het allegorische (allegorie)
spel van zinne. Voorbeelden van
historiaelspelen vindt men in de verzameling van de Roode Roos uit
Hasselt.
LIT: W.M.H. Hummelen. Repertorium van het rederijkersdrama,
1500- ca. 1620 (1968), p. 114-122, 341. [W. Kuiper]
| |
historiciteit
Het feit dat iemand bestaan heeft of dat iets waar gebeurd is. Zo
wordt er ondanks het feit dat
Karel de Grote de hoofdpersoon van menig
fictioneel
chanson de geste is, niet aan zijn
historiciteit getwijfeld. Aan die van zijn literaire tegenpool koning
Artur wel. Historiciteit is een eis die
al sinds de Oudheid aan serieus literair werk gesteld wordt. Zo onderscheidde
men gedurende de Middeleeuwen
jeesten en
viten van
boerden en
favelen. Om verzonnen, propagandistische of
stichtelijke (exempel,
mirakelspel) teksten voor waar door te laten
gaan, plaatste men ze in een historisch kader door ze te lokaliseren, te
dateren, en te autoriseren: die en die zegt, dat toen en toen, daar en daar,
die en die leefde, of dat en dat gebeurde. Deze vorm van pia fraus (vroom
bedrog) vindt men bijv. in Mariken van Nieuumeghen (ca.
1515), waar de historische setting niet meer is dan een verificatio, een
façade om de tekst te ontfictionaliseren. Maar nu nog strekt het soms
tot aanbeveling dat een roman, gedicht of film teruggaat op een ware
gebeurtenis.
Daarnaast wordt het begrip historiciteit binnen de historische
letterkunde gebruikt als aanduiding van het besef dat een literaire tekst geen
tijdloos, artistiek object is, maar integendeel een tijd-, plaats-,
maatschappij-, conventie- enz. gebonden maaksel, dat om juist begrepen te
worden historisch benaderd dient te worden. [W. Kuiper]
| |
historie
Contemporaine benaming voor de Middelnederlandse historische
werken in paarsgewijs rijmende verzen die in de 13e en 14e eeuw ontstonden
(jeeste,
rijmkroniek), zoals de Rijmkroniek
van Holland van
Melis Stoke (ed.
Brill, 1885, ongew. herdr. 1983).
Ook de drukkers van
(post)incunabelen gebruikten deze benamingen
regelmatig op de titelpagina's van hun boeken. De bedoeling hiervan was hun
cliënten ervan te overtuigen dat deze boeken geen nutteloze verzinsels
(favele), maar ware gebeurtenissen bevatten.
LIT: Best; Metzler; L. Debaene. De Nederlandse volksboeken
(1951); A.L.H. Hage. Sonder favele, sonder lieghen. Onderzoek naar vorm en
functie van de Middelnederlandse rijmkroniek als historiografisch genre
(1989). [H. Struik]
| |
historiebijbel of geschiedbijbel
Middelnederlandse vertaling van de geschiedkundige boeken uit het
Oude Testament, toegelicht met uittreksels uit de Historia
Scholastica van de Fransman
Petrus Comestor, de bijbelse geschiedenis
die in de latere Middeleeuwen vaak werd gebruikt voor het onderwijs in
bijbelkennis. Een bekende historiebijbel is de Rijmbijbel
(1271) van
Jacob van Maerlant (ed.
David, 1858-59, 3 dln.); een vrije
bewerking van het werk van
Petrus Comestor, gevolgd door de
Wrake van Jerusalem, een bewerking van De bello
Judaico van
Flavius Josephus.
De oudste historiebijbel in proza is de tweedelige
Eerste historiebijbel (1360-61). In oudere literatuur
wordt deze overigens de Tweede historiebijbel genoemd,
omdat men dacht dat deze jonger was dan de bijbel die nu als de Tweede
historiebijbel wordt aangeduid. Een kopiistenfout (transmissiefout) is de oorzaak van deze verwarring: de
Tweede historiebijbelbevat een verkeerde datum, ‘Mccc ende
lviij’ (1358) in plaats van ‘Mcccc ende lviij’ (1458).
LIT: LdMA; Metzler; Wilpert; J.A.A.M. Biemans.
Middelnederlandse bijbelhandschriften (1984); J. Deschamps.
Middelnederlandse handschriften uit Europese en Amerikaanse
bibliotheken. (19722), p. 86-93, 152-59; R.E.O. Ekkart. De
Rijmbijbel van Jacob van Maerlant, Een in 1332 voltooid handschrift uit het
Rijksmuseum Meermanno-Westreenianum (1985); J. van Moolenbroek & M.
Mulder (red.). Scolastica willic ontbinden. Over de Rijmbijbel van Jacob van
Maerlant (1991); P. Berendrecht. ‘Maerlants “Scolastica”
(c.q. “Rijmbijbel”) in relatie tot zijn directe bron. Een
verkenning’, in: TNTL 108(1992), p. 1-31; M.K.A. van den Berg.
De Noordnederlandse historiebijbel. Een kritische editie met inl. en aantek.
van Hs. Ltk. 231 uit de Leidse Universiteitsbibliotheek (1998). [H.
Struik]
| |
historielied of geschiedzang
Gelegenheidspoëzie, een ballade-achtig
volkslied-1, bij historische gebeurtenissen
(veldslagen e.d.) of op bekende personen (‘Historielied van vrou Marie
van Bourgoengien’), deels van beschrijvende, deels van propagandistische
aard. De nadruk ligt meer op het persoonlijk-episodische dan op het
historisch-politieke aspect van de bezongen feiten of daden.
Tot de historieliederen kan men ook de
geuzenliederen,
citadelpoëzie en de
strijdliederen in het algemeen, inclusief de
verzetspoëzie uit de Tweede Wereldoorlog, rekenen. Bekende dichters van
geschiedzangen zijn
J.J. Starter,
A. Valerius en
J. Revius.
Historieliederen zijn uitgegeven door
J. van Vloten: Nederlandsche
geschiedzangen naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht
(18642),
P. Frédéricq: Onze
historische volksliederen (1894),
P.H. Muller: Nederlandsche
historiedichten sedert 1527 (1941) en
C.C. van de Graft:
Middelnederlandsche historieliederen
(19682).
LIT: Best; Buddingh'; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; Wilpert;
S.A.E. van Puffelen. ‘Het historielied als dichtsoort’, in:
Wetenschappelijke Tijdingen 25 (1966), p. 31-38; M. Carasso-Kok.
Repertorium van verhalende historische bronnen uit de middeleeuwen
(1981), p. X. [P.J. Verkruijsse]
| |
historiespel
Spel waarin in gedramatiseerde vorm onderwerpen uit de
geschiedenis op een zodanige wijze worden voorgesteld dat aan de historische
feiten niet te veel afbreuk wordt gedaan. Veel historiespelen zijn gegoten in
de vorm van een
tragedie, zoals
P.C. Hoofts Geeraerdt van
Velsen (1613) en
Reinier Bontius' Belegering ende
het ontset der stadt Leyden (1645).
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Laan; Metzler; Scott; Wilpert. [W.
Kuiper]
| |
historisch rijm
Term uit de versleer voor die vorm van
oogrijm die destijds een vorm van
eindrijm is geweest, in het Duits ook wel
‘historischer Reim’ genoemd. Men zie in dit verband bij voorbeeld
de woorden ‘bloet’ en ‘doot’ (in sommige versies ook
gespeld als ‘doet’) in de eerste strofe van het Wilhelmus:
Ben ick van Duytschen bloet,
Blijf ick tot inden doot.
(Het geuzenliedboek, ed.
Leendertz Jr., dl. 1, 1924, p.
97).
LIT: Buddingh'; Cuddon; Gorp; Lodewick; Metzler; Morier;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
historisch-kritische editie
Term uit de editietechniek voor een op een
archiefeditie gebaseerde kritische (kritische
editie) wetenschappelijke
leeseditie van de volledige werken van een
auteur, nl. alle in aanmerking komende geautoriseerde én authentieke
teksten, de (niet geheel authentieke) teksten die het beeld van de auteur bij
de lezer bepaald hebben en de literaire, thematische bronnen waarvan de auteur
in zijn werk gebruik heeft gemaakt. Zowel tekst als apparaat is kritisch en de
tekstontwikkeling wordt historisch (nl. chronologisch en genetisch)
gepresenteerd. De editie is bovendien historisch omdat alle historische vormen
waarin een werk is overgeleverd erin aanwezig dienen te zijn: klad, manuscript,
typoscript, druk.
In veel gevallen zal het nooit komen tot een historisch-kritische
editie, maar zal men blijven steken in een zgn. historisch-kritische deeleditie
of zal men ertoe overgaan een selectieve editie te vervaardigen wanneer het
bronnenmateriaal te omvangrijk is.
In Nederland wordt de uitgave van
historisch-kritische (deel)edities begeleid en voorbereid door het Constantijn
Huygens Instituut voor Tekstedities en intellectuele geschiedenis van de
Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Onder auspiciën van
dit Instituut zijn deeledities verschenen o.a. van
J.C. Bloem door
A.L. Sötemann en
H.T.M. van Vliet (1979), van
J.H. Leopolddoor dezelfden (1983) en
door
G.J. Dorleijn (1984) en
H.T.M. van Vliet (1985), van
J. van den Vondel door
M. Spies (1987), van
Nescio door
L. Frerichs (1990), van
J. Six van Chandelier door
A.E. Jacobs (1991), van
Multatulidoor
A. Kets-Vree (1992), van
M. Nijhoff door
W.J. van den Akker en
G.J. Dorleijn (1993), van
J. Cats door
H. Luijten (1996) en volledige edities
van de Middelnederlandse Lancelotromans (vanaf 1981) en van de werken van
L. Couperus (1987-1996).
LIT: Mathijsen; Metzler; Wilpert; K. Kanzog. Prolegomena zu
einer historisch-kritischen Ausgabe der Werke Heinrich von Kleists. Theorie und
Praxis einer modernen Klassiker-Edition (1970); S. Scheibe. ‘Zu
einigen Grundprinzipien einer historisch-kritischen Ausgabe’, in:
Texte und Varianten. Probleme ihrer Edition und Interpretation (1971),
p. 1-44; H.J. Kreutzer. Ueberlieferung und Edition. Textkritische und
editorische Probleme, dargestellt am Beispiel einer historisch-kritischen
Kleist-Ausgabe (1976); A. Kets-Vree. Woord voor woord. Theorie en
praktijk van de historisch-kritische uitgave van een prozatekst, gedemonstreerd
aan Een Ontgoocheling van Willem Elsschot (1983); H.T.M. van Vliet.
‘Bureau basisvoorziening tekstedities’, in: Dokumentaal 13
(1984), p. 20-22; G.J. Dorleijn. ‘Enkele opmerkingen over de
historisch-kritische editie’, in: J.H. Leopold. Gedichten uit de
nalatenschap, dl. 1 (1984), p. 5-18; G.J. Dorleijn. ‘De
historisch-kritische Leopoldeditie’, in: TNTL 103 (1987), p.
185-213. [P.J. Verkruijsse]
| |
historische avant-garde
Literair-historische aanduiding voor de verschillende
avant-garde-bewegingen van
vóór 1940 (dadaïsme,
futurisme,
kubisme,
constructivisme,
surrealisme), ter onderscheiding van
avant-garde-stromingen van na de Tweede Wereldoorlog die wel aangeduid worden
met de term
neo-avantgarde.
LIT: F.F.J. Drijkoningen en J. Fontijn (red.). Historische
avantgarde (1982). [G.J. van Bork]
| |
historische roman
Subgenre van de
roman, waarvan het hoofdbestanddeel van de
stof ontleend is aan een periode die voor de auteur ervan tot het verleden
behoort. Drop maakt een duidelijk onderscheid tussen romans waarin het verleden
slechts tot decor dient (17e- en 18e-eeuwse avonturenromans of liefdesromans,
neoromantische romans) en romans die in navolging van Scotts
Waverley-romans een beeld pogen op te roepen van een exact gesitueerd
verleden, veelal op grond van gegevens ontleend aan de wetenschappelijke
geschiedschrijving. Daarbij is de
couleur locale van essentieel belang. Dit
laatste type historische romans beleefde in heel Europa in de 19e eeuw een
grote bloei en het behoort dan ook tot de typerende verschijnselen van de
romantiek.
Over het algemeen wordt
Walter Scott gezien als de grondlegger
en wegbereider van het genre. In het Nederlandse taalgebied speelde de
verhandeling van
David Jacob van Lennep Over
het belangrijke van Hollands grond en oudheden voor gevoel en
verbeelding (1827) een belangrijke stimulerende rol in de navolging
van Scott op basis van het eigen nationale verleden.
Veel Nederlandse historische romans hebben een sterk avontuurlijke
inslag (bijv.
Jacob van Lenneps De
pleegzoon, 1833;
J.F. Oltmans Het slot Loevestein
in 1570, 1834). Daarnaast onderscheidt men historische
ideeënromans (bijv.
P. van Limburg Brouwer,
Charicles en Euphorion, 1831) en
psychologisch-historische romans (bijv.
A.L.G. Bosboom- Toussaint, De
graaf van Devonshire, 1838). Andere belangrijke auteurs van
historische romans in de 19e eeuw zijn
Hendrik Conscience,
Aernout Drost en
H.J. Schimmel. In de 20e eeuw schreven
o.m.
Adriaan van Oordt (
Warhold, 1906),
Louis Couperus (
Iskander, 1920),
Simon Vestdijk (De nadagen van
Pilatus, 1938) en
Theun de Vries (
Rembrandt, 1931) historische romans.
LIT: Baldick; BDI; Best; Cuddon; Fowler; Gorp; Laan; Metzler;
Scott; Wilpert; G. Lukàcs. Der historische Roman (1955); J.C.
Brandt Corstius. Historie, roman en historische roman (1959); W. Drop.
Verbeelding en historie. Verschijningsvormen van de Nederlandse historische
roman in de negentiende eeuw (19722). [G.J. van Bork]
| |
hoerenjong of weduwe
In de zetterij wordt deze term gebruikt voor staartpagina's -
pagina's aan het eind van een hoofdstuk of boek - die zeer weinig regels
bevatten en verder
wit blijven. Over wat het toelaatbare
minimum is, verschilt men van mening. Eén regel op een staartpagina acht
iedereen onaanvaardbaar, maar sommigen vinden ook pagina's met slechts drie (
Van Cleef) of zelfs zes regels (
Schook) niet toelaatbaar. De definitie
van een hoerenjong betreft ook niet geheel volgelopen regels bovenaan een
tekstkolom of pagina. Door
uitdrijven kan de zetter proberen meer tekst
op een staartpagina te krijgen of door
inwinnen kan hij trachten het staartje naar
de voorgaande pagina's weg te werken.
Een voorbeeld van een hoerenjong van drie regels kan men vinden in
Maarten 't Hart, Ik had een
wapenbroeder (19805), p. 127, en een bewust nagestreefd
geval van een slotlettergreep van een alinea bovenaan een pagina is te
bewonderen in
K.F. Treebus,
Tekstwijzer (19832), p. 230.
Een recente synonieme benaming uit de wereld van de
tekstverwerking is ‘weduwe’. Verwant aan het hoerenjong is het
weesmeisje (wees).
LIT: BDI; Brongers; Hiller; W.Gs Hellinga. Kopij en druk in de
Nederlanden (1962), p. 93; P.M. van Cleef. Handboek ter beoefening van
de boekdrukkunst in Nederland, ed. F.A. Janssen (1974), p. 67; C. Schook.
Handboekje voor letterzetters, boekdrukkers en correctors, ed. F.A.
Janssen (1981), p. 39-40; K.F. Treebus. Tekstwijzer (19832), p. 228-230;
H. van Krimpen. Boek over het maken van boeken (1986), p. 36-37; D.
Dooijes. ‘Over een lastig jong’, in: Boekblad 154 (1987),
nr. 26 (26 juni), p. 13; Ed Schilders. In-druk, van wiegedruk tot
grafschrift (1995), p. 13-14. [P.J. Verkruijsse/W. Kuiper]
| |
hofdicht
Benaming voor een tot de
georgische poëzie behorend didactisch
gedicht van topografische aard op een buitenplaats of tuin, in Nederland vooral
populair in de 17e en 18e eeuw. De belangrijkste bronnen voor het hofdicht zijn
Vergilius'
Georgica en
Horatius' Beatus
ille, welke
epode-1 vaak in hofdichten geïnterpoleerd
wordt. Kenmerkend voor het hofdicht is de beklemtoning van religieuze waarden
(met name de religieuze, symbolische, emblematische natuurbeschouwing) die hand
in hand gaan met wetenschappelijke waarden, met name op tuinbouweconomisch
gebied: nut, opbrengst, smaak en gewicht van de gewassen staan centraal,
evenals in de vele kruidboeken die vanaf de 16e eeuw verschenen. Bloemhof,
moestuin en boomgaard worden beschreven met een opsomming van alle daar
aanwezige bloemen, groenten, vruchten en dieren. Hoewel het hofdicht in veel
gevallen ook een
lofdicht is op de eigenaar van de
desbetreffende buitenplaats, is het opmerkelijk dat het huis en de kostbare
inrichting daarvan relatief zeer weinig aandacht krijgen. De autobiografische
hofdichters als
Huygens,
Westerbaen,
Cats,
Vosen
Antonides gaan prat op hun literaire
bezigheden en ontginningsactiviteiten.
Het hofdicht heeft met de
pastorale-1 de vlucht uit de stad gemeen,
maar onderscheidt zich ervan door zijn realisme: het landschap vormt geen
decor, maar is juist onderwerp van de beschrijving. In de
arcadia heeft vermenging plaatsgevonden van
elementen uit de georgische poëzie en uit de pastorale.
Bekende hofdichten zijn Den Binckhorst
(1613) van
Ph. van Borsselen, Dapes
inemptae, of de Moufe-schans (1621) van
Petrus Hondius,
Hofwyck (1653) van
C. Huygens,
Ockenburgh (1653) van
Jacob Westerbaen, Nimmer-dor
berymt (1667) en Des weerelds Dool-om-berg ont-doold op
Dool-in-bergh (1669) van
Everhart Meyster, enkele hofdichten van
J.B. Wellekens en
Pieter Vlaming in hun
Dichtlievende uitspanningen (1710) en De
lustplaats Groot Heerema (1734) van
Daniël Willink.
Het genre wordt geparodieerd door
J. Immerzeel jr. in ‘Het
land’ (1813) en door
J. van Oosterwijk Bruyn in ‘De
stedeling op zijn buitengoed’ (1830).
LIT: Buddingh'; Gorp; Laan; Metzler; MEW; P.A.F. van Veen. De
soeticheydt des buyten-levens, vergheselschapt met de boucken. Het hofdicht als
tak van een georgische litteratuur (1960; reprint 1985); K. Schmidt.
‘Hollands buitenleven in de zeventiende eeuw’, in: Amsterdams
Sociol. Tijdschr. 4 (1977-1978), p. 434-449; 5 (1978-1979), p. 91-109.
[P.J. Verkruijsse]
| |
holograaf
Algemene term voor een volledig door één persoon
eigenhandig geschreven manuscript of brief. In de editietechniek spreekt men
bij literaire manuscripten en bij brieven van letterkundigen gewoonlijk van een
autograaf.
LIT: Baldick; Best; Brongers; Cuddon; Scott; Wilpert. [P.J.
Verkruijsse]
| |
homerische vergelijking
Term uit het gebied van de
metaforiek voor een door
Homerus veelvuldig toegepaste
vergelijking-met-als die op een of meer
(vaak zelfstandige eenheden geworden) onderdelen is uitgewerkt, bijv.
Toen werd de zee wel als een groot zwaar man
Van vroeger eeuw en kleeding, rijker dan
Nu in dit land zijn: bruin fluweel en zij
Als zilver en zwart vilt pelterij
Vèr uit Siberisch Rusland; geel koper
Brandt vele lichtjes in de plooien der
oozen, in knoopen en in passement
Van het breed overkleed, wijd uithangend.
(
H. Gorter. Mei,
194810, p. 11).
Men verwarre dit stilisticum niet met de
allegorie.
LIT: Alphen; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Gorp; Lodewick;
MEW; Scott; Shipley. [G.J. Vis]
| | | |
homoeoprophoron zie
alliteratie
| |
homofoon
Een woord dat dezelfde klanken heeft als een ander woord, maar dat
ervan verschilt door schrijfwijze en dan ook een andere betekenis heeft, bijv.
‘paard’ en ‘paart’ of ‘eis’ en
‘ijs’. In de poëzie worden homofonen soms gebruikt in het
gelijk rijm.
LIT: Baldick; Cuddon; Fowler; Gorp; Marouzeau; Scott; G.E. Booij
e.a. Lexicon van de taalwetenschap (19802). [G.J. van
Bork]
| |
homograaf
Een woord dat op dezelfde wijze geschreven wordt als een ander
woord, maar anders wordt uitgesproken en ook een andere betekenis heeft, bijv.
‘negéren’ (ontkennen) en ‘négeren’
(treiteren) of ‘voorkómen’ (verhinderen) en
‘vóórkomen’ (voor het gerecht verschijnen). Van dit
verschijnsel wordt veel gebruik gemaakt in het
woordenspel.
LIT: BDI; Best; Cuddon; Gorp; Scott. [G.J. van Bork]
| |
homoioteleuton
Klankprocédé uit de Klassieke Oudheid bestaande uit
rijm aan het eind van verzen, zinnen, zinsdelen of woorden. Het verschijnsel is
ontstaan in de tijd dat
eindrijm niet gebruikelijk was, en kan
beschouwd worden als de oorsprong van allerlei vormen van rijm in de latere
literatuur.
LIT: Best; Bronzwaer; Buddingh'; Dupriez-1; Gorp; Lausberg;
Metzler; Morier; Myers/Simms; Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
homoniem
Een woord dat dezelfde klank en spelling heeft als een ander
woord, maar ervan verschilt in betekenis, zoals bijv. ‘bank’
(zitmeubel en geldinstelling) of ‘school’ (leerinstelling en groep
vissen). Bij uitbreiding spreekt men wel van homonieme constructies, wanneer
een zin of gedeelte daarvan
ambiguïteit vertoont, bijv. ‘Ik
zie hem met mijn kijker’ = ‘Ik kijk door mijn kijker en zie
hem’ of ‘Hij loopt met mijn kijker en ik zie hem’.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Hiller; LdMA; Marouzeau;
Metzler; Scott; Shipley; Wilpert; G.E. Booij e.a. Lexicon van de
taalwetenschap (19802). [G.J. van Bork]
| |
hoofdtekst
Term uit de dramatheorie om de door de rolfiguren uit te spreken
tekst (de
dialoog of gesproken tekst) te onderscheiden
van de zgn.
neventekst, die de directe
toneel- of regieaanwijzingen bevat. Wanneer
ook de hoofdtekst dergelijke aanwijzingen bevat, spreekt men van indirecte
toneelaanwijzingen.
In
Herman Heijermans' Dora
Kremer (1893) geeft de tekst:
Dora gaat naar de whisttafel: Een van de heren nog thee?...
(Toneelwerken, dl. I, 1961, p. 15).
Het gedeelte voor de dubbele punt is neventekst en de tekst daarna
hoofdtekst. Het feit dat Dora blijkbaar op het toneel met een theepot in haar
handen loopt, is een indirecte toneelaanwijzing uit de hoofdtekst. De
mededeling ‘gaat naar de whisttafel’ is een directe
toneelaanwijzing.
LIT: Bergh; Lodewick. [G.J. van Bork]
| |
hoofse liefde
Door
G. Paris in de 19e eeuw voor het eerst
gebruikte verzamelnaam (Fr. amour courtois) voor 12e- en 13e-eeuwse (literaire)
opvattingen over de (buitenechtelijke) liefde tussen man en vrouw. Het begrip
‘hoofse liefde’ werd in de Middeleeuwen niet of nauwelijks als
zodanig gekend; iemand die zich sociaal aangepast gedraagt, is in middeleeuwse
ogen al hoofs. Opvattingen over goede omgangsvormen zijn ook tot het terrein
van de (geïdealiseerde) liefde doorgedrongen. Deze liefde wordt in de
Middeleeuwen maar zelden ‘hoofse liefde’ genoemd, maar veeleer
omschreven als ‘goede minne’ of ‘rechte minne’.
De idealen van de hoofse liefde in strikte zin (fin'amors) werden in de 12e eeuw het eerst geformuleerd in de
lyriek van de Zuid-Franse
troubadours, die zich voornamelijk lieten
inspireren door de Arabische erotische lyriek zoals die aan de (Noord-)Spaanse
hoven beoefend werd en die weer gebaseerd was op de Griekse literatuur. Een
andere literaire oorsprong van de hoofse liefdesopvatting is mogelijk gelegen
in
Ovidius' Ars
Amatoria, die via
Andreas Capellanus' De arte
honeste amandi (ca. 1185) aan het eind van de 12e eeuw bekend werd.
Volgens sommigen betreft het hier eigenlijk een onjuiste interpretatie van
Ovidius' werk.
De hoofse liefdesopvatting en vrouwencultus vielen vervolgens
samen met de christelijke Mariaverering. Sommigen zien in de hoofse
liefdesrelatie een weergave van de feodale politieke verhoudingen.
In de tweede helft van de 12e eeuw drong de hoofse
liefdesideologie door in het noorden vanFrankrijk, om zich
vervolgens over de rest van West-Europa te verspreiden. De
fin'amors veranderde hierbij van gedaante omdat de liefde minder als een
overweldigende en wonderlijke kracht werd ervaren, maar meer werd
gerationaliseerd. Met de verspreiding van de hoofse liefdesopvattingen naar het
noorden van Frankrijk ontstond onder invloed van de hoofse roman (hoofse literatuur) de combinatie liefde-ridderschap
(amour-chevalerie).
Tenslotte moet opgemerkt worden dat de middeleeuwse
minneconcepties nogal konden variëren; per genre (hoofse liefde in de
epiek is anders dan in de lyriek) en zelfs per tekst (bijv. het al dan niet
tolereren van overspel).
LIT: L. Pollmann. Die Liebe in der hochmittelalterlichen
Literatur Frankreichs (1966); M. Lazar. Amour courtois en fin'amors dans
la littérature du 12e siècle (1964); R. Boase. The origin
and meaning of courtly love. A critical study of European scholarship
(1977); U. Liebertz-Grün. Zur Soziologie des ‘amour
courtois’ (1977); S.C. Jaeger. The Origins of Courtliness.
Civilizing Trends and the Formation of Courtly Ideals. 939-1210 (1985); R.
Schnell. Causa amoris. Liebeskonzeption und Liebesdarstellung in der
mittelalterlichen Literatur (1985); E. van Altena. Daar ik tot zang word
aangespoord. Occitaanse troubadours 1100-1300 (1987); R. Zemel.
‘Hoofse liefde in de literatuur van de twaalfde eeuw’, in:
Herkennen wij de middeleeuwen? (1988), p. 71-107; G. Duby. De
middeleeuwse liefde en andere essays (1988). [H. Struik]
| |
hoofse literatuur
Moderne verzamelnaam voor middeleeuwse lyrische, epische en
dramatische werken bestemd voor een adellijk publiek die als voornaamste thema
de
hoofse liefde hebben. Voorzichtigheid is
echter geboden bij het gebruik van deze term: in de 19e en 20e eeuw werden aan
het begrip ‘hoofs’ connotaties toegevoegd die voor de middeleeuwse
mens onbegrijpelijk zouden zijn. In de middeleeuwse literatuur is iemand al
hoofs als hij zich sociaal aangepast gedraagt. Hoofsheid is een sociale
gedragscode, die er op gericht is individuen in harmonie te laten samenleven;
enerzijds door het vermijden van irritaties, anderzijds door het naleven van
strenge spelregels in het maatschappelijk verkeer. Men kan zich afvragen of
hoofse liefde wel het juiste criterium is bij de definiëring van het
begrip hoofse literatuur; wellicht is het beter om hoofsheid het voornaamste
thema van de hoofse literatuur te noemen.
Van Oostrom (1983, p. 125-129) noemt
drie belangrijke aspecten van de functie die hoofse teksten vervulden voor een
publiek dat in het algemeen aan het hof gezocht moet worden: ze boden
verstrooiing, ze hadden een functie als statusobject voor de mecenas die ze
liet vervaardigen en ze dienden zelf als lering voor het bereiken van het
hoofse ideaal. Er is lange tijd strijd geweest over de vraag of hoofse liefde
alleen een literaire conventie betreft of ook in zekere mate de werkelijkheid
weergeeft. Tegenwoordig gaat men ervan uit dat dit laatste het geval is.
In Frankrijk, de bakermat van de hoofse literatuur,
neemt men als aanvangsdatum de Zuid-Franse troubadourslyriek (troubadour) van
Guillaume IX (1071-1127) en diens
tijdgenoten. Rond het midden van de 12e eeuw breekt de hoofse literatuur in
Noord-Frankrijk door, zowel in de lyriek (trouvère) als in de epiek (Brits-Keltische roman). De grootste 12e-eeuwse auteur is
Chrétien de Troyes die in zijn
Arturromans de verschillende verschijningsvormen van de hoofse liefde
thematiseerde: buitenechtelijke liefde in Le chevalier de la
charrete, huwelijk en liefde in Erec et Enide
en Le chevalier au lion en ten slotte hoofsheid en
spiritualiteit in Le conte du Graal. De hoofse literatuur
bereikt een tweede hoogtepunt met de onvoltooide Roman de la
Rose van
Guillaume de Lorris (ca. 1235). Het einde
van de hoofse literatuur laat men wel samenvallen met de voltooiing van de
Roman de la Rose door
Jean de Meung (ca. 1270).
De Middelnederlandse hoofse literatuur kan onderverdeeld worden in
hoofse lyriek (minnelied-1), hoofse epiek en hoofs
toneel.
De hoofse lyriek wordt gekenmerkt door vaste motieven en
vaste stof en door een vrij strak schema met strofen van meestal acht
versregels met per versregel vier geaccentueerde lettergrepen. De belangrijkste
vertegenwoordiger van de hoofse lyriek in de Nederlanden is
Hendrik van Veldeke (2e helft 12e
eeuw).
De hoofse epiek wordt vertegenwoordigd door de hoofse
romans. In het algemeen worden deze naar de stof ingedeeld in drie groepen: 1)
de
klassieke romans, 2) de
Brits-Keltische romans en de
Arturromans, en 3) de
Oosterse romans. In alle drie spelen typisch
hoofse elementen als gastvrijheid, het beheersen van emoties, dienstbaarheid
aan God en vorst en de uitvoerige beschrijving van allerlei ceremonieel een
rol. Omdat de liefde tussen man en vrouw in de
Karelroman nauwelijks een rol speelt en
vrouwen soms geslagen worden, rekent men dit type ridderroman nog wel tot de
zogeheten voorhoofse literatuur. Het onderscheid tussen voorhoofs en hoofs
geldt tegenwoordig echter als verouderd; hierom en vanwege de diffuse betekenis
van de term ‘hoofs’ is het beter om te spreken van
ridderromans.
De
abele spelen zouden de vertegenwoordigers
van het hoofse toneel zijn. Deze theorie is tegenwoordig omstreden. Het
is echter opvallend, dat er alleen in het Middelnederlands toneelspelen bekend
zijn met een hoofse thematiek. Van recente datum is de benaderingswijze de
abele spelen te beschouwen als exponenten van de middeleeuwse, door een
burgerlijke ideologie bepaalde, stadsliteratuur.
LIT: Abrams; Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Knuvelder;
Krywalski; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott;
Wilpert; J.D. Janssens (red.). Hoofsheid en devotie in de middeleeuwse
maatschappij. De Nederlanden van de 12e tot de 15e eeuw (1982); W.P.
Gerritsen. ‘Wat is hoofsheid? Contouren van een middeleeuws
cultuurverschijnsel’, in: R.E.V. Stuip en C. Vellekoop (red.). Hoofse
Cultuur. Studies over een aspect van de middeleeuwse cultuur (1983),
p. 25-40; F.P. van Oostrom. ‘Hoofse cultuur en litteratuur’, in:
R.E.V. Stuip en C. Vellekoop (red.). Hoofse Cultuur. Studies over een aspect
van de middeleeuwse cultuur (1983), p. 119-138; F.P. van Oostrom. Het
woord van eer. Literatuur aan het Hollandse hof omstreeks 1400 (1987), p.
86-136; C. Hogetoorn. ‘Lyrische dichtkunst’, in: R.E.V. Stuip
(red.). Franse literatuur van de middeleeuwen (1988), p. 57-84; O.S.H.
Lie. ‘Het abel spel van Lanseloet van Denemerken in het handschrift-Van
Hulthem: hoofse tekst of stadsliteratuur?’, in: H. Pleij e.a. Op
belofte van profijt. Stadsliteratuur en burgermoraal in de Nederlandse
letterkunde van de middeleeuwen (1991), p. 200-216; F. Willaert e.a.
(red.). Een zoet akkoord. Middeleeuwse lyriek in de lage landen (1992);
T. Meder. ‘Hoofsheid in de Boekjes van Zeden’, in: Spektator
21(1992), p. 308-326; T. Meder. ‘“Hoofsheid” in 13e-eeuwse
Middelnederlandse handschriften’, in: SpL 35(1993), p. 197-225.
[H. Struik]
| |
hoogdruk of boekdruk
Term uit de drukkerswereld voor de druktechniek waarbij de
drukkende, geïnkte delen hoger liggen dan de niet-drukkende delen. De
hoogdruk, vervaardigd met loden
letter, of wat illustraties betreft in de
vorm van
houtsnedes, is vanaf de uitvinding van de
boekdrukkunst tot de jaren '60 van de 20e eeuw de normale techniek geweest.
Sindsdien heeft de
vlakdruk snel terrein gewonnen (met name de
offsetdruk). De
diepdruk was vooral voor illustraties
(gravures) in gebruik.
LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; Scott; Wilpert; H. van
Krimpen. Boek over het maken van boeken (1966), p. 51. [P.J.
Verkruijsse]
| | | |
hoorspel, luisterspel of radiospel
Dramavorm uitsluitend bestemd om door de radio te worden
uitgezonden. Omdat het visuele element volledig ontbreekt, spreekt men ook wel
van een luisterspel. Het hoorspel maakt ter vervanging van de visuele
mogelijkheden van het toneel veelvuldig gebruik van sfeerscheppende
geluidseffecten zoals muziek, achtergrondgeluiden en geluidsimitaties.
Een groot aantal auteurs heeft hoorspelen geschreven. Bekende
voorbeelden zijn
Annie M.G. Schmidts cabaretreeks
De familie Doorsnee (1954) en
L.P. Boons Het
geweerschot (1951) en De trein van
Zaterdagavond (1953). Beroemd werd ook de Nederlandse vertaling
door
Hugo Claus van
Dylan Thomas' in 1954 voor de BBC
geschreven stemmenspel Under Milk Wood (Onder het melkwoud,
1961). Het tijdschrift (H)oordeel; maandblad voor de hoorspelliefhebber
(vanaf 1988) is geheel aan het hoorspel gewijd.
LIT: Bantel; Best; Gorp; HWR; Krywalski; Metzler; MEW; Wilpert; A.
Poppe. Het luisterspel (19662). [G.J. van Bork]
| |
Horatiaanse ode
Aanduiding voor een
ode geïnspireerd op het type zoals
geschreven door
Horatius (65-8 v.Chr.). Algemeen kenmerk
hiervan is dat dit
lierdicht - in tegenstelling tot de
Pindarische ode - een strofische opbouw
heeft. Horatius gebruikte hiervoor allerlei versmaten of combinaties daarvan,
veelal overgenomen van de Griekse dichters
Sapfo en
Alcaeus.
In Nederlandstalige navolgingen van de Horatiaanse ode ziet men
dat de strakke schema's van Horatius lang niet altijd worden nagevolgd. Zo is
J. van Houts ‘vertaling’ van
Horatius' ode ‘Eheu fugaces’, beginnend met ‘Eylaes, eylaes,
hue vliegen zo’ (ed. Walch, 19472, p. 238-239), een tamelijk
vrije bewerking, ook in prosodisch opzicht;
Vondel gaf er zelfs een prozabewerking
van (1653).
Maar er zijn ook pogingen gedaan om Horatius' oden nauwkeurig in
het Nederlands te vertalen. Dat ziet men bijv. bij
Kinker, die de bekende ode ‘Odi
profanum vulgus’, geschreven in de zogenaamde alceïsche strofe, ook
metrisch nauwkeurig probeerde na te volgen. Men zie de eerste strofe:
Onheilig graauw! U haat ik; verwijder u!
Gewijde schaar van maagden en jongelingen,
Hoort me, als der Zanggodinnen Priester,
Liederen zingen, die nooit gehoord zijn.
(J. Kinker. Gedichten, dl. 2, 1820, p. XI).
De Horatiaanse ode is meestal meditatief van karakter.
LIT: Buddingh'; Cuddon; Myers/Simms; Preminger; Scott; Wilpert;
J.L. Walch. Nieuw handboek der Nederlandsche letterkundige geschiedenis
(19472), p. 237-239; G.J. Vis. Johannes Kinker en zijn literaire
theorie (1967), p. 143-149. [G.J. Vis]
| |
horrorstory zie
griezelverhaal
| |
hortus conclusus
Aan het aards paradijs ontleend ideaalbeeld van een lustoord in de
hoofse literatuur. Anders dan de antieken
die de vrije natuur prefereerden (locus amoenus) kozen
de 12e- en 13e-eeuwse auteurs voor een geciviliseerde, van de buitenwereld
afgesloten en daarom discrete en exclusieve locatie. De ‘omsloten
tuin’ - ook in de vorm van een gestileerde boomgaard (vergier) - is een
locus amoris, een plaats om lief te hebben, en komt als zodanig in bijna elke
hoofse tekst voor, bijv. in
Segher Diengotgafs Tprieel van
Troyen (ed.
De Waard en
Dupuis, 1965) en in nog sterkere mate in
Guillaume de Lorris' deel van de
Roman van de Roos.
LIT: R.M.T. Zemel. ‘De hoofse wereld in de Beatrijs’,
in: Spektator 12 (1982-1983), p. 345-376. [W. Kuiper]
| |
houtgravure
Afbeelding, uitgesneden in kops peren-, kersen-, esdoorn- of
palmhout, met behulp van een burijn. De houtgravure, in de 18e eeuw ontwikkeld
uit de kopergraveertechniek, valt onder de
hoogdruk en kan tegelijk met het loodzetsel
in dezelfde
drukvorm ingekooid worden (formaatmaken). Van houtgravures kunnen grotere oplagen gedrukt
worden dan van
houtsneden. Gedurende de 18e en 19e eeuw is
de houtgravure veel gebruikt voor boekillustratie tot ze verdrongen werd door
het
cliché-2.
LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; F. van der Linden. De
grafische technieken (19905, p. 30-41. [P.J. Verkruijsse]
| |
houtsnede of xylografie
Afbeelding of versierde hoofdletter (initiaal;
factotum) in een blok kersen-, appel- of
perenhout uitgesneden, die na inkten afgedrukt kan worden. De houtsnede valt
onder de
hoogdruk en kan tegelijk met het loodzetsel
in dezelfde
drukvorm ingekooid worden (formaatmaken). Houtsneden kenmerken zich door vrij dikke
lijnen die de druk van de drukpers moeten kunnen weerstaan en door de
afwezigheid van kruisarceringen die in hout nauwelijks aan te brengen zijn.
Wanneer hele pagina's van een boek uit hout gesneden worden, spreekt men van
een
blokboek.
Vooral in de
incunabelperiode worden houtblokken door
drukkers steeds weer opnieuw gebruikt in hun uitgaven, ook als de illustraties
niet geheel bij de tekst passen. Door de erop uitgeoefende druk van de drukpers
slijten houtblokken en kunnen ze beschadigd worden. Deze slijtageverschijnselen
kunnen de bibliograaf in staat stellen de chronologische plaats te bepalen van
ongedateerde drukken temidden van wel gedateerde door te letten op de mate van
beschadiging. De bibliograaf dient er rekening mee te houden dat vanaf de 16e
eeuw in plaats van houtsneden ook loden afgietsels van initialen in omloop
komen die een veel ruimer verspreidingsgebied hebben dan de individuele, aan
één drukkerswerkplaats gebonden houtsnede. Het verschil tussen
een afdruk van beide is niet of nauwelijks vast te stellen.
Overzichtswerken waarin Nederlandse incunabelhoutsneden beschreven
of afgebeeld staan, zijn:
W.M. Conway, The woodcutters
of the Netherlands in the fifteenth century (1884);
A.J.J. Delen, Histoire de la
gravure dans les anciens Pays-Bas et dans les provinces belges, des origines
jusqu'à la fin du XVIIIe siècle (3 dln., 1924-1935),
M.J. Schretlen, Dutch and
Flemish woodcuts of the fifteenth century (1925) en
I. Kok, De houtsneden in de
incunabelen van de Lage Landen 1475-1500 (2 dln., 1994). De
houtsnede als illustratiemateriaal is in gebruik gebleven tot ze in de 19e eeuw
goeddeels door de
houtgravure en de lithografie (steendruk) verdrongen werd. Uit het begin van de 20e eeuw zijn
evenwel de houtsneden van
Frans Masereel beroemd, o.a. als
illustratie bij het werk van
Stijn Streuvels en
Herman Teirlinck.
LIT: BDI; Hiller; Scott; I. Kok. ‘A new study of woodcuts in
the incunabula of the Netherlands’, in: Quaerendo 12 (1982), p.
159-167; F. van der Linden. De grafische technieken (19905,
p. 30-41. [W. Kuiper/P.J. Verkruijsse]
| | | |
huiselijke poëzie
Subgenre van de poëzie waarin (vaak triviale) huiselijke of
familiaire onderwerpen op een moraliserende toon aan de orde worden gesteld. De
meest uitgesproken voorbeelden ervan kunnen gevonden worden in de poëzie
van het 19e-eeuwse idealistisch realisme (biedermeier):
bijv.
H. Tollens' ‘Huisselijk
geluk’ en ‘Aan mijne kinderen’ (Gedichten, dl. 1 en 2,
1855, resp. p. 123-128, 129-138) en
N. Beets' ‘Aan mijn vader’
en ‘Kinderkusje’ (Gedichten, dl. 3, z.j., p. 32, 397).
Andere auteurs van het genre zijn
J.J.L. ten Kate,
M. Dodd en
J.M. Dautzenberg. De huiselijke
poëzie werd belachelijk gemaakt door o.m.
Frederik van Eeden in diens
parodie Grassprietjes
(1885).
LIT: Gorp; Laan; Myers/Simms; E. Krol. De smaak der natie.
Opvattingen over huiselijkheid in de Noord-Nederlandse poëzie van
1800-1840 (1997). [G.J. van Bork]
| |
humanisme
Sinds de 19e eeuw wordt ‘humanisme’ gehanteerd als
algemene term voor de levensvisie die de mens in plaats van God centraal stelt.
Meer specifiek gebruikt, is het humanisme (alleen het woord
‘humanist’ komt contemporain voor) van oorsprong een
taalkundig-onderwijskundige beweging binnen de
renaissance, ontstaan in Italië in het
begin van de 14e eeuw en ook weer met de renaissance verdwenen, al zou men het
huidige onderwijs in de humaniora op het gymnasium nog steeds als daartoe
behorend kunnen beschouwen. De Duitse pedagoog
Niethammer gebruikte de term
‘humanisme’ voor het eerst in 1808 als onderwijskundig begrip. Als
het manifest van de humanisten wordt beschouwd de Rede over de
menselijke waardigheid uit 1486 van
Pico della Mirandola.
De humanisten wilden de morele levensidealen van de klassieken
weer opnemen, met name via de taal en stijl van de klassieke auteurs.
Cicero, die in zijn werken de filosofie
en
retorica van de Grieken had samengebracht,
werd het grote voorbeeld voor de humanisten die zich keerden tegen de door de
middeleeuwse scholastiek aangehangen combinatie van filosofie en theologie.
Petrarca is de eerste die het
middeleeuws Latijn verwerpt en het klassiek Latijn weer ten voorbeeld
stelt.
De in de kloosters gedurende de Middeleeuwen bewaard gebleven
manuscripten van klassieke teksten werden door de humanisten opnieuw in omloop
gebracht, daarbij vanaf het midden van de 15e eeuw gesteund door de
boekdrukkunst. Dankzij het humanisme is de wetenschap, die aan de
universiteiten onder invloed bleef van de scholastiek, geseculariseerd. Vele
humanisten stelden zich tevens ten doel een wedergeboorte van het christendom
te bewerkstelligen door hun filologische methode ook toe te passen op de
bronnen van de bijbel en de geschriften van de kerkvaders. Van groot belang
hierbij was de beweging van de
Moderne Devotie waaruit de geschriften van
Thomas a Kempis,
Wessel Gansfort,
Rudolf Agricola en
Desiderius Erasmus voortkomen. Met name
de laatste paste de filologische methoden op de bijbel toe. Erasmus heeft
duidelijk invloed gehad op vroegrenaissancistische auteurs als
Coornhert en
Spiegel en op de humanisten na de
oprichting van de Leidse universiteit:
Dousa,
Lipsius,
Scaliger,
Heinsius,
Grotius.
Hoewel de internationale taal van de humanisten het Neolatijn was,
hebben ze juist via het onderwijs (de Latijnse school) ook invloed gehad op de
literatuur in de volkstaal door de nadruk te leggen op de
imitatio van de klassieken. Een speciaal aan
de Latijnse school verbonden genre is het Neolatijnse
schooldrama.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Curtius; Gorp; Laan;
LdMA; Lodewick; Metzler; MEW; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; J. Lindeboom.
Het Bijbelsch Humanisme in Nederland (1913); P.O. Kristeller.
Renaissance thought (2 dln., 1955-1965); H.W. Fortgens. Schola
Latina: uit het verleden van ons voorbereidend hoger onderwijs (1958); J.A.
van Dorsten. Poets, patrons and professors. Sir Philip Sidney, Daniel Rogers
and the Leiden humanists (1962); H. Bonger. Het humanisme in de 16e
eeuw (1966); S. Dresden. Het humanistisch denken, Italië -
Frankrijk 1450-1600 (1967); A. Constandse. Geschiedenis van het
humanisme in Nederland (1967); L.W. Spitz. The Renaissance and
Reformation movements (1971); J. IJsewijn. ‘The coming of humanism to
the Low Countries’, in: Itinerarium italicum (1975);
Mitteilungen der Kommission für Humanismusforschung (1975-....);
I.M. Veldman. Maarten van Heemskerck and Dutch humanism in the sixteenth
century (1977); R. Bastiaanse, H. Bots en M. Evers (red.). ‘Tot
meesten nu ende dienst van de jeught’; een onderzoek naar zeventien
Gelderse Latijnse scholen ca. 1580-1815 (1985); A. Buck. Humanismus.
Seine europäische Entwicklung in Dokumenten und Darstellungen (1987);
S. Brinkkemper en I. Soepnel. Apollo en Christus. Klassieke en christelijke
denkbeelden in de Nederlandse renaissance-literatuur (1989), p. 141-160;
J.P. Guépin. Het humanisme 1350-1850 (1993). [P.J.
Verkruijsse]
| |
humanistisch schrift
Moderne benaming voor de schriftsoorten die tijdens de renaissance
door de humanisten (humanisme) zijn ontwikkeld. Al in de
tweede helft van de 14e eeuw hebben auteurs als
Petrarca en
Dante belangstelling voor de auteurs uit
de Klassieke Oudheid en voor oude handschriften. Deze interesse is kenmerkend
voor de humanisten. In tegenstelling tot wat men nu wel eens beweert, waren de
humanistische geleerden zich er terdege van bewust dat de handschriften waarin
de klassieke auteurs waren overgeleverd niet uit de Oudheid stamden:
handschriften uit de 4e tot en met de 6e eeuw noemen ze ‘buitengewoon
oud’ (‘mire vetustus’ of ‘mire antiquus’);
Karolingische handschriften uit de 9e tot de 11e eeuw zijn ‘zeer
oud’ (‘vetissimus’ of ‘antiquissimus’);
laat-Karolingische handschriften uit de 11e en 12e eeuw zijn ‘oud’
(‘vetustus’) en gotische handschriften uit de 13e en 14e eeuw zijn
‘halfoud’ (‘semivetus’ of ‘mediae
antiquitatis’). De term ‘oud’ (‘vetustus’ of
‘antiquus’) wordt ook in het algemeen gebruikt voor oude
handschriften, of die nu Karolingisch of gotisch zijn.
De schriftsoorten vóór de 12e eeuw noemen de
humanisten ‘oude letters’ (‘litterae antiquae’). Ook
hun eigen schriftsoort krijgt de naam
littera antiqua: rond 1400 beginnen
humanisten uit Florence de
Karolingische minuskel zo goed mogelijk te
imiteren. Al spoedig krijgt de humanistische minuskel een geheel eigen
karakter. Het volgroeide humanistische schrift wordt rond 1460-1470 de basis
van de drukletter
romein.
Naast de humanistische minuskel ontwikkelt zich een humanistische
cursief (littera italica), die waarschijnlijk het best
gekenmerkt kan worden als een ‘humanistisch’ vormgegeven gotische
cursief (littera cursiva). Deze cursief werd vooral
toegepast bij handschriften op papier en in de bestuurlijke administratie.
LIT: B.L. Ullman. The Origin and Development of Humanistic
Script (1960); B. Bischoff. Paläographie des römischen
Altertums und des abendländischen Mittelalters (19862), p.
186-189; B. Engelhart en J.W. Klein. 50 eeuwen schrift
(19882), p. 181-189. [H. Struik]
| |
humanistische cursief zie
littera italica
| |
humanistische minuskel zie
littera antiqua
| |
humanitair expressionisme of romantisch
expressionisme
Binnen het
expressionisme is een tweetal richtingen aan
te wijzen, een collectief gerichte groep schrijvers met humanitair gerichte
idealen en een veel individualistischer gerichte groep dichters. Tussen 1910 en
1920 brak bij veel kunstenaars en intellectuelen het besef door dat de mens
zich actief diende in te zetten voor veranderingen in de samenleving. Vooral in
landen die betrokken waren bij de Eerste Wereldoorlog ontstonden groepen jonge
kunstenaars die zich verzetten tegen de geldende moraal en de afzijdigheid van
de kunstenaar in een elitair individualisme. Daaruit ontstond een nieuw
activisme met belangstelling voor de verhouding individu-gemeenschap. De
humanitair-expressionisten zagen het individu opgenomen in een kosmische
verbondenheid met die gemeenschap. Het humanitair expressionisme is dan ook
internationaal van karakter (‘volkerengemeenschap’) en
pacifistisch. Zijn maatschappelijke en ethische gerichtheid komt het
duidelijkst tot uiting in Duitsland, met name in tijdschriften als
Der Sturm (1910-24) en Die Aktion (1911-25). Belangrijke
vertegenwoordigers waren
Kurt Hiller,
August Stramm,
Frans Werfel en
Kurt Pinthus (
Menschheitsdämmerung, 1920).
In het Nederlandse taalgebied kent het humanitair expressionisme
vrijwel uitsluitend vertegenwoordigers in België:
Paul van Ostaijen (alleen in het begin
van zijn dichterschap),
Wies Moens,
Gaston Burssens,
Victor J. Brunclair,
Marnix Gijsen,
Karel van den Oever,
Eug. de Bock e.a. Zij verenigden zich in
het tijdschrift Ruimte (1920-21) dat in tal van bijdragen verbondenheid
met het Duitse expressionisme toonde en met het Vlaamse activisme.
LIT: L. van Passel. Het tijdschrift Ruimte (1920-1921) als
brandpunt van het humanitair expressionisme (1958). [G.J. van Bork]
| |
humor
Algemene aanduiding voor datgene wat (bijv. in een literair werk)
de lachlust opwekt. Kunstgrepen die dit effect (beogen te) bereiken zijn altijd
te herleiden tot het principe van de tegenstelling (antithese), vooral op het semantische vlak. Zo kan een auteur
een bepaalde tekst humoristisch voorstellen in een
parodie, terwijl in de
pastiche hetzelfde gebeurt met een groep
werken (bijv. een genre); de tegenstelling die ontstaat tussen origineel en
bewerking wekt de lach op. Ook niet-literaire verschijnselen kunnen
humoristisch behandeld worden, bijv. in de vorm van een
karikatuur, zoals de onderwijzer in de
figuur van meester Pennewip uit
Multatuli's Woutertje
Pieterse.
De vorm van de humor kan variëren van licht (vgl.
ironie) tot zwaar (vgl.
sarcasme,
satire). De kwaliteit kan platvloers zijn
zoals in sommige
travestieën, maar ook fijnzinnig, bijv.
in de vorm van het
understatement.
Humor werkt relativerend ten opzichte van de werkelijkheid,
vandaar een ware cultus ervan in de romantiek. Maar uit de aard der zaak is het
verschijnsel zo oud als de mensheid. Humor wordt vaak als antipode gezien van
ernst, en als zodanig komt het verschijnsel weinig voor in tragedie en elegie.
Maar de vraag ‘ernst of kortswijl’ (
Huet 1866) wordt beslist in het voordeel
van de niet-ernstige pool wanneer het gaat om klucht (klucht-1),
blijspel,
spotlied, of een kunstvorm als het
cabaret.
Humor is kennelijk een gewild fenomeen bij lezer en schrijver.
Enigszins vergelijkbaar met de behoefte aan een
rijmwoordenboek was er in de 19e eeuw ook
belangstelling voor een werk als Proeven van een
humoristisch-satirisch woordenboek der zamenleving (1845)
geschreven door
I.J. Lion.
LIT: Abrams; Baldick; BDI; Best; Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler;
Gorp; Laan; Lodewick; Scott; Wilpert; C.F. van Duyl e.a. Scherts, humor en
satire (1895); C. Hazewinkel. Bijdrage tot de psychologie der
humoristen (1922); E. Jongejan. De humor-‘cultus’ der
Romantiek in Nederland (1933); R. Casimir e.a. Humor in Holland
(1940); W.H. Staverman. Humor en humoristen (1940); G. Stuiveling.
Humor, ironie en sarkasme bij Multatuli (1955); H. van den Bergh.
Konstanten in de komedie (1972); H. de Coninck. ‘Humor in de
poëzie’, in : Jeugd en Cultuur 26 (1981-1982), p. 202-216. [G.J.
Vis]
| |
humoreske
Komische
schets of
vertelling, waarin ernst en
humor meestal zijn gecombineerd. Het genre
kwam tot bloei in de 18e eeuw, aanvankelijk in dichtvorm; men denke aan
Starings‘Jaromir’-gedichten
en in de 19e eeuw aan teksten van
De Genestet. Later wordt de prozavorm
geliefd, zoals bij
Heijermans (‘Falklandjes’)
en Carmiggelt (‘Kronkels’).
Soms nadert de humoreske de
groteske, zoals in sommige
cursiefjes van
Koot of
Stoker. Naar de graad van spot (ironie,
sarcasme) kan de humoreske variëren van
lichtvoetige
burleske tot venijnige
satire.
LIT: Best; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Wilpert. [G.J.
Vis]
| | | |
hymenaeus zie
epithalamium
| |
hymne
Lofdicht, in de eredienst en bij openbare
feesten ontstaan, ter ere van een godheid of een heilige. Vandaar dat dit
genre, in tegenstelling tot de
ode, oorspronkelijk een overwegend religieus
karakter heeft, zoals dat het geval is met de
psalmen. Menig Latijns
kerklied uit de rooms-katholieke liturgie
draagt de naam van hymne. Vanaf de reformatie verschijnen er ook hymnen in de
volkstaal. Tevens komen er steeds meer hymnen met een profaan karakter (
D. Heinsius' Hymnus of
Lof-sanck van Bacchus, 1614). Tot in de 20e eeuw is het genre
beoefend, o.a. door
A. Verwey en
H. Roland Holst-van der Schalk. De grenzen
met ode en
dithyrambe zijn soms moeilijk te trekken.
LIT: Abrams; Alphen; Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon;
Gorp; Krywalski; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Preminger; Scott; Shipley;
Wilpert. [G.J. Vis]
| |
hypallage
Term uit de stijlleer voor een vorm van
enallage waarbij een adjectief voorkomt op
een andere plaats - meestal naar voren geschoven - dan men op logische gronden
zou verwachten, bijv. ‘de groene geur van het gras’. Hier is sprake
van een
contigu verband, immers de kleur van het
gras wordt waargenomen tegelijk met de geur (als zodanig is het tevens een vorm
van
synesthesie). Op basis van het principe van
de contiguïteit is er verwantschap met het fenomeen
metonymie.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp;
Lausberg; Marouzeau; Metzler; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert.
[G.J. Vis]
| |
hyperbaton zie
Distanzstellung
| |
hyperbool
Stijlfiguur waarbij men, soms in de vorm van
beeldspraak, een uitspraak op overdreven
manier kracht bijzet: ‘bliksemsnel’, ‘een zee van
tranen’ e.d. In dit soort gevallen is de hyperbool een
cliché-1. Men kan deze stijlfiguur
echter ook met komische bedoelingen gebruiken, waardoor
humor ontstaat, zoals in het gedicht
‘De leeuw’ van de Schoolmeester, dat aldus begint (cursivering van
ons):
Een leeuw is eigentlijk iemand,
Die bang is voor niemand.
Zijn grooter dan die van een reus
En zijn muil/ Is een ware moordkuil;
(
De Schoolmeester. Gedichten,
ed.
Mathijsen en
Van Deel, 1979, p. 94).
De hyperbool is het tegenovergestelde van de
litotes en het
understatement.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh';
Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; Lausberg; Lodewick; Marouzeau;
Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J.
Vis]
| |
hypercatalectisch
Term uit de prosodie voor de syllabeovertolligheid aan het eind
van een metrische (metrum) versregel. Het verschijnsel
komt in de Nederlandstalige poëzie vaak voor. Zo maakt een vergelijking
van de eerste en de tweede regel van Kloos' sonnet ‘Ik denk altoos aan
u’ duidelijk, dat de eerste regel (als gevolg van het vrouwelijk rijm)
hypercatalectisch is:
Ik denk altoos aan u, als aan die droomen
Waarin, een ganschen, langen, zaalgen nacht,
(
W. Kloos. Verzen, dl. 1,
19173, p. 7).
Behalve in jambische verzen, zoals het bovenstaande van Kloos,
komt het verschijnsel ook voor in regels met een andere versmaat, bijv. in de
derde regel van de eerste strofe van ‘De zelfmoordenaar’ van
Paaltjens (geschreven in de
anapest):
In het diepst van het woud
- 't Was al herfst en erg koud -
Liep een heer in zijn eentje te dwalen.
(
P. Paaltjens. Snikken en
grimlachjes, 1867, p. 49).
In tegenstelling tot de
catalectische regel, waar één
of meer syllaben ontbreken, heeft de hypercatalectische regel dus een overschot
aan lettergrepen.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Marouzeau; Metzler;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
hypofoon
Term uit de retorica voor een variant van de
sermocinatio: men last in een
rede of
verhaal-1 een vraag of objectie in, waarop
vervolgens het antwoord (anthypophora) wordt gegeven, bijv. (cursivering van
ons):
Te Delft.... Gij kent toch Delft? Dit stadje is schoon
gelegen
(
P.A. de Genestet. CC, ed. Oort,
19122, p. 229).
Men verwarre de hypofoon niet met de enigszins hieraan verwante
beurtzang.
LIT: Lausberg; Shipley. [G.J. Vis]
| | | |
hypostasis of hypostase
Vorm van
beeldspraak waarin een abstractie,
respectievelijk een hoedanigheid, wordt voorgesteld als iets concreets,
respectievelijk iets zelfstandigs. Menig
spreekwoord bevat een hypostase, zoals het
Vlaamse ‘Een jaar is aan geen staak gebonden’ (een jaar is zo weer
voorbij).
Vaak heeft de hypostase de vorm van een personificatie, bijv. in
de regels
Om te vergaan, / dood, maak mij zoet
(
G. Achterberg. VG,
19745, p. 110).
LIT: Cuddon; Marouzeau; Metzler; Shipley. [G.J. Vis]
| |
hysteron proteron, proteron hysteron of
prothysteron
Term uit de stijlleer voor een (chrono)logische omkering van
zaken. Bijvoorbeeld het begin van ‘Een brief’ van
Willem van Iependaal:
Ze hebben vader vrijdagavond
Op een handkar thuisgebracht
Hij zonk ineen bij 't werkschooien.
(
J. Klöters. Omdat ik
zoveel van je hou, 1991, p. 131.)
Soms wordt het procédé toegepast onder invloed van
rijmdwang, zoals bij
Jacob van Maerlant in zijn
Spiegel historiael over
Karel de Grote:
So staerc was hi inden strijt,
Dattem gheviel meer dan tere tijt,
Dat hi eenen ridder ontwee clovede
Vanden sittene toten hovede
(ed.
De Vries en
Verwijs, 1863, IV1, 2,
51-54),
waar er geen enkele reden is te veronderstellen dat het
slachtoffer op zijn kop in het zadel zit.
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Lausberg; Lodewick; Marouzeau;
Metzler; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis/W.
Kuiper]
|
|
|