|
|
|
| |
A
| |
aandachtsstreepje
Leesteken in de vorm van een liggend streepje, in de 18e eeuw
gebruikt om de lezer duidelijk te maken dat een
monoloog wordt onderbroken door gedachten,
waarvoor woorden tekortschieten en die daarom niet uitgesproken (en gezet)
kunnen worden. Een voorbeeld van veelvuldig gebruik van aandachtsstreepjes
(strepologie) vindt men in de
Julia (1783) van
Rhijnvis Feith:
Alle mijne Vrienden paarden hunne stemmen aan de mijne - onze
traanen vermengden zich - mijn gevoel werd verukking! - het bosch verdween - 't
was geen tempel meer - 't was de Hemel - ik genoot - ja! ik genoot met hun alle
de onsterfelijkheid. (ed. Kloek en Paasman, 1982, p. 79).
Het aandachtsstreepje is verwant aan het
beletselteken. Tegenwoordig wordt het
aandachtsstreepje gebruikt om een tussenzin - op een nadrukkelijker wijze - af
te scheiden dan door middel van komma's. Het is daarmee verwant aan het
gedachtestreepje, dat een korte pauze
aangeeft.
LIT: P.J. van der Horst. Leestekenwijzer. Praktische
handleiding voor het gebruik van leestekens en andere tekens (1990), p.
70-76. [W. Kuiper]
| | | |
aanschouwelijkheid zie
plastiek
| |
ab ovo
Term uit de verteltheorie, ontleend aan
Horatius' Satiren
1.3.6 (‘Ab ovo usque ad mala’ = Van het ei tot de appelen = van het
begin tot en met het einde van de maaltijd), voor het presenteren van een
geschiedenis (fabel-2) vanaf het vroegste moment in de
vertelde tijd. De
plot loopt in dit geval gelijk op met de
fabel-2. Zoiets gebeurt bijv. in menig sprookje, zoals dat van Klein Duimpje.
Men kan deze techniek vergelijken met de zgn. early
point of attack in het drama. Valt het begin
van de verteltijd niet samen met dat van de vertelde tijd, dan kan men te maken
hebben met
in medias res of met post rem.
LIT: Boven/Dorleijn; Cuddon; Gorp; Lodewick; Shipley. [G.J.
Vis]
| |
abbreviatio
Term uit de klassieke en middeleeuwse poëtica voor het sterk
inkortend bewerken van een tekst. Het tegenovergestelde heet
amplificatio. De abbreviatio-techniek vormde
een vast onderdeel van het poëtica-onderwijs dat deel uitmaakte van de
artes liberales, de zeven vrije kunsten, die
vanaf de 12e eeuw aan de middeleeuwse universiteiten werden gedoceerd. Hoewel
de abbreviatio strikt genomen deel uitmaakt van de (Middel)latijnse literatuur
zijn er parallellen in de volkstaal aan te wijzen. Zo kan de bewerking van
Die wrake van Ragisel (ed.
Gerritsen, 1963) in de
Lancelot-compilatie als een abbreviatio beschouwd worden ten opzichte
van de oorspronkelijke Middelnederlandse vertaling. Hetzelfde geldt voor de
bewerking van een aantal boeken van
Homerus' Odyssae
door
Coornhert tot de Dolinghe van
Ulysse (1561).
In de Middelnederlandse literatuur wordt een abbreviatio vaak
gemarkeerd door een
brevitas-formule (brevitas).
LIT: Dupriez-1; Dupriez-2; LdMA; Marouzeau; Wilpert; L. Arbusov.
Colores rhetorici (1963), p. 21-22; E.R. Curtius. Europäische
Literatur und lateinisches Mittelalter (19738), p. 482-485. [W.
Kuiper]
| |
abbreviatuur
Niet om sneller te schrijven (tachygrafie,
tegenwoordig
stenografie), maar om kostbaar
schrijfmateriaal uit te sparen, ontwikkelde men in de antieke tijd een stelsel
van verkorte schrijfwijzen. Middeleeuwse kopiisten namen deze conventies over
en pasten ze ook toe op teksten in de volkstaal. De meeste abbreviaturen zijn
van Latijnse oorsprong en gebaseerd op afkapping (suspensie), dat wil zeggen het weglaten van letters aan het
eind van een woord als de betekenis duidelijk is.
Dit kan variëren van één letter: com = comen,
tot alle letters op één na: n3 = niet, met allerlei varianten
daar tussenin (voorw' = voorwaer, e = ende). Abbreviaturen van
één letter noemt men ook wel initialen of siglen (sigle-1). Die laatste term is op zijn beurt een afkorting van
littera singularis. Naast afkorting door middel van suspensie kende men, met
name voor het gebruik in wetenschappelijk teksten, de zogenaamde notae (nota-1), doorgaans vakgebonden afkortingen die dermate
abstract zijn dat men de betekenis van het woord er niet meer uit kan lezen.
Een aantal van deze notae zijn genoemd naar
Tiro de slaaf van
Cicero, tiroonse noten, die diens
redevoeringen in kortschrift vastlegde: 7ca = etcetera. Een
minderheid van de abbreviaturen is van Joods-Griekse afkomst en berust op
samentrekking (contractie-2): Ihrslm = Iherusalem. In
zijn algemeenheid kan men stellen dat middeleeuwse teksten bedoeld om
voorgedragen te worden relatief weinig abbreviaturen bevatten, teksten bedoeld
om zelfstandig gelezen te worden veel. Abbreviaturen in manuscripten komen voor
tot in de 18e eeuw.
LIT: BDI; Best; Dupriez-1; Hiller; LdMA; Metzler; Wilpert; A.
Cappelli. Dizionario di abbreviature latine ed italiane (1973); J.
Stiennon. Paléographie du Moyen Age (1973), p. 124-128; B.
Bischoff. Paläographie des römischen Altertums und des
abendländischen Mittelalters (1979), p. 192-213; J.L. van der Gouw.
Oud schrift in Nederland. Een leerboek voor de student
(19802); P.J. Horsman, Th.J. Poelstra en J.P. Sigmond.
Schriftspiegel. Nederlandse paleografische teksten van de 13e tot de 18e
eeuw (1984); B. Engelhart en J.W. Klein. 50 eeuwen schrift
(19882), m.n. p. 102-129. [Willem Kuiper]
| |
abc-boek, hanenboek, materieboek of
speldeboek
Term uit de 16e tot 19e eeuw voor een niet-katholiek schoolboek
(abecedarium) - ook wel hanenboek genoemd naar de
houtsnede met een haan op de titelpagina - met een gevarieerde inhoud voor het
lees- en schrijfonderwijs. Behalve schrijfvoorbeelden in diverse lettertypen
(de
civilité werd vaak gebruikt) bevatten
zulke boekjes ook stichtende verhalen, titulatuur, voorbeeldbrieven en
etiquetteregels. Het 16e-eeuwse Materi-boecxken, oft voorschriften,
seer bequaem voor die joncheyt, om wel te leeren lesen, waarvan al
een uitgave verscheen in 1597, wordt tot diep in de 18e eeuw met enige
aanpassingen herdrukt, bijv. Materie of speldeboeksken, zynde seer
bequame voorschriften voor de joncheyd om wel te leeren lesen en schryven en
een aanporringe tot alle christelijke deugden in Nijmegen in 1730
of 1731 en nog in 1777 bij De Lange in Deventer.
Coornherts Eenen nieuwen ABC of
materiboeck (1564) is bedoeld als
typografisch schrijfboek.
LIT: BDI; Hiller; H. de la Fontaine Verwey. ‘Typografische
schrijfboeken. Een hoofdstuk uit de geschiedenis van de
civilité-letter’, in: id. Uit de wereld van het boek, dl. 1
(19762), p. 133-160; E.P. de Booy. De weldaet der scholen. Het
plattelandsonderwijs in de provincie Utrecht van 1580 tot het begin der 19de
eeuw (1977), p. 270, 276-277; P.J. Begheyn. ‘De Nijmeegse drukker
Willem van Goor en zijn Materie- of speldeboeksken’, in: De
Boekenwereld 6 (1989), p. 12-15; R.J. Resoort. ‘Een proper
profitelijc boek. Eind vijftiende en zestiende eeuw’, in: H. Bekkering
e.a. (red.). De hele Bibelebontse berg (1989) p. 41-103; J. Landwehr.
Prentgeschenk van 60 ABC-boekjes (1995); J. ter Linden, A. de Vries en
D. Welsink (red.). A is een aapje. Opstellen over ABC-boeken van de
vijftiende eeuw tot heden (1995). [W. Kuiper/P.J. Verkruijsse]
| |
abecedarium
Bijzondere vorm van het
acrostichon, waarbij de beginletters van
versregels, strofen of paragrafen een
alfabet vormen. Een vooral gedurende de
Middeleeuwen en rederijkerstijd beoefende dichtvorm, bijv. Eynen a.b.c. van
den staet deser bueser werelt:
Aensiet dese vrouwen, hoe dat si gaen,
Besiet hon tuyten, hoe dat si staen,
Claer wi dat si hon blancketten
(Middelnederlandse geestelijke gedichten, liederen,
rijmspreuken en exempelen, ed. Indestege, 1951, p. 13-14).
Een ridderroman in verzen met een abecedarium in de
lombardenstructuur (lombarde) is de Borchgrave
van Couchi (ed.
De Vries, TNTL 7, 1887, p.
97-250).
De term wordt ook wel gebruikt voor (katholieke) leesboekjes voor
kinderen om het abc te leren; de reformatorische leesboekjes staan bekend als
abc-boek of hanenboek.
LIT: BDI; Best; Brongers; Buddingh'; Gorp; LdMA; Metzler;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [W. Kuiper/P.J.
Verkruijsse]
| |
abel spel
Aan de titelopschriften van de teksten zelf ontleende benaming van
vier Middelnederlandse toneelstukken, bewaard gebleven in het omstreeks 1410
(af)geschreven handschrift-Van Hulthem. De eerste drie:
Esmoreit (ed.
Duinhoven, 1979), Gloriant van
Bruuyswijc (ed.
Stellinga, 1976) en Lanseloet
van Denemerken (ed.
Roemans en
Van Assche, 1982), doorgaans dé
abele spelen genoemd, leunen wat betreft hun stof, thema's en motieven sterk
aan bij de oudere (aristocratische) hoofse
epiek. Hierdoor zijn deze stukken uniek binnen
de West-Europese letterkunde. Het vierde abele spel Vanden winter
ende vanden somer (ed.
Stellinga, z.j.) is allegorisch van
karakter (allegorie) en heeft zijn wortels in de
rituelen van de plattelandscultuur. Op elk abel spel volgt een
sotternie, een komische uitsmijter:
Esmoreit en Lippijn,
Gloriant en Die buskenblazer,
Lanseloet en Die hexe,
Winter ende somer en Rubben.
Het woord abel (Latijn: habilis) betekent zo veel als: mooi, goed.
De stukken zijn voor zover bekend geen bewerkingen van reeds bestaande
(epische) teksten, maar ‘oorspronkelijke’ dramatische creaties.
Omdat de abele spelen nauwelijks regie-aanwijzingen bevatten, en speeldrama's
doorgaans in rollen werden uitgeschreven, interpreteert men ze in de vorm
waarin ze overgeleverd zijn wel als
leesdrama. Het handschrift-Van Hulthem
echter heeft mogelijk gefungeerd als een
scriptorium-codex, waaruit kopers teksten
konden kiezen om te laten afschrijven (een aanwijzing daarvoor is dat aan het
einde van iedere tekst het aantal verzen wordt vermeld). Het is derhalve
mogelijk dat de teksten weer op toneelrollen werden gekopieerd ten behoeve van
een toneelgezelschap. Van Lanceloet van Denemerken zijn
overigens Zeeuwse rederijkersrollen overgeleverd.
Recent is de benaderingswijze om de abele spelen te beschouwen als
exponenten van de middeleeuwse, door een burgerlijke ideologie bepaalde,
stadsliteratuur.
LIT: Best; Gorp; Laan; LdMA; Lodewick; Metzler; MEW; Wilpert;
W.M.H. Hummelen. ‘Tekst en toneelinrichting in de abele spelen’,
in: NTg 70 (1977), p. 229-242; W.N.M. Hüsken en F.A.M. Schaars.
Sandrijn en Lancelot. Diplomatische uitgave van twee toneelrollen uit het
voormalige archief van de Rederijkerskamer De Fiolieren te 's-Gravenpolder
(1985); A. Dabrówka. Untersuchungen über die
mittelniederländischen Abele Spelen (Herkunft - Stil - Motive) (1987);
F. van Meurs. ‘De abele spelen en de navolgende sotternieën als
thematisch tweeluik’, in: Literatuur 5 (1988), p. 149-156; O.S.H.
Lie. ‘Het abel spel van Lanseloet van Denemerken in het handschrift-Van
Hulthem: hoofse tekst of stadsliteratuur?’, in: H. Pleij e.a. Op
belofte van profijt. Stadsliteratuur en burgermoraal in de Nederlandse
letterkunde van de Middeleeuwen (1991), p. 200-216; W. van Anrooij en
A.M.J. van Buuren. ‘'s Levens felheid in één band; het
handschrift-Van Hulthem’, in: Idem (1991), p. 184-199; J.W. Klein.
‘(Middelnederlandse) handschriften: produktieomstandigheden, soorten,
functies‘, in: Queeste 2(1995), p. 1-30. [W. Kuiper/H. Struik]
| | | |
ablaut
Term uit de taalkunde voor de variatie van de vocalen in woorden
en woordgroepen. Voor de literatuur is de ablaut als klankwisseling in zoverre
van belang dat dichters hun verzen rijker aan
klank kunnen maken door een grote variatie
aan vocalen aan te brengen. Zo bevat de volgende regel van
Kloos (uit zijn sonnet ‘Ik droomde
van een kalmen, blauwen nacht’) op de tien syllaben niet minder dan acht
verschillende klinkers: ‘En heel mijn ziele ruiste U toe;
één zucht’, (De Nieuwe Gids 1, 1885 I, p. 138).
LIT: G.E. Booij e.a. Lexicon van de taalwetenschap
(19802); L. Beru. ‘Periphrastischen Tempora und Ausgleich der
Ablautalternanten’, in: LB 74 (1985), p. 37-52. [G.J. Vis]
| |
abortief
Perkament bereid uit de huid van ongeboren
dieren. Gedurende de Middeleeuwen stuitte het gebruik ervan op groeiende
weerstand naarmate het kwalitatieve aspect op de achtergrond raakte en abortief
meer en meer in verband gebracht werd met occulte en nigromantische praktijken.
Tegenwoordig neemt men wel aan dat veel perkament dat voor abortief doorgaat,
in werkelijkheid konijnenvel is.
LIT: LdMA; D.V. Thompson. The materials and technics of
medieval painting (1956), p. 27-28; R. Reed. The nature and making of
parchment (1975); J.M.M. Hermans en G.C. Huisman. De descriptione
codicum (19813), p. 18. [W. Kuiper]
| |
absolute poëzie
Term uit de poëziekritiek voor die poëzie waarin de
dichter ernaar streeft alles wat niet tot het wezen van de poëzie behoort
daaruit te weren. In de praktijk leidt dit tot poëzie waarin taal niet
gebruikt wordt vanwege de referentiële functie, maar een eigensoortige
(poëticale) functie krijgt toegewezen. In principe behoort absolute
poëzie binnen deze opvatting tot de hoogste vorm van poëzie.
Het streven naar absolute poëzie is afkomstig uit de
romantische speurtocht naar het ‘wezen’ van de poëzie. Zo werd
het als een oneigenlijk element ervaren dat poëzie iets vertelt. Betekenis
moet worden uitgedrukt door de poëtische vormgeving, en om het absolute te
bereiken gingen dichters al spoedig gebruik maken van symbolen die dat moeilijk
vaststelbare ‘wezen’ van de poëzie zo min mogelijk aantastten.
Zo vindt men de duidelijkste vertegenwoordigers van de absolute poëzie in
het
symbolisme met auteurs als
Baudelaire en
Mallarmé. Er zijn raakpunten van
deze poëzie met de
poésie pure. Een Nederlands gedicht
dat kenmerken van de absolute poëzie vertoont, is ‘Staren door het
raam’ van
J.H. Leopold (Verzamelde
verzen, dl. 1, 1982, p. 64).
LIT: Best; Metzler; MEW; Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
abstracte poëzie
Term uit de poëziekritiek voor het soort poëzie waarin
de nadruk ligt op de klank en de visuele (vaak grafische) vormgeving, met
achterstelling van de betekenis van de gebruikte woorden en de grammaticaliteit
van de woordverbindingen. Abstracte poëzie sluit aan bij de abstracte of
non-figuratieve beeldende kunst. Ze vindt haar oorsprong in het
volkslied-1 en
kinderlied (aftelrijmpje bijv.) met hun
betekenisloze woordverbindingen (‘Iene, miene, mutte / tien pond
grutten’). Het merkwaardige van de aanduiding ‘abstract’ is
dat ze juist verwijst naar zulke concrete ervaringen als geluid en beeld. Er is
dan ook een duidelijke relatie met de
concrete (of visuele) poëzie. Na de
Eerste Wereldoorlog werd veel abstracte poëzie geschreven door
dadaïsten en futuristen als
Hans Arp,
Kurt Schwitters en de Nederlandse
dichters
I.K. Bonset en
Paul van Ostaijen. Een goed voorbeeld
van een abstract gedicht is ‘Ruiter’ uit de serie
‘Soldaten’ (1916) van I.K. Bonset (Nieuwe
woordbeeldingen, ed.
Schippers, 1975, p. 81).
Waar het abstracte gedicht vooral op muzikaliteit van de taal
gericht is, ontstaat een vorm van poëzie die men gewoonlijk aanduidt met
de term
poésie pure. Men spreekt ook wel van
abstracte poëzie wanneer de betekenis van het gedicht uitgedrukt wordt in
symbolen, zoals in de
absolute poëzie.
LIT: Cuddon; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Shipley;
Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
absurdisme
Literaire vorm, speciaal toneel, waarin de absurditeit en de
zinloosheid van het menselijk bestaan wordt uitgebeeld. Het absurdistisch
toneel gaat terug op de Franse existentiefilosofie van
Sartre en
Camus, waarin de mens gezien wordt als
een geïsoleerd individu, levend in een vijandige en ongeordende
samenleving, op weg van het niets naar het niets. Afgesneden van zijn
religieuze, metafysische of transcendentale wortels is de mens losgeraakt van
zijn zekerheden. Al zijn activiteiten worden doelloos en absurd. Vandaar ook
het verzet van het absurdisme tegen traditionele cultuurvormen. Omdat het
menselijk bestaan als irrationeel en absurd wordt beschouwd, kan dit ook alleen
maar weergegeven worden in literaire werken die zelf een absurde vorm hebben.
Het sterkst komt dit tot uiting in de zinloosheid van de dialogen, die het
onvermogen van werkelijk menselijk contact demonstreren, zoals in
Ionesco's La cantatrice
chauve (1950). Andere schrijvers van absurdistisch toneel zijn
Adamov,
Beckett,
Genet en
Pinter. In Nederland schreef
H. Mulisch met De
knop (1960) absurdistisch toneel, evenals
L. de Boer in De kaalkop
luistert (1963), De verhuizing (1964),
Borak valt (1967) e.a.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Fowler; Gorp; Lodewick;
Metzler; MEW; Preminger; Shipley; Wilpert; M. Esslin. The theatre of the
absurd (19622); D. Grossvogel. The blasphemers: the theatre
of Brecht, Ionesco, Beckett, Genêt (1965); A.P. Hinchcliffe. The
absurd (1969); A. van der Starre. ‘Bestaat er een absurdistisch
toneel?’, in: F.F.J. Drijkoningen e.a. Avant-garde en traditie in het
moderne toneel (1978). [G.J. van Bork]
| |
abusio of catachrese
In strikte zin een vorm van figuurlijk taalgebruik (als
stijlfiguur vallend onder de
tropen-1) bestaande uit een (schijnbaar)
onlogische toepassing van
beeldspraak omdat het beeld aanvankelijk
niet gevoeld wordt en een beeld gebruikt wordt in een situatie waarin het
normale (letterlijke) taalgebruik, de
consuetudo, geen woord voorhanden heeft.
Later kan zo'n woord inburgeren en zelfs tot
cliché-1 worden.
Zo is het woord ‘benen’ uit de ‘benen van de
passer’ het geëigende woord voor iets wat niet door een letterlijke
aanduiding in de vorm van één enkel woord is te vervangen en
alleen maar omschreven kan worden in meer termen zoals ‘beide gepaarde
delen’. Een ander voorbeeld: het oog van de naald - hij is door het oog
van de naald gekropen.
Abusio als onlogisch gebruik van beeldspraak (bij gebrek aan iets
anders) kan een komisch effect hebben: ‘blind van angst kroop hij door
het oog van de naald’; in dit laatste geval leidt de beeldspraak tot
bombast.
De abusio vindt men ook bij moderne dichters. Zo schrijft
Achterberg in ‘Thebe’:
uw handen, die ik niet kon tillen,
voelde ik langs het leven strelen,
Het beeld van het ‘slaande’ leven is vreemd. Men kan
de volgende redenering opzetten. Er is een ik-figuur die gestreeld wordt en van
wie gezegd wordt dat hij het leven in zich voelt slaan. Een mogelijke
lezersassociatie is die van ‘leven’ met ‘hart’. Van dat
hart kan - volgens de bekende uitdrukking - gezegd worden dat het
‘slaat’. Maakt de lezer deze verschuiving, dan kan hij
‘slaat’ vertalen in een parafrase, luidend: ‘Ik voelde uw
handen strelend langs mij gaan, zodanig dat mijn hart, symbool van het leven,
ervan sloeg (klopte)’. In dit geval werkt de onduidelijkheid van de
beeldspraak suggestief, doordat het het associatievermogen van de lezer
activeert. Half redenerend, half associërend komt hij er dan wel uit. De
aldus aangebrachte verschuiving is vergelijkbaar met datgene wat de
taalgebruiker doet ten aanzien van de
metonymia; ook daar is geen gelijkenis
tussen beeld en verbeelde, maar een anderssoortige betrekking. Door een
ontbrekende schakel in te voegen, krijgt men de voorstelling rond. Hetzelfde
gebeurt bij deze veelal als catachrese aangeduide vorm van abusio in
‘Thebe’.
In ruimere zin is catachrese ook wel gebruikt als synoniem van
figuurlijk woordgebruik in het algemeen, dikwijls met een negatieve waardering
van ‘slecht gebruikt’.
Beide gebruiksmogelijkheden van de term hebben gemeen dat het
beeldsprakige karakter van het woord niet meer als zodanig wordt ervaren.
LIT: Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh';
Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Longman; Marouzeau; Metzler; MEW;
Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [P.J. Verkruijsse/G.J. Vis]
| |
acatalectisch
Term uit de prosodie ter aanduiding van een metrische versregel
waarvan de laatste versvoet compleet is, dit in tegenstelling tot de
catalectische versregel, bijv.
(J. Jac. Thomson. Orplid, 1916, p. 35.)
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Metzler; Morier;
Myersd/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
accent of klemtoon
Term uit de prosodie ter aanduiding van de prominentie (heffing) van de klank van een syllabe ten opzichte van die van
de omringende syllaben (daling). Deze prominentie kan
van dynamische, temporele of muzikale aard zijn. Dikwijls is het een combinatie
van twee van deze elementen, soms van alle drie. Bij de ritmische (ritme) notatie worden heffing en daling aangegeven door resp.
' en ^, bijv. lópên.
Het accentverloop van meersyllabige woorden ligt in principe
linguïstisch vast. Men raadplege daarvoor het woordenboek. De vraag of een
eensyllabig woord een prominente dan wel een niet prominente syllabe heeft,
wordt meestal bepaald door het zinsverloop. In ieder geval moet men eerst de
woordbetekenis kennen om een uitspraak over de prominentie of de
prominentieverhoudingen te kunnen doen, bijv. negéren verschilt van
négeren.
Dynamisch accent is een kwestie van sterkte,
volume. Temporeel of
kwantiteitsaccent is een kwestie van lengte,
duur. Muzikaal of
melodisch accent wordt gekenmerkt door
toonhoogte.
De vaststelling van prominentie is niet alleen een kwestie van
fysische aard, maar ook, en soms voornamelijk, van psychologische aard.
Intersubjectiviteit van lezers beslist dan eerder over twijfelgevallen dan de
proefondervindelijke waarneming in het fonetisch laboratorium. Uit recent
fonetisch onderzoek blijkt dat niet alle woordaccenten geconcretiseerd worden
in gesproken taal. Voor zover dat wel het geval is, spreekt men van
‘zinsaccenten’. Deze worden overwegend bepaald hetzij door
opvallende toonhoogteveranderingen, hetzij door veranderingen in de duuropbouw
in de syllabe die het woordaccent draagt. Hiermee is een jarenlang herhaalde
stelling, dat de uitspraak van het Nederlands primair bepaald wordt door
dynamisch accent (volume), achterhaald.
Door de wisseling van accentverloop heeft elke gesproken zin een
bepaald ritme. Sinds de renaissance kozen dichters hun woorden zo, dat een
alternering in het ritme optrad. Door deze
praktijk, tot in de 20e eeuw algemeen gangbaar, kan men een versregel zo
structureren dat er metrische (metrum) eenheden (versvoet) ontstaan. De in Nederlandse poëzie meest
voorkomende metrische eenheid is de
jambe.
LIT: Alphen; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh';
Cuddon; Dupriez-1; Gorp; HWR; LdMA; Lodewick; Marouzeau; Metzler; Morier;
Myers/Simms; Preminger; Scott; C.F.P. Stutterheim. Conflicten en grenzen
(1963); R. Collier en J. 't Hart. Cursus Nederlandse intonatie (1981).
[G.J. Vis]
| | | |
accentvers zie
heffingsvers
| |
accentverschuiving
Term uit de prosodie ter aanduiding van een bepaalde vorm van
antimetrie. Volgens de theorie van
Stuiveling, die de
versvoet als uitgangspunt neemt, zijn er
twee gevallen van accentverschuiving. Uitgaande van de
jambe ¯ onderscheidt hij
accentverschuiving naar voren en accentverschuiving naar achteren, waarbij het
teken ' een onderbetoonde (onderbetoning) heffing
voorstelt, en het teken ~ een overbetoonde daling (overbetoning).
Men kan zich afvragen of deze onderscheidingen van belang zijn
voor de tekstinterpretatie. Het lijkt aanbevelenswaard zich te beperken tot het
begrip antimetrie, omdat dit begrip zich leent voor beschrijving van datgene
wat de doorsnee luisteraar, die een gesproken tekst hoort en verwerkt, bewust
ervaart. Nadere verfijningen in de prominentieverhoudingen kunnen alleen in het
fonetisch laboratorium deugdelijk geregistreerd worden.
LIT: Gorp; G. Stuiveling. Versbouw en ritme in den tijd van
'80 (1934). [G.J. Vis]
| |
accidentals
Term uit de analytische bibliografie en de editietechniek voor de
varianten die de
editeur voor de
copy-text van minder belang acht. Doorgaans
betreft het varianten op het gebied van spelling, interpunctie, woordscheiding
en alinea-indeling. Wel belangrijk geachte varianten noemt men
substantives. Het onderscheid tussen
accidentals en substantives berust niet alleen op het al dan niet geautoriseerd
zijn (autoriseren) van bepaalde varianten. Met name in
de periode van de handpers vond uniformering van spelling, interpunctie en
hoofdlettergebruik plaats door de zetter, niet door de auteur. Zelfs als de
kopij is overgeleverd, verdient het soms
aanbeveling dit soort accidentals uit de door de zetter geuniformeerde druk
over te nemen.
LIT: Mathijsen; W.W. Greg. ‘The rationale of
copy-text’, in: Studies in bibliography 3 (1950-1951), p. 19-36;
F. Bowers. ‘Multiple authority: new problems and concepts of
copy-text’, in: The Library 5th series, 27 (1972), p.
81-115; Center for editions of American authors. Statement of editorial
principles and procedures. Rev. ed. (1972), p. 2; V.E. Dearing.
‘Concepts of copy-text old and new’, in: The Library
5th series, 28 (1973), p. 281-293; Ph. Gaskell. A new
introduction to bibliography (19742), p. 338-343; G.Th.
Tanselle. ‘Greg's theory of copy-text and the editing of american
literature’, in: Studies in Bibliography 28 (1975), p. 167-229; M.
Spies. ‘Verantwoording’, in: J. van den Vondel. Twee
zeevaart-gedichten, dl. 2 (1987), p. 1-10. [P.J. Verkruijsse]
| |
acclamatie
Bijvalsbetuiging in de vorm van een kort, geïsoleerd zinnetje
dat het belang van het voorafgaande moet onderstrepen. Men vindt het in rituele
gebruiken, zowel kerkelijke (bijv. ‘Amen’ als goedkeurende uitroep
van de gemeente na een gebedstekst van de voorganger) als wereldlijke (bijv.
‘Leve de Koningin!’ na de troonrede). De acclamatie is
vergelijkbaar met sommige vormen van de
beurtzang in het
kerklied.
LIT: Shipley. [G.J. Vis]
| |
acconsonantie zie
medeklinkerrijm
| |
acconsonerend rijm zie
medeklinkerrijm
| |
accumulatio
Stijlfiguur bestaande uit het twee- of meerledig naast elkaar
plaatsen van verwante noties, bijv. ‘eten en drinken’ als
uitsplitsing van ‘voedsel’. Soms nadert de accumulatio de
tautologie, zoals in ‘Hij sprak en
zeide’ (
G. Gossaert.
Experimenten, 1911, p. 162). Behalve substantieven en
werkwoorden kunnen ook adjectieven in de accumulatio als bestanddelen fungeren,
bijv. in de versregel ‘Wanneer we aan 't hoogst, het grootst, 't
volmaakste wezen denken’ (
J. Kinker. Gedichten
dl. 1, 1819, p. 66). Het laatste voorbeeld grenst aan de
enumeratio. Het verschil is gelegen in het
feit dat de accumulatio een meerledige omschrijving is van een overkoepelend
begrip. In dit opzicht is de accumulatio verwant aan de
perifrase en aan de
amplificatio. De accumulatio kan de vorm
aannemen van een
coacervatio.
LIT: Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; HWR; Lausberg; Metzler; Morier;
Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
acefalisch vers
Term uit de prosodie ter aanduiding van een verschijnsel op het
gebied van het
ritme van een
vers-1. Het betreft een metrische regel
waarvan de eerste syllabe ontbreekt of als ontbrekend kan worden ervaren.
Bekend bij classici is de tweede versregel van boek XXIII van de
Ilias van
Homerus, die niet begint met een te
verwachten
dactylus (-~~) maar met twee dalingen (~~). In
de Nederlandse literatuur zijn deze gevallen zeldzaam. Maar in het
polymetrische (polymetrie) gedicht ‘De
kreupele’ van
Nijhoff, met
stijgend metrum in de eerste acht verzen,
vertoont vs. 9 ineens een patroon zonder aanvangsdaling(en). Volgend op het
schema ~(~)-/~(~)-/~(~)-/ van de vss. 1-8 begint vs. 9 onverwacht met een
heffing: Búitên hêt
vènstêrtjê vòerên (M. Nijhoff. VG, 1974,
p. 519).
In de
forma formata vanuit vs. 9 gezien is dit een
acefalisch vers. In principe gebeurt hier hetzelfde als bij een regel die
catalectisch is, maar nu niet aan het eind
van de regel, maar aan het begin.
Afhankelijk van de instelling van de lezer kan een acefalisch vers
soms ervaren worden als een vorm van
arritmie.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Myers/Simms; Preminger;
Wilpert. [G.J. Vis]
| |
achronie
Afwijking van de
chronologische vertelwijze. Deze afwijking
is niet nauwkeurig vast te stellen in duur of richting (toekomst of verleden),
bijv. omdat er binnen
retroversie (terugverwijzing)
anticipatie-1 (toekomstverwijzing)
aangetroffen wordt, zodat het moeilijk te bepalen wordt hoe deze
verhaalelementen zich verhouden tot de chronologie van het vertelde. Wanneer
bijv. binnen een chronologisch verteld verhaal de mededeling gedaan wordt:
‘Toen wij met vakantie in Frankrijk waren, spraken we af om te gaan
verhuizen’, dan is er sprake van een toekomstverwijzing binnen een
retrospectief geformuleerde mededeling, waarvan niet nauwkeurig is vast te
stellen hoe deze zich tot het ‘heden’ verhoudt.
LIT: Bal; Gorp; Herman/Vervaeck; Prince; G. Genette.
Tijdsaspecten in de roman (1979). [G.J. van Bork]
| |
acrostichon, lettervers, naamdicht of
naamvers
Oorspronkelijk magisch geladen dichtvorm, waarbij de beginletters
van versregels, strofen of boeken doorgaans een persoonsnaam vormen, soms ook
het abc, een woord of een tekst. De naam kan de naam zijn van degene aan wie
het gedicht werd opgedragen (destinataris), zoals het
geval is met Der vrouwen heimlicheid (ca. 1350) en het
Wilhelmus, waarvan de beginletters van de strofen WILLEM
VAN NASSOV vormen. Het kan ook de naam van de auteur zijn, zoals gebruikelijk
in de literatuur van de
rederijkers, met name bij
Anthonis de Roovere. In Van den
vos Reynaerde maakt Willem zich door middel van een acrostichon aan
het slot van de tekst als auteur bekend.
‘De geest van het Spanderswoud’ is een acrostichon van
Gerrit Komrij met zijn eigen naam als
beginletters (G. Komrij. Alle gedichten tot gisteren,
1994, p. 134).
Bijzondere vormen van het acrostichon zijn het
abecedarium, het
acroteleuton, het
mesostichon en het
telestichon.
LIT: Baldick; Bantel; Best; Brongers; Buddingh'; Cuddon;
Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Laan; LdMA; Lodewick; Metzler; MEW; Morier;
Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert; M. van Doorn en W. Kuiper. ‘Der
vrouwen heimlicheid’, in: Spektator 6 (1976-1977), p. 539-551;
Drs. P. Dartelen met versvormen (1977)p. 17; F. Willaert. ‘Vier
acrostichons in het Haagse Liederhandschrift’, in: 't Ondersoeck
leert (1986), p. 93-104. [W. Kuiper]
| |
acroteleuton
Combinatie van een
acrostichon en een
telestichon: de beginletters van de regels
leveren van boven naar beneden gelezen hetzelfde woord op als van beneden naar
boven gelezen.
LIT: Best; Gorp; LdMA; Metzler; Wilpert. [W. Kuiper]
| | | |
actant
Term uit de verteltheorie, waarmee een klasse van
acteurs wordt aangeduid, die allen dezelfde
relatie onderhouden met het streven dat de kern vormt van een verhaal. Een
belangrijke relatie is bijv. die van een acteur tot een na te streven doel.
Daarmee zijn twee klassen gegeven: die van de subject-actant (acteur) en die
van de object-actant (doel). Zo wil bijv. Max Havelaar bekend maken welke
misdaden er in naam van de Koning in Indië worden bedreven. Havelaar is
subject-actant en het bekendmaken van de misdaden die in Indië worden
begaan is object-actant in
Multatuli's boek.
LIT: Bal; Baldick; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Herman/Vervaeck;
Prince. [G.J. van Bork]
| |
acteur
Toneelspeler of vertolker van een der personages uit een
toneelspel-1. Bij overdracht wordt de term
acteur gebruikt in de
verteltheorie voor een instantie die in een
verhalende tekst een handeling verricht. In deze betekenis is de acteur niet
noodzakelijk een mens.
LIT: Bal; Gorp Prince; Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
actie-eenheid
Term uit de drama-analyse voor een groep
actiemomenten die het handelingsverloop
markeren, doordat ze gezamenlijk verwijzen naar één bepaald punt
in het drama, nl. het
handelingsaspect. Men zou de actie-eenheid
kunnen beschouwen als een
motief van het drama dat bijdraagt tot de
plot of het verloopsplan.
LIT: J.I.M. van der Kun. Handelingsaspecten in het drama
(19722). [G.J. van Bork]
| |
actiemoment of handelingsmoment
Term uit de drama-analyse voor een
speelhandeling die uitwijst naar een
handelingsaspect en daardoor
verantwoordelijk is voor een bepaalde emotie bij publiek of lezer. Dat kan
gebeuren doordat het actiemoment uitwijst naar een punt dat gevreesd wordt, of
juist naar een punt waarop wordt gehoopt. Wanneer bijv. aan het begin van een
drama zich een handeling voltrekt die vooruitwijst naar de ondergang van
één van de personages, dan wekt dat een bepaalde spanning. Die
handeling is dan een actiemoment en de ondergang van het personage het
handelingsaspect.
Men onderscheidt vijf typen actiemomenten: actiemomenten met een
prospectief aspect; actiemomenten met een
retrospectief aspect; actiemomenten die
verwijzen naar een gelijktijdig op het toneel zichtbaar gebeuren, of naar een
voor de toeschouwers onzichtbaar gebeuren omdat het zich achter het toneel
voltrekt, beide
simultaanaspect genoemd; en tenslotte de
speelhandeling die verwijst naar de (bekende of bekend veronderstelde)
achtergrond van het handelingsverloop, het zgn.
wereldbeeldaspect.
LIT: J.I.M. van der Kun. Handelingsaspecten in het drama
(19722). [G.J. van Bork]
| | | |
ad fontes
‘Naar de bronnen!’ Het motto waaronder de
laatmiddeleeuwse humanisten systematisch op zoek gingen naar oude handschriften
met daarin de oorspronkelijke, d.w.z. niet gecompileerde en door
transmissiefouten gecorrumpeerde teksten van
de klassieke auteurs om zo te komen tot een wetenschappelijk verantwoorde
studie van zowel de klassieke literatuur als de bijbel. De handschriften die de
voor de humanisten waardevolle, niet-bewerkte teksten bevatten, stammen uit de
tijd van
Karel de Grote, de 8e en 9e eeuw.
De moderne
filologie huldigt dit streven onverkort. De
overleveringsgeschiedenis van Middelnederlandse, 16e- en 17e-eeuwse literatuur
is doorgaans zo gecompliceerd en zo vol lacunes, dat het bestuderen van de
bron(nen) waarin de tekst is overgeleverd
(codicologie,
manuscriptologie,
analytische bibliografie) een absolute
noodzaak is voor een beter begrip van de tekst.
LIT: W.Gs Hellinga en P.J.H. Vermeeren. ‘Codicologie en
filologie’, in: SpL 5 (1961), 10 (1966-1967); P.J. Verkruijsse.
Mattheus Smallegange (1624-1710) (1983); W. Kuiper. Die riddere
metten witten scilde (1989); J.B. van der Have. Roman der Lorreinen: de
fragmenten en het geheel (1990). [W. Kuiper]
| |
ad spectatores
Rechtstreeks tot de toeschouwers gerichte
monoloog met het doel de handeling of de
zedeles uit het toneelstuk toe te lichten. Zowel het begin van de
proloog van
Hoofts Warenar
(1617) als het door Miltheyt uitgesproken slot van deze proloog kunnen als
voorbeelden gelden.
LIT: Best; Gorp; Lausberg; Metzler; MEW; Wilpert; J. Jansen,
‘‘Ghy Amsterdammer burgers..., ick ben u mee poortres’; de
aangesproken toeschouwers van de ‘Warenar’’, in: TNTL
106 (1990), p. 287-290. [G.J. van Bork]
| |
ad usum delphini
Gekuiste teksteditie. Letterlijk betekent het: ten gebruike van de
Dauphin, nl. de zoon van Lodewijk XIV, voor wie
J.B. Bossuet en
P.D. Huet als diens leermeesters
speciale (gekuiste) edities van Latijnse auteurs vervaardigden.
LIT: Best; Brongers; Hiller; Metzler; MEW. [P.J. Verkruijsse]
| |
adagium of proverbium
(Neo)latijn voor spreuk met een filosofische of morele inhoud. Al
in de Middeleeuwen werden er spreukenverzamelingen aangelegd. Voorbeelden
hiervan zijn te vinden in het Nederrijns moraalboek (ca.
1270), dat onder meer een verzameling spreuken in proza bevat of in het
handschrift-Van Hulthem (ca. 1410), een
verzamelhandschrift waarin een aantal aan
Salomo toegeschreven
rijmspreuken staat.
Erasmus (1466/69-1536) publiceerde zijn
eerste bundel van 800 adagia onder de gelijknamige titel, met het doel de
mensen te confronteren met oude wijsheden ontleend aan klassieke auteurs, de
bijbel en de kerkvaders. In 1533 waren de Adagia
uitgegroeid tot ruim 4000 van commentaar voorziene spreuken en spreekwoorden.
Sommige van Erasmus' adagia bevatten felle aanvallen op misstanden in kerk en
maatschappij.
De term adagium heeft in de loop der tijden een begripsverruiming
ondergaan en is vrijwel synoniem geworden aan
adagium: een spreekwoord of gezegde in het
algemeen. Dit blijkt ook uit het feit dat Erasmus uitspraken van klassieke
auteurs vergeleek met spreekwoorden uit zijn eigen tijd.
Vergelijkbaar met het adagium is de
parabel, de vergelijking.
LIT: Cuddon; Laan; Metzler; M. Mann-Philips. The Adages of
Erasmus (1964); S.W. Bijl. Erasmus in het Nederlands tot 1617
(1978), p. 179-186; J. Reynaert. ‘Alderhande proverbien vanden wisen
Salomone’, in: H. van Dijk, W.P. Gerritsen, O.S.H. Lie (red.). Klein
kapitaal uit het handschrift-Van Hulthem (1992), p. 153-163. [H.
Struik]
| |
adaptatie
Aanpassing of
bewerking van een literair werk om het
geschikt te maken voor een ander medium en/of ander publiek dan waarvoor het
oorspronkelijk bedoeld is. Zo werd De donkere kamer van
Damocles (1958) van
W.F. Hermans door
Fons Rademakers bewerkt tot het filmscript
van Als twee druppels water, en werd Van oude
menschen, de dingen die voorbij gaan van
Louis Couperus door
W. van der Kamp bewerkt voor
televisie.
LIT: Best; Gorp; Metzler; MEW; Wilpert; Scenarium 4 (1980).
[G.J. van Bork]
| |
addenda
‘Wat toegevoegd moet worden’. Bemerkte een auteur
tijdens of na het drukken van zijn tekst dat hij iets vergeten was, dan kon hij
aan het slot van het
voorwerk of aan het eind van het boek de
ontbrekende tekst laten afdrukken onder het kopje ‘addendum’ (of
‘addenda’). Op dezelfde manier kon een
zetfout hersteld worden door middel van een
lijstje corrigenda of
errata. Omdat in een latere druk addenda en
corrigenda verwerkt kunnen worden en vaak ook daadwerkelijk werden, is het
voorkomen ervan een aanwijzing voor een eerste of oorspronkelijke druk. Een
voorbeeld van ‘Corrigenda en addenda’ kan men aantreffen in de
editie van De briefwisseling van Pieter Corneliszoon
Hooft (ed.
Van Tricht, dl. III, 1979, p. 838).
LIT: BDI; Brongers; Cuddon; Hiller; Scott; Wilpert. [W.
Kuiper/P.J. Verkruijsse]
| |
adiectio
Term uit de retorica die een toevoeging aan een geheel aangeeft,
hetzij kwantitatief, hetzij intensief. Naast de
detractio,
transmutatio en
immutatio is de adiectio één
van de vier wijzigingsmogelijkheden binnen de
dispositio. De toevoeging aan een rede of
gedeelte daarvan kan uiteenlopen van een klank aan een woord tot een nieuw idee
aan de rede in zijn totaliteit. De toevoeging kan vooraan gebeuren (prothesis), er tussenin (epenthesis) of
achteraan (paragoge). De intensiverende adiectio vindt
plaats d.m.v.
amplificatio.
Als paragogische adiectio zou men kunnen zien de toevoeging van
een nieuwe slotstrofe in het handschrift van
Hoofts ‘Chanson a Madame’.
Daardoor verandert de hele strekking van het gedicht (vgl. Uit Hoofts
lyriek, ed.
Zaalberg, 19754, p. 19-21).
LIT: Gorp; Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| |
adieu-lied
Lied of gedicht waarin het afscheid van het leven, familie,
vrienden, bezittingen of vaderland bezongen wordt, bijv. Den langhen
adieu van de 16e-eeuwse rederijker
Eduard de Dene, of het lied ‘Van
proper Janneken’ uit het Antwerps Liedboek met als refrein:
Adieu schoon Janneken, tot op een wederkeren
Adieu, ic vare na 't Roomsche lant.
(Een schoon liedekens-boeck, ed. Hellinga, 1968, p.
86-87).
Een ander voorbeeld is het ‘Afscheit van Amsterdam’
(1649) van
Reyer Anslo (Poëzy,
1713).
LIT: Laan; L. van Biervliet. ‘Historielied van vrou Marie
van Bourgoengien: bij een vijfhonderdste verjaardag’, in: Biekorf
82 (1982) 3, p. 242-252. [W. Kuiper]
| |
adiunctio
Term uit de retorica voor de verbinding van twee of meer
woordgroepen, bestaande uit meer dan twee woorden, en één
gezegde. Bijv.: Ik verwacht alles van zijn goedgeefsheid, niets van mijn
zuinigheid en veel van haar mildheid.
LIT: Dupriez-1; Dupriez-2; HWR; Lausberg; Metzler. [P.J.
Verkruijsse]
| |
adonius versus
Term uit de prosodie ter aanduiding van een korte metrische
versregel uit de Klassieke Oudheid met twee heffingen. Dit dipodisch (dipodie) vers werd gebruikt als slotregel van de
sapfische strofe. De adonius komt ook voor
als onderdeel van een langere regel, bijv. als het tweevoetige slot van de
hexameter, waar het
finale adonius heet.
Als voorbeeld van het eerste geval zie men de vierde regel van de
volgende strofe uit het gedicht ‘Gedachten’ uit 1785:
o Hemelschepper, Aerdformérer
Bootsérer van het menschlijk beeld,
Waerin het uwe, o Alregerer!
(J. Kinker. Belgische gezangen, 1785, p. 70).
LIT: Cuddon; Gorp; Metzler; Myers/Simms; Preminger; Shipley;
Wilpert. [G.J. Vis]
| |
adversaria
Mengelwerk, soms gebruikt in titels van tijdschriften zoals de
Bibliographische adversaria.
LIT: Best; Brongers; Cuddon; Hiller; Wilpert. [P.J.
Verkruijsse]
| |
adynaton
Stijlfiguur die gezien kan worden als een onderdeel van de
perifrase. Het is een sterk overdreven
omschrijving (hyperbool) van iets wat praktisch
onmogelijk geacht wordt. In plaats van ‘Nooit zal dat gebeuren’
geeft men een omschrijving van ‘nooit’ in de vorm van bijv.
‘Ik mag hangen als’ enz.
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; HWR;
Metzler; Myers/Simms; Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
aemulatio
Term uit de retorica voor het trachten te evenaren of te
overtreffen van een bewonderd voorbeeld via creatieve
imitatio (vrije navolging of
bewerking). Aemulatio dient meer gezien te
worden als een bijzondere vorm van imitatio dan als de slotfase in de - in de
literatuurwetenschap vaak veronderstelde - ontwikkeling van
translatio via imitatio naar aemulatio. De
literaire competitie kon gewonnen worden door de klassieke voorbeelden van een
nationale of christelijke strekking te voorzien. Zo is bijv.
Vondels Jeptha
(1659) een imitatio van het Neolatijnse stuk Jephtes sive
votum (1554) van
G. Buchanan, dat op zijn beurt een
verchristelijkte imitatio, dus aemulatio, was van
Euripides' Iphigeneia in
Aulis.
Vondels Gysbreght van
Aemstel (1637) is een aemulatio van
Vergilius'
Aeneïs, dat op zijn beurt een aemulatio is van
Homerus: een verchristelijkend element is
de situering van het stuk in de kerstnacht en het is ‘nae 's Landts
ghelegentheyt verduytscht’.
LIT: Gorp; HWR; Lausberg; Metzler; J.D.P. Warners.
‘Translatio - imitatio - aemulatio’, in: NTg 49(1956), p.
289-295; 50(1957), p. 82-88, 193-201. [P.J. Verkruijsse]
| |
Aernoutsbroeders
Laatmiddeleeuwse benaming voor aan lager wal geraakte mensen
zonder vaste woon- of verblijfplaats, rondtrekkend proletariaat, zwervers en
landlopers. In de
iconografie zijn de Aernoutsbroeders
herkenbaar aan de netten die zij dragen, vandaar het synoniem nettenboeven. De
benaming ‘varende luyden’ is van deze eeuw. De Aernoutsbroeders
moeten niet verward worden met andere rondtrekkende middeleeuwers als
vaganten of Goliarden. Als gevolg van de
verslechterende economie in de 15e en 16e eeuw ontstond er in de steden een
armoedeprobleem dat de burgerij boven het hoofd groeide. Onder invloed hiervan
werden er binnen en door de burgerij teksten geschreven, waarin gesuggereerd
werd dat de betrokkenen hun armoede volledig aan zichzelf te wijten hadden, of
waarin hun zwervend bestaan als een bewuste keuze werd voorgesteld. Deze
teksten hebben vaak segregatie of deportatie tot onderwerp: allen die overbodig
zijn of niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien, worden opgeroepen
zich te verzamelen op het schip van sinte Heb-niet of sinte Rein-uut of een
wagen (‘Vanden langhen wagen met zijn lichte vracht’) om weggevoerd
te worden dan wel zich ergens heen te begeven (‘Van dat Luye
leckerlant’). Een aantal van deze teksten bleef bewaard in de 16e-eeuwse
bundel Veelderhande geneuchlijcke dichten, tafelspelen ende
refereynen (ed. Mij. van Ned. Letterk., 1971).
LIT: Laan; V. de Meyere en L. Baekelmans. Het boek der rabauwen
en naaktridders (1914); D.Th. Enklaar. Varende luyden. Studiën over
de middeleeuwse groepen van onmaatschappelijken in de Nederlanden (1956);
J.E. Spruit. Van vedelaars, trommers en pijpers (1969); H. Pleij. Het
gilde van de Blauwe Schuit. Literatuur, volksfeest en burgermoraal in de late
Middeleeuwen (19832). [W. Kuiper]
| |
afbijtsel
Druktechnische term voor een
drukfout, veroorzaakt door het verschuiven
van het frisket waardoor een gedeelte van het zetsel niet via de in het frisket
uitgespaarde openingen wordt afgedrukt, of door het onzorgvuldig inleggen van
een
vel papier waardoor een deel van het vel
dubbelslaat. In het laatste geval hoeft niet altijd tekstverlies te ontstaan,
als het omgevouwen gedeelte tenminste niet te groot is en als het bij het
snijden en binden omgevouwen blijft.
LIT: W.Gs Hellinga. Kopij en druk in de Nederlanden (1962),
p. 152-154. [P.J. Verkruijsse]
| | | |
affective fallacy
Term afkomstig van
W.K. Wymsatt Jr. en
M.C. Beardsley voor de door hen als
foutief aangemerkte handelwijze om als criticus een literair werk te waarderen
in termen van het effect ervan op de lezer. Het door beiden gepropageerde
alternatief is de
close reading zoals bijv. ontwikkeld in de
New Criticism (autonomiebewegingen), die een
ergocentrische werkwijze voorstond met
aandacht voor de formele kenmerken van de tekst als uitgangspunt voor
waardering.
Een voorbeeld van affective fallacy in de Nederlandse letterkunde
is de zogenaamde impressionistische literatuurkritiek zoals die, onder invloed
van de Tachtigers, in de eerste helft van de 20e eeuw beoefend is. Een
tegengestelde benaderingswijze vindt men in de autonomistische aanpak van het
naoorlogse tijdschrift Merlyn (1962-1966), waarvan redacteur
K. Fens zich op het standpunt stelde dat
men zich als criticus dient te richten op de tekst van het werk, los van de
mogelijke indrukken die het werk op lezers kan maken. In de academische wereld
is dit principe op vergelijkbare wijze te vinden bij
W.Gs Hellinga en zijn leerling
F. Lulofs (‘de Amsterdamse
school’), met hun stilistiek op linguïstische grondslag.
Binnen het kader van het chronologische proces van productie tot
receptie (auteur-tekst-lezer) zou men als keerzijde van de affective fallacy de
intentional fallacy kunnen beschouwen; deze
gaat uit van de
auteursintentie. Uiteraard is de intentional
fallacy niet minder tegengesteld aan de close reading dan de affective fallacy,
omdat beide niet de tekst centraal stellen maar een buitentekstuele
instantie.
Reeds in de Oudheid vindt men voorbeelden van een soortgelijke
problematiek. Met enige voorzichtigheid kan men zeggen dat bijv.
Aristoteles' begrip
‘catharsis’ en het begrip ‘vervoering’ van
Longinus verwant zijn aan de affective
fallacy.
Het begrip speelt een belangrijke rol in de
receptie-esthetica voor zover deze
geïnteresseerd is in (subjectieve) lezersreacties.
LIT: Abrams; Baldick; Buddingh'; Cuddon; Fowler; Gorp;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley. [G.J. Vis]
| |
afgesloten bibliografie
Een als afgerond geheel verschenen
bibliografie, die in tegenstelling tot een
lopende bibliografie, niet bedoeld is om
voortgezet te worden. Wel kunnen na verloop van tijd elders (bijv. in artikelen
in tijdschriften) aanvullingen gepubliceerd worden. Zo zijn op de in principe
afgesloten Bibliographie van Vondels werken (1888) door
J.H.W. Unger op tal van plaatsen
correcties en aanvullingen verschenen, variërend van jaarverslagen van het
Vondel-Museum tot voetnoten bij tijdschriftartikelen en de rubriek
‘Aanvullingen op ..’ in het tijdschrift Dokumentaal.
LIT: BDI; B. van Selm. ‘Het registreren van aanvullingen op
bibliografieën’, in: Dokumentaal 5 (1976), p. 26-29; A.O.
Kouwenhoven (red.). Handboek bibliografie (1995), p. 68. [P.J.
Verkruijsse]
| |
afkorting
Verkorte schrijfwijze of uitspraak van één of meer
woorden: bijv., d.m.v., i.t.t., e.v., a.w., aso, bobo, depri enz. In
Middelnederlandse handschriften en incunabelen gebruikt om schrijfmateriaal te
besparen (abbreviatuur), tegenwoordig vnl. een kwestie
van gemakzucht, in advertenties van zuinigheid. Veel afk. maken een tekst
z.g.a. onleesbaar, terwijl ze nauwelijks ruimtebesparend zijn. Het gebruik van
afgekorte woorden kan eveneens zijn oorzaak hebben in het taboe dat rust op het
uitspreken van het woord (zoals k voor kanker), in het gebruik van vakjargon
(lab., U.B.) of om zich sociaal te profileren (turbotaal).
LIT: BDI; Dupriez-1; Dupriez-2; Hiller; Metzler; H.J. Boef.
Afkortingenlijst van de Nederlandse taal (1989). [W. Kuiper]
| |
aflevering of fascikel
Eén of meer katernen van een boek, serie of tijdschrift,
die niet afzonderlijk de status van een boek, band of deel bezitten. Doorgaans
worden afleveringen doorgepagineerd omdat ze later samen met andere
afleveringen in één band worden gebonden. Bij het binden werden
vaak de omslagen met de bibliografische gegevens (uitgever, jaar van
publicatie) verwijderd zodat later de publicatiegeschiedenis moeilijk is vast
te stellen. Het publiceren in afleveringen veronderstelt een systeem van
intekening of abonnement. In Nederland zijn de vroegste sporen daarvan terug te
vinden in de tweede helft van de zeventiende eeuw. Een voorbeeld van een werk
dat gedurende een lange periode in honderden afleveringen verschijnt, is het
Woordenboek der Nederlandsche taal.
LIT: BDI; Brongers; Hiller. [G.J. van Bork/P.J. Verkruijsse]
| | | |
aforisme
Term uit de genreleer voor een korte, heldere, puntige zin (vgl.
zinspreuk-1) in proza. Kenmerkend is
originaliteit van gedachte en uitwerking, en een verrassend effect. Gewoonlijk
behelst het aforisme een inval of plotselinge verheldering, gebaseerd op een
persoonlijke ervaring die tegelijk een algemeen menselijke kant heeft en tot
nadenken stemt.
Men dient een onderscheid te maken tussen het aforisme als
genrebewuste creatie en teksten of tekstelementen die later de status van
aforisme krijgen toebedeeld. Voorbeelden zijn: ‘Hetgeen er geweest is,
hetzelve zal er zijn, en hetgeen er gedaan is, hetzelve zal er gedaan worden;
zodat er niets nieuws is onder de zon.’ (Prediker 1:9) en
‘Roest rust niet’ (
L.P.Boon.
Boon-apartjes, ed.
De Ley, 1971, p. 49).
Geliefde stijlmiddelen zijn
antithese,
paradox,
understatement,
dubbelzinnigheid,
humor,
ironie en
sarcasme. Enkele bundels:
E. van der Steen.
Alfabetises (1956); Aan de haak
(ed.
De Sneeuw en
De Ley, 1972);
Koraalklippen (ed.
De Sneeuw, 1972);
J.A. Emmens. Gedichten en
aforismen (VW, dl. 1, 1980);
H. van Naarden.
Aforismen (1985).
Het aforisme is verwant aan
gnome-2,
maxime en
sententia.
LIT: Baldick; Bantel; Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Scott; G. de Ley. Aforistisch bestek (1976); G. Neumann
(ed.). Der Aphorismus (1976); J.J. Oversteegen. Beperkingen
(1982), p. 123-168. [G.J. Vis]
| | | |
afschrijven-1
Benaming voor het kopieerproces waarmee in de periode voor de
uitvinding van de boekdrukkunst boeken (codex)
vermenigvuldigd werden. Het afschrijven van boeken werd uitgevoerd door een
kopiist of afschrijver. Vaak waren dit
beroepsschrijvers die soms zelfs in groepsverband werkten (bijv. bij het
afschrijven van de Lancelot-compilatie).
De kopiist maakte bij het afschrijven gebruik van een
voorbeeldhandschrift (legger) dat hij letterlijk
overnam. Soms echter veranderde de kopiist naar eigen inzicht passages in de
tekst, bijv. omdat de legger onvolledig was, hij deze niet begreep of omdat hij
de tekst onjuist, onverantwoord of slecht vond. Ook was het mogelijk dat de
kopiist tijdens het afschrijven fouten (continueringsfout,
dicteerfout) maakte, waardoor zijn tekst
ging afwijken van de legger. Als meer handschriften van een bepaalde codex
overgeleverd zijn, is het mogelijk om de
tekstgenese van het werk te reconstrueren in
een stamboon of
stemma door vergelijking van de
overeenkomsten en verschillen in de teksten.
Vrijwel het hele middeleeuwse boekenbestand is overgeleverd als
afschrift (apograaf). Boeken die door de
auteur zelf geschreven zijn (autograaf), zijn uiterst zeldzaam.
LIT: BDI; A.M. Duinhoven. Bijdragen tot reconstructie van de
Karel ende Elegast I (1975); M. Draak. De Middelnederlandse vertalingen
van de proza-Lancelot (19772), p. 37-40; Th. Glorieux-De Gand.
Het woord van de kopiist; colofons van gedateerde handschriften (1991);
J.W. Klein, in: B. Besamusca en A. Postma. De Middelnederlandse vertaling
van de Lancelot en prose overgeleverd in de Lancelotcompilatie. Pars 1 (vs.
1-5530) voorafgegaan door de verzen van het Brusselse fragment (1993). [H.
Struik]
| |
afschrijven-2 zie
liniëren
| | | |
agnitio of anagnorisis
Term uit de poëtica van
Aristoteles die aangeeft dat een
personage tot inzicht komt in de aard van de situatie waarin hij zich bevindt.
Dit veroorzaakt vaak de beslissende wending, de
peripetie. In zijn ‘Berecht’
voor Jeptha (1659; WB-ed., dl. 8, 1935, p. 775) geeft
Vondel aan hoe Filopaie en Jeptha beiden
te laat tot inzicht komen: de moeder verneemt het ongeluk van haar dochter; de
vader ziet in dat hij zijn dochter Ifis niet had moeten offeren.
LIT: Abrams; Baldick; Gorp; Metzler; Myers/Simms; Wilpert. [P.J.
Verkruijsse]
| |
aksant of accentletter
Term uit de typografie voor een
letter gecombineerd met een accentteken
(ä, á, à, â enz.). De meest voorkomende combinaties
behoren standaard tot een
letterpolis. Daarnaast bestaat de
mogelijkheid om van zgn. gecréneerde of overhangende letters gebruik te
maken. Dat zijn letters en losse accenttekens die over het letterstaafje heen
hangen en die, naast elkaar gezet, de gewenste letter met accent opleveren.
LIT: Ph. Gaskell. A new introduction to bibliography
(19742), p. 30-32; F.A. Janssen. Zetten en drukken in de 18e
eeuw (19862), p. 121-124; H. van Krimpen. Boek over het maken
van boeken (19862), p. 35. [P.J. Verkruijsse]
| |
akte-1
Een geschrift, opgemaakt om als rechtsgeldig bewijs van het daarin
vermelde te dienen. Zo spreekt men van een geboorte-, overlijdens-, koopakte
enz. Een in plechtige vorm opgestelde akte is een
oorkonde.
De naam die sommige mensen, onder wie letterkundigen, voeren,
wijkt soms af van die in de officiële geboorte-akte. Zo heeft
A.L.G. Bosboom-Toussaint haar naam
altijd met ss gespeld, terwijl de akte Tousaint met één
s heeft.
LIT: BDI; Ned. Arch.-term. [P.J. Verkruijsse]
| | | |
alba
Uit de Zuid-Franse hoofse liefdeslyriek afkomstig subgenre, waarin
bezongen wordt hoe gelieven tot hun spijt zien dat de dag aanbreekt (dageraadslied) en zij moeten scheiden, omdat hun samenzijn
geheim moet blijven. Vaak is het de wachter die met zijn geroep de dag
aankondigt, vandaar ook de benaming
wachterlied.
Een 14e-eeuws Middelnederlands voorbeeld van een alba is het 72e
Gruuthuse-lied, waarvan de eerste strofe luidt:
So wie bi lieve in rusten leit,
van niders clappen onbedwonghen,
hi mach wel zinghen vroilicheit,
tote dat de wachter heift ghesonghen:
‘Staet up, het's dach!’ ‘O wi, o
wach!’,
met handen vast ghewronghen
(ed. Heeroma en Lindenburg, 1966, p. 383-384)
Hoewel de alba etymologisch identiek is aan de
aubade is er literair-historisch een
diametraal verschil in betekenis. In de aubade wordt de ochtend begroet, in de
alba wordt hij verwenst.
LIT: Buddingh; Gorp; LdMA; Metzler; Myers/Simms; Preminger;
Shipley; Wilpert; G. Kalff. Het lied in de Middeleeuwen (1884), p.
251-386; A.T. Hatto (ed.). Eos. An enquiry into the theme of lovers meetings
and partings at dawn in poetry (1965); P. King. Dawn poetry in the
Netherlands (1971); F.J. Saville. The medieval erotic alba, structure as
a meaning (1972); P. Dronke. The medieval lyric (1978); J. Houtsma.
‘Gelieven bij de dageraad in het Antwerps Liedboek’, in:
TNTL 95 (1979), p. 83-96; E. van Altena. Daar ik tot zang word
aangespoord (1987). [W. Kuiper]
| | | |
album academicum zie
album studiosorum
| |
album amicorum-1 of album
Vriendenboek, te vergelijken met het latere poëziealbum,
waarin gedichten en deviezen in verschillende talen, alsmede handtekeningen,
tekeningen, wapenschilden e.d. van vrienden werden verzameld. Het ontstaan van
het album amicorum - ook wel kortweg album genoemd - is door het veelvuldig
voorkomen van wapens wel verklaard uit de middeleeuwse wapenboeken, de
Stammbücher, die fungeerden als een soort paspoort voor de bezitter.
Waarschijnlijker is echter dat ze ontstaan zijn aan de protestantse
universiteit van Wittenberg. Vooral in de tweede helft van de 16e,
de eerste helft van de 17e en de tweede helft van de 18e eeuw zijn de alba
amicorum populair in academische kringen; in de 19e eeuw ontwikkelen de alba
zich meer tot poëziealbums, in gebruik bij dames. Cultuurhistorisch zijn
ze interessant omdat ze inzicht kunnen geven in de relaties tussen
verschillende personen en gegevens kunnen verschaffen over de
peregrinatio academica of de
grand tour. Tal van letterkundigen figureren
- vaak met oorspronkelijk dichtwerk - in alba amicorum. Zo vindt men bijv. in
het album van
Jacobus Heyblocq de auteurs
Anslo,
Asselijn,
Blasius,
Bruno,
Cats,
De Decker,
Joan Dullaert,
Focquenbroch,
Heinsius,
Huygens,
Revius,
Six van Chandelier,
Tengnagel,
Vondel,
Vos en
Zoet (vgl.
C. Wybe de Kruyter. ‘Jacobus
Heyblocq's album amicorum’, in: Quaerendo 6(1976), p.110-153).
LIT: Brongers; F.A. van Rappard. Overzigt eener verzameling
alba amicorum uit de XVIde en XVIIde eeuw (1856); A. Fiedler. Vom
Stammbuch zum Poesiealbum (1960); G. Angermann. Stammbücher und
Poesiealben als Spiegel ihrer Zeit (1971); C.L. Heesakkers & K.
Thomassen. Voorlopige lijst van alba amicorum uit de Nederlanden
vóór 1800 (1986); K. Thomassen (eindred.). Alba amicorum.
Vijf eeuwen vriendschap op papier gezet: het album amicorum en het
poëziealbum in de Nederlanden (1990). [P.J. Verkruijsse]
| |
album amicorum of album zie
liber amicorum
| |
album promotorum
Boek met de namen van diegenen die aan een bepaalde universiteit
of hogeschool gepromoveerd zijn. Als bron voor biografisch onderzoek kunnen de
alba promotorum van belang zijn. Verschillende alba zijn uitgegeven, zoals die
van Leiden over de periode 1636-1825 (1936), Franeker over de
jaren 1591-1811 (1972) en Utrecht over 1815-1936 (1963).
LIT: [P.J. Verkruijsse]
| |
album studiosorum of album academicum
Boek met de namen van alle studenten aan een bepaalde universiteit
of hogeschool met datum van inschrijving, studierichting enz. Als bron voor
biografisch onderzoek zijn alba studiosorum van groot belang. Verschillende
alba zijn ook uitgegeven, zoals die van Utrecht over de periode
1636-1886: Album studiosorum Academiae Rheno-Traiectina (1886), Leiden
over de jaren 1575-1875 en 1875-1925: Album studiosorum Academiae
Lugduno-Batavae (1875; 1925) en het Amsterdamse Atheneum Illustre
(1913).
LIT: [P.J. Verkruijsse]
| |
aldicht
Rederijkersgedicht waarin de versregels woord voor woord op elkaar
rijmen, bijv.
Voord, zijd, niet, moe: wild, my, saen, versinnen;
Hoord, zwijd, siet, toe: stild, wy, gaen, beghinnen.
(Matthijs Castelein. Const van rhetoriken, 1555, p.
229).
LIT: Gorp; MEW; S.A.P.J.H. Iansen. Verkenningen in Matthijs
Casteleins Const van rhetoriken (1971). [W. Kuiper]
| |
Alexanderroman
Verzamelnaam voor middeleeuwse romans die als hoofdpersoon
Alexander de Grote (356-323 v. Chr.)
hebben. Al tijdens zijn korte leven was Alexander het onderwerp van
legendevorming door de activiteiten van kroniekschrijvers en lofdichters. Kort
na zijn dood verschenen er verschillende biografieën die meer fictie dan
feiten bevatten.
De biografie die ten grondslag ligt aan de middeleeuwse
Alexanderromans, wordt toegeschreven aan
Callisthenes van
Alexandrië. Deze zogenaamde Pseudo Callisthenes
(± 300 v.Chr.) is in ca. 310 n.Chr. uit het Grieks in het Latijn
vertaald door
Julius Valerius. Rond 1130 vervaardigde
Alberic van Pisançon op basis van
een verkorte bewerking van
Valerius' vertaling een leven van
Alexander, geschreven in de vorm van een
chanson de geste. Deze tekst werd in de
tweede helft van de 12e eeuw gebruikt bij de totstandkoming van de
Roman d'Alexander. Dit werk is geschreven in
twaalflettergrepige versregels, die daaraan de naam
alexandrijn hebben ontleend.
Rond 1260 schreef
Jacob van Maerlant voor
Machtelt van Brabant
Alexanders geesten (ed.
Franck, 1882), waarbij hij zich niet op de
Oudfranse literaire traditie baseerde, maar op de universitaire, in het Latijn
geschreven Alexandreis (1180) van
Gautier de Châtillon.
Alexander de Grote genoot een grote
bekendheid gedurende de Middeleeuwen. Zijn dapperheid, zijn ondernemingszin en
zijn vrijgevigheid waren spreekwoordelijk. Tezamen met
Hector van Troje en
Julius Caesar vormde hij de heidense
trits van de
Negen Besten.
In de
historiebijbel(s) kreeg Alexander de Grote
een plaats tussen de (apocriefe) bijbelboeken Esther en
Maccabeeën.
In 1477 drukte
Gheraert Leeu de Historie van
Alexander, één van de eerste Nederlandstalige
gedrukte boeken.
LIT: LdMA; MEW; S.J. Hoogstra. Proza-bewerkingen van het leven
van Alexander den Groote in het Middelnederlandsch (1898); G. Cary. The
medieval Alexander (1956); C. Kneepkens en F.P. van Oostrom.
‘Maerlants Alexanders geesten en de Alexandreis: een
terreinverkenning’, in: NTg 69 (1976), p. 483-500; W.P. Gerritsen.
‘Gheraert Leeu's Historie van Alexander en handschrift Utrecht UB
1006’, in: Uit bibliotheektuin en informatieveld (1978), p.
139-163; K. de Graaf. Alexander de Grote in de Spiegel Historiael. Een
onderzoek naar de vertaaltechniek van Jacob van Maerlant (1983); L.J.
Engels. ‘Alexander de Grote’, in: W.P. Gerritsen & A.G. van
Melle (red.). Van Aiol tot Zwaanridder, Personages uit de middeleeuwse
verhaalkunst en hun voortleven in literatuur, theater en beeldende kunst
(1993), p. 19-30. [W. Kuiper/H. Struik]
| |
alexandrijn
Zesvoetige
jambe, veelal met een
diaeresis (pauze, syntactische grens) na de
derde versvoet, in de renaissance veelvuldig toegepast, bijv.
Het hemelsche gerecht heeft zich ten lange lesten
(J. van den Vondel. Gysbreght, vs. 1, WB-editie, dl. 3,
1929, p. 530).
De grondvorm is: ~-~-~-/~-~-~-(~). De naam is ontleend aan de
Franse Alexanderepiek uit de 12e eeuw, waarin de traditionele
decasyllabe vervangen werd door de
dodecasyllabe. Men kan de Griekse
trimeter zoals die in de tragedie voorkomt
reeds als voorloper ervan zien (grondvorm: ~-~-~/-~-~-~-). Hierbij dient te
worden opgemerkt dat de ritmische notatie, boven dit vers aangebracht, slechts
het metrische schema weergeeft en niet het feitelijke ritmische verloop (bijv.
de derde syllabe van ‘hemelsche’ is onbeklemtoond bij lezing
hardop; het heffingsteken geeft hier aan dat het een heffingsplaats is en niet
een beklemtoond uitgesproken syllabe).
LIT: Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer;
Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms;
Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; G.J. de Vries. ‘De alexandrijnen in
perspectief’, in: Hermeneus 17 (1985) 3, p. 130-140. [G.J.
Vis]
| |
alfabet
Opsomming in vaste (alfabetische) volgorde van de letters van een
schrift. Het Nederlandse alfabet is
gebaseerd op het Romeinse alfabet, dat op zijn beurt weer teruggaat op het
Griekse alfabet, waarvan het aan de eerste letters de naam ontleent (alpha,
bèta). Het middeleeuwse alfabet telde geen 26, maar 23 letters: de
‘i’ en de ‘j’ waren één en dezelfde,
evenals de ‘u’ en de ‘v’, terwijl de ‘w’
geen letter maar een
grafeem was, een schrijfwijze voor
‘uu’. Dit is belangrijk voor het doorzien van
‘geheimschrift’ of versleutelingen d.m.v. het verschuiven van
één letter zoals bijv. in het
explicit van Der vrouwen
heimlicheit (ed.
Blommaert, 1846): EXPLKCKT SFCRFTXM
MXLKFRXM. Daarnaast worden aan het slot van een alfabet of op het alfabet
geïnspireerd gedicht (abecedarium) abbreviaturen
(abbreviatuur) toegevoegd, soms twee, soms vier.
LIT: BDI; Brongers; Hiller; Marouzeau; Metzler; MEW; D. Diringer.
The story of the aleph beth (1958); B. Engelhart & J.W. Klein. 50
Eeuwen schrift (1988); M. van Doorn en W. Kuiper. ‘Der vrouwen
heimlicheid’, in: Spektator 6 (1976-1977), p. 539-551. [W.
Kuiper/P.J. Verkruijsse]
| |
alfabetisch schrift of fonografisch schrift
Een
schrift waarin één
schriftteken gewoonlijk staat voor één of meer fonemen
(‘spraakklanken’). Zo geeft het alfabetische (alfabet) teken ‘b’ altijd de spraakklank
‘b’ aan, maar kan bijvoorbeeld de ‘c’ uitgesproken
worden als ‘k’ of als ‘s’. Het alfabetisch schrift is
een uitvinding van de Grieken die aan het Semitische medeklinkerschrift tekens
voor klinkers hebben toegevoegd.
LIT: I.J. Gelb. A study of writing (19633); B.
Engelhart & J.W. Klein. 50 eeuwen schrift (19882). [P.J.
Verkruijsse]
| |
algemene literatuurwetenschap
De algemene literatuurwetenschap is traditioneel opgebouwd uit een
tweetal componenten: de
theoretische literatuurwetenschap en de
vergelijkende literatuurwetenschap. Van vrij
recente datum is een derde vakonderdeel dat onder de algemene
literatuurwetenschap wordt ondergebracht, maar in feite een ruimere
doelstelling heeft: de
tekstwetenschap.
Onder algemene literatuurwetenschap wordt verstaan de
systematische (universitaire) studie van literatuur en van literaire
communicatie, waarbij in principe geen rekening wordt gehouden met nationale of
culturele grenzen en gestreefd wordt naar algemene, universeel geldige
uitspraken over het verschijnsel literatuur in de meest brede zin. De beide
componenten, theoretische en vergelijkende literatuurwetenschap, moeten dan ook
niet gezien worden als aparte, van elkaar duidelijk te onderscheiden
deelgebieden, maar veeleer als elkaar aanvullende en van elkaar afhankelijke
terreinen van onderzoek. Wanneer immers naar algemene uitspraken wordt
gestreefd over literaire verschijnselen met een universeel karakter, ligt
vergelijking met of toetsing aan alle mogelijke (klassen van) teksten van
allerlei oorsprong voor de hand. Zo bezien is de vergelijkende
literatuurwetenschap een geïntegreerd onderdeel van de theoretische
literatuurwetenschap.
In de praktijk onderscheidt de aanduiding algemene
literatuurwetenschap zich niet van het gebruik van de term
literatuurwetenschap, wanneer het om de
inhoud van het vak gaat. Zo formuleren
Van Luxemburg e.a. in hun
Inleiding in de literatuurwetenschap (1981)
uitdrukkelijk: ‘Wanneer er in dit boek sprake is van
literatuurwetenschap, gaat het om algemene literatuurwetenschap’
(p. 17). Ook anderen geven de voorkeur aan de term literatuurwetenschap, hoewel
daarmee eigenlijk een ruimere inhoud wordt gedekt.
In het Academisch Statuut, waarin een nadere regeling wordt
gegeven van de Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs, wordt de term Algemene
Literatuurwetenschap (ALW) gebruikt ter aanduiding van een afzonderlijke
studierichting van die naam bij de verschillende letterenfaculteiten. Tot het
programma van de studierichting Algemene Literatuurwetenschap behoren doorgaans
de volgende onderdelen:
- Grondslagen van de literatuurwetenschap, in het bijzonder de
methodologische regels die de basis kunnen vormen voor het onderzoek.
- Relaties met andere wetenschapsgebieden, zoals algemene
taalwetenschap, sociologie, anthropologie, esthetica, geschiedwetenschap,
psychologie e.d.
- Theorie van de literatuurwetenschap, zoals algemene
theorieën over literatuur en theorieën op deelgebieden als
verteltheorie,
retorica,
poëtica, genreleer (genre),
analyse,
interpretatie,
hermeneutiek.
- Geschiedenis van de literatuurwetenschap.
- Bestudering van de literatuur en van bepaalde literaire
verschijnselen, nationaal en internationaal.
- Toegepaste literatuurwetenschap, d.w.z. het concrete gebruik van
literatuurwetenschappelijke methoden en resultaten, bijv. in onderwijs en
literaire kritiek.
LIT: Abrams; Fowler; Krywalsky; MEW; M. Wehrli. Allgemeine
Literaturwissenschaft (1951); F.C. Maatje. Literatuurwetenschap.
Grondslagen van een theorie van het literaire werk (1970); W.J.M. Bronzwaer
e.a. Tekstboek algemene literatuurwetenschap (1977); J. van Luxemburg
e.a. Inleiding in de literatuurwetenschap (1981). [G.J. van Bork]
| |
alinea
Gedeelte van een geschreven of gedrukte tekst, bestaande uit een
beperkt aantal (vol)zinnen die inhoudelijk nauw met elkaar samenhangen of
anderszins een geheel vormen. Een nieuwe alinea is herkenbaar aan het gegeven
dat er op een nieuwe regel begonnen wordt terwijl de vorige regel nog niet vol
is. Om misverstanden te voorkomen laat men in
kopij een alinea inspringen, maar ook in
typografie is deze gewoonte gebruikelijk. Een aantal alinea's tezamen vormen
een paragraaf of een hoofdstuk.
LIT: BDI; Best; Brongers; Hiller; J. Renkema. Schrijfwijzer
(1990), p. 57-60. [W. Kuiper]
| |
alleenspraak zie
monoloog
| |
allegorese
Het allegorisch (allegorie) verklaren van
een tekst die behalve letterlijk ook op een specifieke wijze figuurlijk geduid
moet worden. Kernprobleem bij de verklaring van bijbelse teksten (exegese) is de verhouding tussen de tekst en zijn verborgen
betekenis (zin). Behalve de letterlijke betekenis - er
staat wat er staat - onderscheidt men ook de figuurlijke of overdrachtelijke
betekenis: er staat niet wat er staat. Een tekst was op vier manieren te duiden
(quator sensus scriptorum): behalve met de letterlijke
en de allegorische betekenis (sensus litteralis en
sensus allegoricus-1), met de morele
betekenis (sensus moralis) en de betekenis in het licht
van uitersten (sensus anagogicus). Dergelijke
betekenistoekenningen zijn het onderzoeksterrein van de
hermeneutiek.
Vanaf de 5e eeuw werd de bijbel allegorisch geïnterpreteerd,
waarbij een bepaalde gebeurtenis uit het Oude Testament gezien wordt als een
voorafbeelding van een gebeurtenis in het Nieuwe Testament: Jona die door God
uit de walvis gered wordt (Jona 1, 17 en 2, 1-10), is een
voorafbeelding van Christus' herrijzenis.
De allegorische uitleg van bijbelteksten werd door de kerkvaders
vastgelegd in handboeken, die tot ver in de renaissance grote invloed zouden
hebben. Daarnaast kwam het gedurende de Middeleeuwen ook voor dat klassieke
auteurs als
Ovidius en
Vergilius allegorisch geduid werden.
LIT: Best; Gorp; HWR; LdMA; Metzler; Preminger; Wilpert; F. Ohly.
‘Vom geistigen Sinn des Wortes im Mittelalter’, in: Zeitschrift
für deutschen Altertum und deutsche Literatur 89 (1958), p. 1-23; H.
de Lubac. Exégèse médiévale. Les quatres sens de
l'écriture. 4 dln. (1959-1964); F. Ohly. Schriften zur
mittelalterlichen Bedeutungsforschung (1977), p. 1-31. [H. Struik]
| |
allegorie
Vorm van
beeldspraak, die een hele zin of meerdere
zinnen wordt volgehouden, in tegenstelling tot de
metafoor, waarbij één woord
door een beeld wordt vervangen. Wanneer de allegorische beeldspraak in het hele
werk wordt volgehouden, wordt ook het complete werk een allegorie genoemd. De
term kan dus zowel een stijlmiddel als een genre aanduiden. Het interpreteren
van een allegorie of van een allegorische tekst noemt men
allegorese.
In de Middeleeuwen ging men er bij de verklaring van vooral
bijbelteksten (exegese) vanuit, dat een tekst (met name
die uit het Oude Testament) een bredere betekenis dan de letterlijke kan hebben
(hermeneutiek,
sensus litteralis). Een voortdurend
strijdpunt daarbij was de vraag of alleen Gods woord deze meerduidigheid had of
dat mensen die ook konden bewerkstelligen. Het Oude Testament werd in ieder
geval beschouwd als een voorafspiegeling van het Nieuwe Testament (typologie) en de bijbel kent tal van passages (bijv. de
Apocalyps) en uitdrukkingen (bijv. het Lam Gods) die allegorisch
geïnterpreteerd kunnen of moeten worden (sensus
allegoricus).
Via de letterkunde uit de Klassieke Oudheid en de bijbelexegese
van de kerkvaders drong de allegorie als metafoor en als letterkundig genre
door in de middeleeuwse literatuur, aanvankelijk in het Latijn, maar vanaf de
13e eeuw ook in de volkstaal, bijv. Die Rose van
Hein van Aken (ed.
Verwijs, 1876). De allegorisering van de
klassieke mythologie werd steeds populairder en er ontstonden conventies in het
gebruik van allegorieën. Geliefde beelden met een allegorische betekenis
waren bijvoorbeeld de strijd om of de bestorming van een burcht, de jacht en
het schaakspel. Ook kregen planten en edelstenen een allegorische
betekenis.
Veel allegorieën maken gebruik van
personificatie van abstracte begrippen,
zoals (on)deugden, gedachten, karakters. Vaak hebben de personages zelfs
expliciet die begrippen als naam; bijv. Deuchdelijck Betrouwen en De Doot (in
Het Esbatement van den Appelboom (ed.
Meertens, 1965)).
De
rederijkers maakten veelvuldig gebruik van
allegorische personages (figura-1,
zinneken), met name in het drama (esbatement,
moraliteit,
spel van zinne), bijv. De spiegel
der salicheit van Elkerlijc (ed.
De Haan, 1979).
Ook na de Middeleeuwen wordt het genre nog beoefend; voorbeelden
zijn Scheepspraet (1625) van
Constantijn Huygens,
Vondels Palamedes
(1625) en
Harry Mulisch' De
Diamant (1954).
LIT: Abrams; Alphen; Baldick; Bantel; Best; Bronzwaer; Buddingh';
Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; HWR; Laan; Lausberg; LdMA;
Lodewick; Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley;
Wilpert; C.S. Lewis. The allegory of love (1936); A. Fletcher.
Allegory (1970); A.C. Spearing. Medieval dream poetry (1976); F.
Ohly. Schriften zur mittelalterlichen Bedeutungsforschung (1977); R.
Tuve. Allegorical imagery (1977); W. Haug (ed.). Formen und
Funktionen der Allegorie (1979); S. Brinkkemper & I. Soepnel. Apollo
en Christus (1979), p. 185-197; G.Kurz. Metapher, Allegorie, Symbol
(1982); D. Schmidtke. Studien zur dingallegorischen Erbauungsliteratur des
Spätmittelalters (1982); P.E.R. Verhuyck. ‘Rondom de Roos. De
allegorische en didactische traditie’, in: R.E.V. Stuip (red.). Franse
literatuur van de Middeleeuwen (1988), p. 140-154; U. Eco. Kunst en
schoonheid in de Middeleeuwen (1989), p. 81-118; M. Spies.
‘‘Poeetsche fabrijcken’ en andere allegorieën, eind
16de-begin 17de eeuw’, in: Oud-Holland 105 (1991), p. 228-243. [H.
Struik]
| |
alliteratie of homoeoprophoron
Vorm van
medeklinkerrijm, meestal aan het begin van
woorden, in het laatste geval ook wel
beginrijm genoemd. Zoals elke vorm van rijm
kan alliteratie een formele en een functionele werking hebben. Bij de formele
werking gaat het om de welluidendheid zonder meer. Zo bijv. bij de eerste twee
verzen uit De visscher van
Gezelle:
De wolken willen weg, de zee
zinkt zacht- en zoetjes neder
(G. Gezelle, VD, dl. 4, 1982, p. 236).
Een functionele vorm van alliteratie, waarbij de klankvorm van de
beginmedeklinkers de inhoud ondersteunt, vindt men in de volgende regel uit het
gedicht ‘Het souper’ van
M. Nijhoff, waarin het geluid van het
brekende glas klankschilderend wordt gereleveerd:
Lach en stoot glazen stuk tegen
elkander
Ook op andere wijze kan de alliteratie functioneel gebruikt
worden, namelijk door toepassing in een context waarin het Oudgermaanse
(literaire) verleden wordt opgeroepen. Op die manier schept de schrijver een
archaïsche sfeer, bijv. in het lied van de zanger
Bragi in het mythologische epos
Godenschemering van
M. Emants, waarin het
procédé van het Oudgermaanse
stafrijm (letterrijm) is toegepast, dat een
speciale vorm van beginrijm is.
LIT: Abrams; Alphen; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer;
Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; Hobsbaum; HWR; Laan;
Lodewick; Marouzeau; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley;
Wilpert; G.J. Vis. ‘Vorm en functie in de poëzie. Een
methodologische verkenning, met voorbeelden uit het werk van J. Kinker en W.
Kloos’, in: SpL 33 (1991), 4, p. 247-260. [G.J. Vis]
| |
allografeem
Verschillende schrijfwijze van een schriftteken binnen een woord
al naar gelang de positie van dat schriftteken binnen het woord. Tot in de 18e
eeuw zijn allografemen zeer gebruikelijk. Zo schreef men in de Middeleeuwen een
ronde ‘r’ als de voorafgaande letter rond was (‘b’,
‘o’) en anders een rechte ‘r’. Aan het begin en binnen
het woord was de rechte ‘s’ gebruikelijk, maar aan het einde van
een woord de ronde ‘s’. Allografemen vindt men ook met
‘i’ en ‘j’ (de ‘lange ij’), en
‘u’ en ‘v’. Binnen de
teksteditie verschilt men van mening over de
vraag of men in geval van een
diplomatische editie de tekst geweld aandoet
als men allografemen normaliseert naar het hedendaags gebruik, bijv. duvel
i.p.v. duuel.
LIT: Dupriez-1; Dupriez-2; M. van Royen. Klank- en vormleer van
het Middelnederlands (z.j.), hfdst. 1: Spelling. [W. Kuiper]
| |
allogram
Term uit de schriftgeschiedenis voor een aan een ander
schriftsysteem ontleend teken, hetzij
logogram,
syllabogram of alfabetisch teken, dat met
zijn oorspronkelijke betekenis op de plaats komt van het schriftteken in de
ontlenende taal, maar wel wordt uitgesproken alsof het originele teken er nog
stond.
Hoewel allogrammen vooral voorkwamen in de periode dat het
Soemerisch veel invloed had (er wordt dan ook wel gesproken van
Soemerogrammen), zijn parallelle verschijnselen in het Nederlands eveneens aan
te wijzen. Zo wordt de ‘et’-ligatuur uit het Latijn (de
ampersand: & = et), bijv. geplaatst
tussen ‘Van Gend’ en ‘Loos’ (Van Gend & Loos),
altijd uitgesproken alsof er ‘Van Gend en Loos’ staat.
LIT: I.J. Gelb. A study of writing (19632), p.
105-106. [P.J. Verkruijsse]
| |
alloniem
Het gebruik van andermans naam als
pseudoniem, al dan niet met goedvinden of
medeweten van de betrokkene. Zo publiceerde T. van Deel het door hem geschreven
gedicht ‘Op reis met Karel Soudijn’ in De
Klopgeest (9 (1974) nr. 19) ondertekend met ‘
K. Soudijn’ terwijl deze daar niet
van op de hoogte was. De inleiding van De geschiedenis van
Caliste (1943) werd ondertekend met ‘
J.C. Bloem’ met diens medeweten om
verschijning in oorlogstijd mogelijk te maken, terwijl het stuk geschreven was
door
Victor E. van Vriesland.
LIT: BDI; Cuddon; Gorp; Hiller; Metzler; Myers/Simms; Scott;
Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
allusie of allusio
Toespeling op een persoon, situatie of tekst, alleen te doorzien
door iemand met dezelfde voorkennis omtrent persoon, situatie of tekst op wie
of waarop gealludeerd wordt. Zo is Nijhoffs sonnet ‘De schrijver’
(VG, 19632, p. 406) alleen maar te begrijpen als men de Elia
uit het sextet kan plaatsen als figuur uit het Oude Testament en als men het
verhaal kent van de raven die hem van voedsel voorzagen (1 Koningen 17:
1-6). Een tekstuele allusie komt bijv. voor in
Maarten 't Harts Mammoet op
zondag (1977, p. 97-98): ‘Ik beklom een tweede trap, langzaam
want de duisternis zweefde over de treden’ (allusie op Genesis 1:
2).
LIT: Abrams; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon;
Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lodewick; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger;
Scott; Shipley; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| | | |
almanak
Oorspronkelijk een jaarboekje met tijdrekening en astronomische
gegevens (prognosticatie). Later wordt het
kalenderelement naar de achtergrond gedrongen t.b.v. allerhande praktische
gegevens en letterkundig mengelwerk. Reeds vanaf de 17e eeuw treft men in
gewone en kantooralmanakken fabels, kluchten (klucht-2),
verhalen, liedjes en spreuken aan. Deze boekjes, die vaak door marskramers
werden verspreid, zijn een uitnemende bron voor de bestudering van populaire
literatuur. Voor Nederland valt de bloeitijd van de letterkundige almanak in de
eerste helft van de 19e eeuw met o.m. de Muzenalmanak
(1819-1841) en de Almanak voor het schoone en het goede
(1822-1860), maar ook in de 20e eeuw verschenen nog letterkundige almanakken,
bijv. Erts (1926-1930),
Schrijversalmanak (1953-1957) en Aarts'
letterkundige almanak (vanaf 1980).
LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Feather; Gorp; Hiller; Laan;
Metzler; MEW; Scott; Wilpert; M. van Noort en P. van Zonneveld. ‘Lijst
van Nederlandse almanakken 1830-1839’, in: De Negentiende Eeuw 2
(1978), p. 14-46; R. van Wingerden en P. van Zonneveld. ‘Lijst van
Nederlandse almanakken 1840-1849’, in: De Negentiende Eeuw, 3
(1979), p. 2-38; J. Salman. ‘‘Van sodanige almanacken, die gevult
zijn met ergerlijcke bijvoegselen en oncuyse en onstigtelijcke
grillen’’, in: Literatuur 10 (1993), p. 74-80; J. Salman.
Een handdruk van de tijd: de almanak en het dagelijks leven in de
Nederlanden, 1500-1700 (1997); J. Salman. Populair drukwerk in de Gouden
Eeuw; de almanak als handelswaar en lectuur (1998). [G.J. van Bork/P.J.
Verkuijsse]
| |
a.l.s. of l.a.s.
Aanduiding in een
antiquariaatscatalogus of een
auctiecatalogus voor ‘autograph letter
signed’ of ‘lettre autographe signée’: een eigenhandig
geschreven en ondertekende brief.
LIT: BDI. [P.J. Verkruijsse]
| |
als-vergelijking zie
vergelijking met als
| |
altaargedicht
Vorm van het
figuurgedicht waarin de versregels een
zodanige lengte en rangschikking op de pagina krijgen dat er een afbeelding van
een altaar ontstaat. Het altaargedicht werd door een enkele katholieke dichter
in de renaissance beoefend.
LIT: Buddingh'; Cuddon; Myers/Simms; Scott. [G.J. van Bork]
| |
altercatio
Term die oorspronkelijk gebruikt werd voor een woordenwisseling
met een snelle opeenvolging van korte vragen en antwoorden, zoals gebruikelijk
in het Romeinse recht, bijv. in het kruisverhoor. Later ook gebruikt voor de
dialoog en het
debat die door dergelijke korte vragen en
antwoorden gekenmerkt worden. Bij het toneel spreekt men bij dit soort dialogen
van
stichomythie en
hemistichomythie.
LIT: Cuddon; HWR; Metzler; Shipley. [G.J. van Bork]
| |
alternantie zie
alternering
| |
alternering of alternantie
Term uit de prosodie die betrekking heeft op het ritme.
Alternering ontstaat bij regelmatige afwisseling van prominente en niet
prominente syllaben (respectievelijk
heffing en
daling). Dit leidt tot maatvorming (metrum) op basis van accentverdeling, bijv.
Jàntjê/zàg
eêns/prùimên/hàngên
(
H. van Alphen. Dichtwerken, ed.
Nepveu, 1871, p. 271).
De oudste ons bekende Nederlandstalige voorbeelden van alternering
zijn te vinden in het Middelnederlands. Het is opvallend dat de beginregels van
sommige dichtwerken alternerend verlopen, zoals die van de
Beatrijs, de Reinaert en de
Karel ende Elegast, waarin men een vierjambische maat kan
horen. Verder vindt men alternering in sommige liederen, zoals Het
daghet in den oosten.
In de loop van de 16e eeuw komt alternering steeds vaker voor in
Nederlandstalige poëzie. Ten tijde van renaissance en classicisme is
alternering een eis; alle poëzie is dan metrisch. Hoewel de romantiek
allerlei vormen losliet, is het opvallend dat de Nederlandse poëzie tot
Tachtig bijna altijd alternerend is. Pas aan het einde van de 19e eeuw doet het
vrije vers (vrij vers-1) zijn intrede, maar alternering
blijft tot op de dag van vandaag voorkomen in Nederlandstalige poëzie.
Alternerende poëzie bevat dikwijls getelde verzen (isosyllabisch vers), bijv. de vijfvoetige
jambe bij de Tachtigers en de
alexandrijn in het renaissancedrama, maar
getelde verzen zijn lang niet altijd alternerend (vgl. bijv. veel sonnetten van
H. Roland Holst-van der Schalk).
Wanneer de alternering wordt doorbroken, spreekt men van
antimetrie. Deze is soms formeel en in dat
geval alleen maar bedoeld als prettige afwisseling zonder meer. Soms is
antimetrie functioneel, nl. wanneer het betrokken tekstgedeelte gereleveerd
wordt. Een en ander hangt uiteraard af van de interpretatie van de tekst. Als
voorbeeld van antimetrie zie men het begin van de tweede regel van het volgende
gedeelte van een sonnet van
Kloos:
Zôàls/ daâr gínds/aân
stíl/lê blaù/wê lùcht
Zílvêrênzàcht/dê
hàlf/ôntlò/kên maàn
(W. Kloos. Verzen, dl. 1, 19173, p. 8).
Alternering blijkt te voorzien in een musische behoefte van
lezers, waarschijnlijk vanwege de welluidendheid van metrische verzen. Ook
liedcomponisten gebruiken vaak alternerende poëzie als tekstuele basis
voor hun toonzetting.
LIT: Buddingh'; Marouzeau; Metzler; MEW; Scott; Wilpert. [G.J.
Vis]
| |
Alterslied
Middeleeuws klaaglied waarin de dichter zichzelf opvoert als
armlastige oude van dagen, met de bedoeling zijn publiek tot medelijden en
vrijgevigheid te bewegen. Als een Middelnederlandse representant van dit genre
zou men
Willem van Hildegaersberchs ‘Ic
bin al moede, ic wil ga rusten’ (ed.
Bisschop en
Verwijs, 1870, nr. CXI) kunnen
beschouwen.
LIT: F.P. van Oostrom. Het woord van eer. Literatuur aan het
Hollandse hof omstreeks 1400 (1987), p. 55-56; T. Meder. Sprookspreker
in Holland. Leven en werk van Willem van Hildegaersberch (ca. 1400) (1991),
p. 38. [W. Kuiper]
| |
alwetende vertelinstantie, alwetende vertelwijze of
omniscient point of view
Vertelvorm waarin het
perspectief ligt bij een verteller die als
externe
focalisator commentaar kan leveren op
figuren en gebeurtenissen van het vertelde, maar daarbij zelf niet als
personage optreedt (zoals dat gebeurt bij de
ik-vertelwijze, waarbij de ik-verteller wel
één van de personages is). Hij kan eventueel zijn personages ook
van binnenuit geven. De alwetende verteller kan vrijelijk over tijd en ruimte
beschikken. Zo kan hij op de afloop vooruit lopen (‘X kon niet vermoeden
dat hij enkele dagen later zijn geliefde in Praag zou ontmoeten’) of de
lezer van de ene ruimtelijke situatie in de andere verplaatsen om zo een
simultaan effect te bereiken.
Specifieke vormen van de alwetende vertelwijze zijn de
auctoriale vertelinstantie en de - daaraan
tegengestelde -
personale vertelwijze; tussen beide typen
bestaan verschillende mengvormen. Sommigen hanteren de term alwetende
vertelinstantie als synoniem van auctoriale vertelinstantie.
LIT: Abrams; Anbeek/Fontijn; Bal; Baldick; Boven/Dorleijn; Gorp;
Lodewick; Myers/Simms; Prince; F.K. Stanzel. Typische Formen des Romans
(19673); H. van Gorp. Het optreden van de verteller in de
roman (1970); A.G.H. Anbeek van der Meijden. De schrijver tussen de
coulissen (1978), p. 19-66. [G.J. van Bork/G.J. Vis]
| |
alwetende vertelwijze zie
alwetende vertelinstantie
| |
Amadis-romans
Verzamelnaam voor ridderromans rondom de figuur van
Amadis de Gaula, waarschijnlijk van
14e-eeuwse Spaans-Portugese origine, nagevolgd in de
Palmerijnromans, populair geworden in de 16e
eeuw en via de Franse vertaling Amadis de Gaule doorgedrongen in de
Nederlanden. De Amadis de Gaule moet in 1602 in het
Nederlands vertaald zijn als Palmerijn van Olijve,
waaraan
Bredero voor een aantal van zijn stukken
ontleend heeft.
Een andere navolging, Amadis de Grecia, is
door
Salomon Questiersbewerkt voor het toneel:
Den Griecxsen Amadis. Starters drama
Daraide ontleent zijn stof weer aan de Amadis de
Gaule.
Vondelnoemt in zijn Aenleidinge
ter Nederduitsche dichtkunste (WB-editie, dl. 5, 1931, p. 484-491,
r. 48) de Amadis als oefenstof voor de aankomende dichter om te
berijmen.
LIT: Best; Gorp; Laan; LdMA; Metzler; MEW; Wilpert; J.J. O'Connor.
Amadis de Gaule and its influence on Elizabethan literature (1970).
[P.J. Verkruijsse]
| |
amateurtoneel
Toneel dat, in tegenstelling tot het beroepstheater, gespeeld
wordt door mensen die geen vakopleiding aan een toneelschool gevolgd hebben en
voor hun optreden niet gehonoreerd worden. Veel amateurtoneelspelers zijn
georganiseerd in toneelverenigingen die hun wortels hebben in de oude
rederijkerskamers. Amateurtoneel is een vorm van creatieve vrijetijdsbesteding
die in Nederland zeer verbreid is en soms tot opmerkelijke prestaties leidt.
Tot een van de bekende amateurgezelschappen behoort het Gooise
Plankenierstheater.
LIT: Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
ambiguïteit, pluri-interpretabiliteit of
polyinterpretabiliteit
Dubbelzinnigheid of meerduidigheid, d.w.z. het verschijnsel dat
een tekst of gedeelte daarvan op meer dan één manier gelezen of
geïnterpreteerd kan worden. Oorspronkelijk werd de term gebruikt in
pejoratieve betekenis voor vaagheid of dubbelzinnigheid van taalgebruik waar
helderheid verlangd wordt. Later, onder invloed van
W. Empsons Seven types of
ambiguity (1930), in het letterkundig taalgebruik opgenomen voor
woorden of zinsstructuren die twee of meer interpretaties toestaan. In deze
opvatting werd ambiguïteit als een verdienste gezien, omdat het de
schrijver in staat stelt in gecondenseerde vorm ‘veelzeggend’ te
zijn.
Men onderscheidt
denotatie en
connotatie, d.w.z. het verschil tussen
letterlijke betekenis en de associatieve betekenisverbanden van een woord of
een zin, die samen de interpretatie beïnvloeden. Voorbeeld: ‘Want ik
wist door een keuze verloren/ Ieder ander verlokkend bestaan’ (
J.C. Bloem, VG, 19652,
p. 190). De positie van het woord ‘verloren’ maakt deze regels
ambigu. Meerduidigheid kan echter ook ontstaan door andere dan syntactische
middelen, zoals het gebruik van
homoniemen.
Een bijzondere vorm van ambiguïteit is
quiproquo, een term die gebruikt wordt voor
dubbelzinnigheid op het toneel.
LIT: Abrams; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon;
Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger;
Scott; Shipley; W. Empson. Seven types of ambiguity (1930); C. Brooks.
Modern poetry and the tradition (1939). [G.J. van Bork]
| |
amfibrachus
Term uit de prosodie ter aanduiding van een
versvoet bestaande uit een heffing
geflankeerd door twee dalingen, bijv. gêlòpên. In dichtvorm
aan te treffen in de
catalectische viervoet van P.A. de Genestet:
ô, tíntêl' ûw hàrt în
dên drùk vân ûw hànd
LIT: Alphen; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh';
Cuddon; Gorp; Hobsbaum; Laan; Lodewick; Metzler; Myers/Simms; Preminger; Scott;
Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
amfimacer of creticus
Term uit de prosodie ter aanduiding van een
versvoet bestaande uit een daling
geflankeerd door twee heffingen, bijv. íjsvêrmaàk.
De amfimacer komt in de Nederlandse poëzie officieel niet
voor. Maar er zijn anapestische regels waarin men soms de
anapest als een amfimacer zou kunnen lezen.
Dit is bijv. het geval bij de gecursiveerde passages in de volgende regels uit
het gedicht ‘De zelfmoordenaar’:
In het diepst van het woud
- 't Was al herfst en erg koud -
Liep een heer in zijn eentje te dwalen.
Och, zijn oog zag zoo dof!
(
P. Paaltjens. Snikken en
grimlachjes, ed. De Raaf, 1944, p. 47).
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Lausberg; Metzler;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
ampersand
Van oorsprong Engelse benaming (‘and’ per se
‘and’ = ‘en’ en niets anders dan ‘en’) voor
de et-ligatuur ‘&’, een schrijfwijze die
zich tot op de dag van vandaag gehandhaafd heeft. Vanuit de Latijnse
paleografie is het in vele grafische varianten (allogram) in de West-Europese volkstalen doorgedrongen als
schrijfwijze van het nevenschikkend voegwoord ‘en’. In het
Nederlands moet het getranscribeerd worden als ‘ende’, later als
‘en’.
LIT: BDI; G.E. Dawson en L. Kennedy-Skipton. Elizabethan
handwriting 1500-1650 (1968), p. 19; J.L. van der Gouw. Oud schrift in
Nederland (19802), p. 50; Tekens op het spoor, in:
Openbaar Kunstbezit 24 (1980), juli-sept., p. 132-133; J. Tschichold.
Vormveranderingen van het &-teken (1993). [P.J. Verkruijsse]
| |
amplificatio
Term uit de middeleeuwse
poëtica-1 voor het sterk uitbreidend
bewerken van een tekst. Een kleine uitweiding noemt men een
digressie, het tegenovergestelde heet
abbreviatio. De amplificatio-techniek is
gebaseerd op het tot in details beschrijven van een mens, bijv. de schoonheid
van een vrouw, of object, bijv. een drinkbeker (beschrijving-1,
topos), en vormde een vast onderdeel van het
poëtica-onderwijs dat deel uitmaakte van de
artes liberales, de zeven vrije kunsten, die
vanaf de 12e eeuw aan de middeleeuwse universiteiten werden gedoceerd. Hoewel
de amplificatio strikt genomen deel uitmaakt van de (Middel)latijnse literatuur
zijn er parallellen in de volkstaal aan te wijzen. Zo kunnen de uitvoerige
beschrijvingen in
Diederic van Assenedes Floris
ende Blancefloer en in
Jacob van Maerlants Historie van
Troyen amplificatio's genoemd worden. In de renaissance wint de
retorische betekenis van amplificatio (het versterken, het sterk doen uitkomen
van een zaak) sterk aan invloed ten koste van de middeleeuwse, louter
kwantitatieve betekenis.
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; HWR;
Lausberg; LdMA; Lodewick; Marouzeau; Metzler; Morier; Myers/Simms; Preminger;
Shipley; Ueding; Wilpert; E.R. Curtius. Europäische Literatur und
lateinisches Mittelalter (19738), p. 482-485; L. Arbusov.
Colores rhetorici (1963), p. 21-22; M. Andringa. ‘De zwerftocht
van een schild. Achtergrond en betekenis van Darius' schild in
‘Alexanders Geesten’’, in: Queeste 3 (1996), p.
98-106. [W. Kuiper]
| |
amplitude
Term uit de receptie-esthetica, in tweeërlei zin gebruikt. De
amplitude in ruime zin omvat het geheel van lezersreacties op een bepaalde
tekst, bijv. alle mondelinge en schriftelijke reacties op
Vondels hekeldicht
Harpoen vanaf het ontstaan ervan in 1630 tot op heden. De
amplitude in beperkte zin omvat die lezersreacties die niet in strijd zijn met
de gegevens die voortvloeien uit de wetenschappelijke analyse van het
artefact, bijv. alle uitspraken over
Een winter aan zee (1937) van
A. Roland Holst die passen binnen het
interpretatieve kader van de desbetreffende studie Een
roosvenster (1980) van
L.H. Mosheuvel. Het begrip amplitude is
nauw verwant aan het begrip
esthetisch object.
LIT: N. Groeben. Rezeptionsforschung als empirische
Literaturwissenschaft (1977). [G.J. Vis]
| |
anabaptistische literatuur zie
doopsgezinde literatuur
| |
anabasis
Het stijgen van de actie in het drama tot de
climax-2 of
ontknoping. Anabasis behoort tot de
spanningselementen van het drama.
LIT: Cuddon; Scott. [G.J. van Bork]
| |
anachronie of tijdsafwijking
Afwijking van de
chronologische vertelwijze door
anticipatie-1 (toekomstverwijzing) of
retroversie (terugverwijzing). Afhankelijk
van de geïmpliceerde duur van het anticiperend of retroversief vertelde
gedeelte, spreekt men van
duratieve anachronie of
punctuele anachronie. Daarnaast maakt men
onderscheid tussen
subjectieve en
objectieve anachronie, ook wel valse of
echte anachronie genoemd. Bij het toneel spreekt men bij handelingsaspecten met
een vooruitwijzend of terugverwijzend karakter over respectievelijk
prospectief of
retrospectief aspect.
Tijdsafwijkingen komen in vrijwel alle verhalend proza voor. In
Couperus' Van oude mensen, de
dingen die voorbij gaan (1906) zijn bij herhaling terugblikken naar
de tijd in Indië en wat daar is voorgevallen opgenomen.
Beets maakt bijv. in ‘De familie
Kegge’ (Camera Obscura, 18513) veel
gebruik van anticipatie.
LIT: Bal; Baldick; Gorp; Herman/Vervaeck; Prince; E. Lämmert.
Bauformen des Erzählens (19756); G. Genette.
Tijdsaspecten in de roman (1979). [G.J. van Bork]
| |
anachronisme
Historische inconsequentie of onmogelijkheid in een tekst of
afbeelding. Anachronisme kan optreden als gevolg van gebrek aan historisch
besef, maar kan ook als stijlfiguur bewust worden nagestreefd. Doorgaans
beschouwt men de manier waarop bijbelse en antieke helden in middeleeuwse
teksten als bijv.
Jacob van Maerlants Alexanders
geesten, Historie van Troyen of
Scholastica beschreven worden of in middeleeuwse
schilderijen als die van
Pieter Brueghel sr. als eigentijdse
ridders worden afgebeeld als een anachronisme bij gebrek aan (voldoende)
historisch perspectief. Veel mediëvisten denken echter dat betergeschoolde
middeleeuwers wel degelijk wisten dat de weergave in het verhaal niet geheel in
overeenstemming was met de werkelijkheid en dat auteurs vaak opzettelijk een
(enigszins) vertekend beeld van het verleden gaven, om voor het publiek de
mogelijkheden tot herkenning en identificatie te vergroten. Afhankelijk van hoe
men denkt dat het ‘projectieproces’ verlopen is, gebruikt men de
termen antikisering (als een in principe middeleeuws verhaal wordt
ingekleurd met klassieke gegevens) en mediëvalisering (als een van
oorsprong antiek verhaal in een middeleeuws jasje wordt gestoken).
Wanneer
Bredero in zijn inhoud van De
Spaansche Brabander (1617) zegt dat 't spel speelt ‘over meer
dan veertich Jaren’, dus in 1576, dan is vs. 1315 met ‘Ben je
Arminiaans?’ een anachronisme evenals het voorkomen van de
‘Bierkay’ en de ‘Nieuwe Stadt’ (vs. 2037) anachronismen
zijn omdat ze behoren tot de stadsuitbreiding van 1612 (Inleiding in ed.
Stutterheim, 1974, p. 17-30). Een voorbeeld van een moderne anachronistische
tekst is
Felix Timmermans’ Het kindeke
Jezus in Vlaanderen (1917).
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lodewick;
Metzler; MEW; Morier; Scott; Shipley; Wilpert; L. Jongen. Van Achilles
tellen langhe. Onderzoekingen over Maerlants bewerking van Statius'
Achilleis in de Historie van Troyen (1988), p. 68-73. [W. Kuiper/H.
Struik]
| |
anacreontische poëzie
Term voor een type poëzie dat genoemd is naar de Griekse
dichter
Anacreon (6e eeuw v.Chr.), maar dat in
feite een latere vinding is. Centraal in het genre staat de beperkte thematiek
van ‘Wein, Weib und Gesang’, in een luchtige stijl verwant aan de
Franse ‘poésie fugitive’, met een anekdotisch karakter. Deze
dichtvorm heeft, als antipode van de
alexandrijn, korte drie- of viervoetige
jambische of trocheïsche regels. Strofenbouw en rijm ontbreken.
In de Nederlandse letterkunde is dit soort poëzie beoefend
door
Jan Luyken (1649-1712) en
H.Cz. Poot (1689-1733). Grote bloei
beleefde het genre in de tweede helft van de 18e eeuw, onder invloed van het
Duitse rococo, bij
Bellamy,
Bilderdijk en
Kinker. Geheel in de stijl typeert
Bellamy de anacreontische poëzie in de volgende regels:
Zing, mijn lieve vriend, de zangen
voor zijn grieksche meisjes, dichtte!
zagten wellust, scherts en kuschjes
zagt en lieflijk als een windje,
dat, door de ongesnoerde lokken
van een Jonge schoone dartelt,
(
J.A. Nijland. Leven en
werken van Jacobus Bellamy, dl. 2, 1917, p. 97).
LIT: Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Knuvelder;
Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert.
[G.J. Vis]
| |
anacrusis of opmaat
Deze term uit de prosodie heeft betrekking op de eerste syllabe
van een vers voorzover deze beschouwd kan worden als niet behorend tot het
metrum van het vers. De anacrusis is
vergelijkbaar met de opmaat van de muziek (anacrusis).
De betrokken syllabe is onbeklemtoond (daling). Zo kan
men de jambische regel
Mîjn eèn/zaâm lé/vên
wàn/dêlt doór/ dê strà/tên
(
M. Nijhoff. VG,
19632, p. 9)
lezen als een trocheïsche regel met anacrusis, aldus:
Mîjn/eénzaâm/lévên/wàndêlt/
doór dê/stràtên. Vanuit dit gezichtspunt kan men ook
een bestaande regel door toevoeging van een onbeklemtoond eensyllabig
beginwoord van een anacrusis voorzien. De trocheïsche regel van De
Schoolmeester
Wàndlaâr/mét eên
léêgê/zàk
(Gedichten, ed.
Van Deel en
Mathijsen-Verkooijen, 1975, p. 301)
wordt dan ‘ô/wànd-laâr/mét
eên/léêgê/zàk’.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Marouzeau; Metzler;
Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
anadiplosis, epanadiplosis of reduplicatio
Benaming voor die vorm van herhaling (repetitio) waarbij een woord of woordgroep die een (vers)regel
of zin besluit, herhaald wordt aan het begin van de eerstvolgende (vers)regel
of zin, volgens het schema: ... x/x ..., bijv.
Het licht, Gods witte licht, breekt zich in kleuren:
Kleuren zijn daden van het licht dat breekt
(
M. Nijhoff. VG,
19744, p. 10).
In de middeleeuwse literatuur is anadiplosis kenmerkend voor
specifiek hoofs taalgebruik, bijv. de monologen van Ferguut en Galiene in de
Ferguut (ed.
Rombauts e.a., 19822).
LIT: Baldick; Best; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1;
Dupriez-2; Gorp; HWR; Lausberg; Metzler; Morier; Preminger; Scott; Shipley;
Wilpert. [G.J. Vis]
| | | |
anafora, anafoor, epanafoor of relatio
Herhaling (repetitio) aan het begin van
twee of meer opeenvolgende regels of zinnen, bijv.
(
P. van Ostaijen. VW.
Poëzie, dl. 2, 19653, p. 199).
Een ander voorbeeld is de herhaling van ‘Ik houd van het
proza, dat [...]’ in Van Deyssels opstel Over literatuur (
L. van Deyssel. Verzamelde
werken, dl. 4, z.j., p. 79).
LIT: Alphen; Baldick; Bantel; Best; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon;
Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; HWR; Lausberg; Lodewick; Metzler; MEW; Morier;
Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| | | |
anagram of letterkeer
Van oorsprong magische omzetting (onomancie) van de letters van
een persoonsnaam tot een
pseudoniem of devies (impresa), vanaf de 16e eeuw gebruikt als literaire spelvorm.
Bekende anagrammen zijn:
Tesselschade > Sachte Sedeles
Lucas d'Heere > Schade leer u
Gerrit Komrij > Griet rijmrok, Ik rijm erg rot
LIT: Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp;
Hiller; HWR; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Scott; Shipley;
Wilpert; W. Kusters. ‘Naderende arenden’, in: De Gids 149
(1986) 2, p. 115-116. [W. Kuiper]
| |
anakoloet
Een samengestelde zin waarvan de respectievelijke deelzinnen door
een afwijkende woordvolgorde niet op elkaar aansluiten. Het 17e-eeuws kent
daarvan voorbeelden bij
Bredero,
Hooft,
Huygens en
Cats aan wie dit voorbeeld ontleend is:
‘Ick wil eens wederom ick wil de saeck beprouven’ (Spaens
Heydinnetje, vs. 973). Als stijlfiguur wordt de anakoloet gebruikt om de
aandacht van de lezer op de boodschap te richten, bijv. ‘Ik wilde ik kon
u iets geven’ (
H. Gorter. VW, dl. 2, 1948, p.
85). Als geval van ongrammaticaliteit is de anakoloet vergelijkbaar met de
apokoinou, met dit verschil dat de
apokoinou-zin grammaticaal kan worden gemaakt door vervanging of invoeging van
een enkel woord, terwijl de ongrammaticaliteit van de anakoloet alleen kan
worden opgeheven door verandering van de woordvolgorde.
LIT: Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon;
Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; HWR; Lausberg; Lodewick; Metzler; MEW; Morier;
Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert; A. Weijnen. Zeventiende-eeuwse
taal (z.j.5), §64. [G.J. Vis]
| |
analecta
In strikte zin een verzameling uittreksels of
bloemlezing, zoals Analecta; Nederlandsch
leesboek (1892) bijeengebracht door
F. Buitenrust Hettema. In ruimere zin
als aanduiding van een tijdschrift of reeks met gemengde inhoud, bijv.
Analecta Bollandiana (1882-1962).
LIT: Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Hiller; HWR; Laan; Metzler;
MEW; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
analogie-1
Overeenkomst van verhaalelementen in verschillende teksten. Met
name de middeleeuwse literatuur is rijk aan analogieën, meestal ontleend
aan de bijbel. Zo kan bijv. in Karel ende Elegast de
inbraak van Elegast bij Eggeric van Eggermonde om diens zadel en zwaard te
bemachtigen, beschouwd worden als een analogie naar 1 Samuel 26,
waar David bij Saul binnensluipt en diens lans wegneemt. De bedoeling van de
analogie is een gebeurtenis als niet toevallig te beschrijven, maar als deel
uitmakend van een hoger plan, bij voorkeur de heilsgeschiedenis. De analogie
kan beschouwd worden als een profane variant op de
sensus allegoricus-1.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; HWR; MEW;
Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert; H. Pleij. ‘Over de betekenis van
middeleeuwse teksten’, in: Spektator 10 (1980-1981), p. 299-339.
[W. Kuiper]
| |
analogie-2 of perseveratie
Schrijf-, spreek- of zetfout die optreedt als een taalgebruiker
tijdens het uitschrijven, uitspreken of zetten van een woord met zijn gedachten
nog bij het vorige woord is. Het gevolg is woordverminking met elementen van
dat vorige woord, bijv. een kopje kofje. Het tegenovergestelde van analogie is
anticipatie-2.
LIT: B. Kruitwagen. ‘Werd er in de Middeleeuwen bij het
schrijven gedicteerd?’, in: Het Boek 4 (1915), p. 217-229. [W.
Kuiper]
| |
analyse of tekstanalyse
Vorm van tekstonderzoek die veelal functioneert als onderdeel van
de interpretatie. Een moderne variant ervan is de
materiële analyse. Sommigen hanteren de
term als synoniem van
interpretatie, met name in samenstellingen
als poëzie-analyse en
romananalyse. Anderen geven de term een
beperkter inhoud, veelal synoniem met empirische beschrijving, bijv. in een
samenstelling als structuuranalyse.
LIT: Cuddon; Fowler; Gorp; HWR; Lodewick; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; J.J.A. Mooij. Tekst en
lezer (1979). [G.J. Vis]
| |
analytisch drama
Dramavorm waarin de handeling in feite reeds heeft plaats gevonden
en het eigenlijke drama zich toespitst op de ontwikkelingen en de ontknoping
die het gevolg zijn van die handeling. Personages en toeschouwers worden zich
pas in de loop van het drama bewust van deze handeling en haar gevolgen. Het
tijdsverloop is meestal kort, omdat de
plot slechts een klein gedeelte van de story
(fabel-2) dekt. Men spreekt in dit verband van een
‘late
point of attack’. De meeste
detective-stukken kennen een dergelijk ‘late point of attack’.
Analytisch drama was ook geliefd bij het naturalisme, omdat het vooral
voorstelling van karakter en milieu kan geven, waarvoor de handeling slechts
startmotor is.
LIT: Bergh; Best; Gorp; Metzler; W. Archer. Play-making
(1970). [G.J. van Bork]
| |
analytische bibliografie-1
De wetenschap die het gedrukte boek als materieel object
bestudeert. Voor de literatuurhistoricus-filoloog die de tekstgeschiedenis wil
nagaan, is de analytische bibliografie naast de
codicologie en de
manuscriptologie een noodzakelijke
hulpwetenschap. Zij vereist kennis van bij het drukproces gebruikt materiaal
(papier en
letter) en van de methode van werken in de
zetterij, drukkerij en binderij (kopij klaarmaken, zetten, opmaken,
proefdrukken, corrigeren, drukken en binden) om fouten die optreden tijdens de
transmissie van een tekst te kunnen herkennen en verklaren. Het centrale begrip
in de analytische bibliografie is het
collationeren, het vergelijken van
exemplaren om te zien of er van hetzelfde zetsel gedrukt is. De eenheid van
collationeren is de drukvorm (per vel een
binnenvorm en een
buitenvorm), die voor ieder bibliografisch
formaat weer anders is. Nadat er een aantal
of zoveel mogelijk exemplaren van een
druk gecollationeerd zijn, is het mogelijk
om een
ideal copy te construeren, een meestal
fictief exemplaar waarin de drukgeschiedenis van die bepaalde druk weerspiegeld
wordt met alle
correcties op de pers en
cancels. Een analytisch-bibliografische
beschrijving van zo'n ideal copy omvat tenminste de volgende elementen:
short title, beschrijving van gegraveerde,
gedrukte en
Franse titel,
colofon, formaat,
collatieformule,
fingerprint, overzicht van paginering of
foliëring, lijst van prenten, een korte inhoudsopgave, een lijst van
gecollationeerde exemplaren met
provenance-gegevens en verwijzingen naar het
bibliografisch apparaat. Daarnaast kan er behoefte zijn aan één
of meer van de volgende onderdelen: lettertype,
watermerk, lijst met
custoden,
kopregels, afmetingen van de
zetspiegel, een opgave van het aantal regels
per pagina, een overzicht van
katernsignatuurposities en een
variantenoverzicht.
Nadat er binnen één druk gecollationeerd is, kan
getracht worden om aan de hand van de via de analytisch-bibliografische methode
gevonden tekstvarianten een ideale tekst (copy-text)
samen te stellen, d.w.z. een tekst die de kopij het dichtst benadert. Daarnaast
kan begonnen worden aan het vergelijken van drukken om de volgorde vast te
stellen als ze niet gedateerd of gelijk gedateerd zijn. Maar met het afwegen
van tekstuele varianten is het terrein van de tekstcriticus al betreden.
De analytische bibliografie is rond 1900 ontstaan uit de
Shakespeare-filologie in de kring van de Bibliographical Society. De New
Bibliography, zoals deze richting genoemd werd, is vooral ontwikkeld door A.W.
Pollard, R.B. McKerrow en W.W. Greg. In Nederland is deze filologische
hulpwetenschap geïntroduceerd door W. Hellinga. Analytisch-bibliografisch
onderzoek op Nederlandse literaire teksten is o.a. verricht door
Hellinga in
Jan van der Noots
Epitalameon (ed.
W.A.P. Smit, 1953), door
Grootes en
Oey de Vita m.b.t.
Bredero's Spaanschen
Brabander (in respectievelijk NTg 63 (1970), p. 28-32 en
SpL 12 (1969-1970), p. 268-283), door
Veenstra m.b.t. Bredero's
Griane (in: Spektator 2 (1972-1973), p. 225-242,
333-348), door
Van Selm m.b.t.
Van Effens Hollandsche
Spectator (in: Studies voor Zaalberg, 1975, p. 187-259) en
door
Waterschoot in
Van der Noots Poeticsche
werken (dl. 1, 1975).
LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; Mathijsen; MEW; R.B.
McKerrow. An introduction to bibliography for literary students. 2nd
impr. with corrections (1928); M.J. Pearce. A workbook of analytical &
descriptive bibliography (1970); Ph. Gaskell. A new introduction to
bibliography. Repr. with corrections (1974). Algemene literatuur: Fr.
Bowers. Bibliography and textual criticism (1964); W.W. Greg.
Collected papers (1966); P.S. Durkin. Bibliography. Tiger or fat
cat? (1975); M. Borghardt. Analytische Druckforschung (1977). Voor
Nederland: W.Gs Hellinga. Kopij en druk in de Nederlanden (1962); W. en
L. Hellinga. ‘De betekenis van de incunabelkunde voor de
neerlandistiek’, in: Dietse studies (1965), p. 52-76; W. Hellinga.
‘Analytische bibliografie: eisen en grenzen’, in: Handelingen
27e Vlaamse Filologencongres (1969), p. 260-261; P.M.M. van Cleef Jzn.
Handboek ter beoefening der boekdrukkunst in Nederland. Ed. F.A. Janssen
(1974); P.J. Verkruijsse. Mattheus Smallegange (1624-1710) (1983), p.
23-51; H. Borst e.a. ‘Wonen in het woord, leven in de letter. Analytische
bibliografie en literatuurgeschiedenis’, in: Literatuur 5 (1988),
p. 332-341. [P.J. Verkruijsse]
| |
analytische bibliografie-2
Vooral in België gebruikt men deze term ook in
de betekenis van een
bibliografie met bij iedere titel een
beknopte inhoudsopgave, zoals bij
Rob. Roemans en
Hilda van Assche. Analytische
bibliografie van Julien Kuypers (1968).
LIT: MEW. [P.J. Verkruijsse]
| |
anamnesis
Het in de geest terugroepen van ideeën, personen of
gebeurtenissen uit het eigen verleden, zoals in
memoires of
autobiografie, maar ook in poëzie of
fictief proza, zoals in
S. Vestdijks Kind tussen vier
vrouwen (1972).
LIT: Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; LdMA; Myers/Simms; Shipley.
[G.J. van Bork]
| |
anapest
Term uit de prosodie ter aanduiding van een versvoet bestaande uit
twee dalingen gevolgd door een heffing, bijv. ânâpést. In
dichtvorm:
Kân hêt zíjn, dât eên
spránk vân dên vórîgên gloéd
(
D.J. van Lennep. Verhandeling en
Hollandsche duinzang, ed. Stuiveling, 1966, p. 55).
LIT: Alphen; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh';
Cuddon; Gorp; Hobsbaum; Laan; Lausberg; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms;
Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
anasta(l)tische uitgave zie
reprint
| | | |
Andere Wereld
Sprookjesachtige locatie bekend uit de Brits-Keltische
letterkunde, waar feeën woonachtig zijn en mensen kunnen voortleven die in
de reële wereld gestorven zijn. De Andere Wereld is doorgaans met water
omsloten, een zee (Parthonopeus van Bloys) of een diepe
rivier (Lanceloet en het hert met de witte voet), soms
echter door een haast ondoordringbaar woud (Ferguut). Als gids doet vaak
een wit dier dienst, een hert (Ferguut) of een hond(je)
(Lanceloet en het hert met de witte voet).
De Andere Wereld is vooral een plaats waar gewone (mannelijke)
stervelingen heen gelokt worden door een fee voor een liefdesverhouding die
volstrekt geheim moet blijven (Lanval). Soms wordt een
specifiek verbod gesteld (geish), zoals in
Parthonopeus van Bloys.
LIT: D. Poirion. Le merveilleux dans la littérature
francaise du Moyen Age (1982); De achterkant van de Ronde Tafel. De
anonieme Oudfranse Lais uit de 12e en 13e eeuw. Vert. en toegel. door L.
Jongen en P. Verhuyk (1985). [W. Kuiper]
| |
anekdote
Kort verhaal waarin een gebeurtenis, meestal beleefd door een
(historische) persoon, op humoristische wijze wordt neergezet. De term betekent
eigenlijk ‘niet-uitgegeven werk’ en werd het eerst gebruikt in de
titel van een verzameling pikante verhalen over Justinianus I (Oost-Romeins
keizer van 527 tot 565); sinds de 17e eeuw heeft het begrip zijn huidige
betekenis.
De anekdote laat zich moeilijk onderscheiden van vergelijkbare
korte verhalen als
cursiefje,
exempel,
fabel-1,
facetiae,
klucht-2 en
novelle. De oudste Nederlandse
anekdotenverzamelingen dateren uit de 16e eeuw, bijv. Een nyeuwe clucht
boeck (1554) (ed.
Pleij, 1983). Een 17e-eeuwse verzameling
van moppen en anekdotes is die van
Aernout van Overbeke, de
Anecdota sive historiae jocosae (ed.
Dekker en
Roodenburg, 1991). Sommige anekdoten
vormen tezamen een pseudo-biografie (anekdotenbiografie).
In de 18e eeuw verschijnen anekdoten vooral in almanakken. Een
moderne anekdotenverzameling is
J. Brouwers' Zachtjes
knetteren de letteren (1975).
LIT: Bantel; Best; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Scott; H. Grothe.
Anekdote (1984); P.P. Schmidt. Zeventiende-eeuwse kluchtboeken uit de
Nederlanden (1986), p. 14, 15. [W. Kuiper]
| |
anekdotenbiografie
Aantal, meestal humoristische verhalen (anekdote) over een pseudo-historisch personage die
bijeengebracht zijn in de vorm van een pseudo-biografie. Vaak is het
biografisch kader nauwelijks uitgewerkt en begint het boek met de geboorte van
de hoofdpersoon en eindigt het met zijn dood. Daartussen is de held van het
verhaal leeftijdsloos. Voorbeelden van anekdotenbiografieën zijn
Het leven van Esopus (vert.-
Kuiper en
Resoort, 1990),
Uilenspiegel (ed.
Geeraedts, 1986) en De pastoor
van Kalenberg (ed.
Van Kampen en
Pleij, 1981).
LIT: HWR; Shipley; P.J.A. Franssen. Tussen tekst en publiek.
Jan van Doesborch, drukker-uitgever en literator te Antwerpen en Utrecht in de
eerste helft van de zestiende eeuw (1990), p. 129; P. Franssen.
‘Virgilius de tovenaar in het genre van de anekdotenbiiografie’.
In: Literatuur 12 (1995), p. 83-89. [H. Struik]
| |
angry young men
Aanduiding van enkele Engelse roman- en toneelschrijvers die zich
vanaf 1950 manifesteerden als gedesillusioneerde en daardoor vaak ook cynische
jongeren die een afkeer hadden gekregen van de traditie en opvattingen van het
establishment. In hun werk stellen zij - vaak in satirische vorm - de
huichelachtigheid van dat establishment aan de kaak, waardoor hun werk veelal
als schokkend werd ervaren. In Engeland worden o.m.
Kingsley Amis' Lucky
Jim (1954),
John Braine's Room at the
top (1957) en
John Osborne's Look back in
anger (1957) tot het werk van de angry young men gerekend. In
Nederland werd het vroege werk van
G.K. van het Reve vaak met dat van deze
auteurs vergeleken.
LIT: Abrams; Baldick; Cuddon; Gorp; Metzler; Scott; J.R. Taylor.
Anger and after (1962). [G.J. van Bork]
| |
anisometrie
Term uit de prosodie ter aanduiding van het feit dat gelijkheid
van metrische patronen (isometrie) ontbreekt. Dit is
bijv. het geval in de poésie parlante (vrij
vers-2). Het vers libre (vrij vers-1) daarentegen
is niet noodzakelijk anisometrisch. In metrische verzen, inclusief die waarin
polymetrie optreedt, zal men anisometrie
niet vinden. Menig
knittelvers is anisometrisch, zoals bijv.
het begin van de ‘Natuurlijke historie voor de jeugd’ van
Van de Linde:
In mijn natuurlijke Historie voor jonge lui,
Maak ik met opzet geen gewach van de regenbui,
Om dat kinderen in Holland zelfs familiaarder zijn
Met den regen, dan wel met den zonneschijn.
(
Schoolmeester. Gedichten, ed.
Van Deel en
Mathijsen-Verkooijen, 1975, p.
91).
Soms ontbreekt isometrie in gedichten waar men anisometrie niet
zou verwachten, zoals in sommige
isosyllabische verzen, bijv. enkele
sonnetten van
H. Roland Holst-van der Schalk.
LIT: Cuddon; Gorp; Shipley; F. Kossmann. Nederlandsch
versrythme (1922). [G.J. Vis]
| |
annalen-1
Jaarboeken waarin chronologisch historische feiten beschreven
worden. In het Nederlands kennen we geen echte annalen, maar meer uitgebreide
historiografieën in de vorm van kronieken of historiën (vgl.
Hoofts Nederlandsche
Historien als aemulatio van
Tacitus'
Annales).
LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Hiller; LdMA; Metzler;
MEW; Scott; Shipley; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
annalen-2
Aanduiding, gebruikt in tijdschrifttitels, waarin de
oorspronkelijke verbinding met de betekenis ‘jaarboek’ grotendeels
verloren is gegaan, zoals de vóór 1974 tweemaal per jaar en
daarna viermaal per jaar verschijnende Annalen van het
Thijmgenootschap of de vóór 1975 viermaal per jaar en
daarna éénmaal per jaar verschijnende Annalen van de
Oudheidkundige Kring van het Land van Waas.
LIT: BDI; Hiller; Metzler. [P.J. Verkruijsse]
| |
annominatio zie
paronomasia
| |
annotatie
Verklarende aantekening van taalkundig-lexicografische (woordcommentaar) of zakelijke (zakencommentaar) aard bij een tekst of in een
teksteditie, meestal in de vorm van
marginale of voetnoten. Op de titelpagina wordt het voorkomen van annotaties
gewoonlijk aangekondigd door ‘geannoteerd’, ‘van
aantekeningen voorzien’, ‘toegelicht’ of ‘met
woordverklaringen’.
LIT: BDI; Brongers; Cuddon; Hiller; Mathijsen; Scott; W. Hellinga,
‘De commentaar’, in: Handelingen van het 24e Nederlandse
Filologencongres (1956), p. 109-127. [P.J. Verkruijsse]
| |
anoniem
Literair werk waarvan de auteur niet bekend is, zoals het
merendeel van de Middelnederlandse ridderepiek, of waarvan de naam van de
auteur opzettelijk wordt verzwegen, bijv. om vervolging of publiciteit te
vermijden.
LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Hiller; Laan; Metzler;
MEW; Scott; J.I. van Doorninck. Vermomde en naamlooze schrijvers opgespoord
op het gebied der Nederlandsche en Vlaamsche letteren (2 dln., 1883-1885);
A. de Kempenaer. Vermomde Nederlandsche en Vlaamsche schrijvers (1928).
[G.J. van Bork]
| |
antagonist
Tegenspeler van de hoofdpersoon (protagonist) in een literair werk, die vaak door het conflict
met de protagonist bijdraagt tot de
plot. De term wordt meestal toegepast op een
personage in het drama, maar ook in vertellend proza kunnen antagonist en
protagonist voorkomen. In
Vondels treurspel
Lucifer (1654) bijv. is de aarstengel Michaël de
antagonist en Lucifer de protagonist.
LIT: Baldick; Cuddon; Gorp; Lodewick; Metzler; Myers/Simms;
Prince; Scott; B. Verhagen. Dramaturgie (19632); G.B.
Tennyson. An introduction to drama (1967). [G.J. van Bork]
| |
anthologie zie
bloemlezing
| |
anticipatie-1, vooruitwijzing of
toekomstverwijzing
Afwijking van de chronologie in de vertelwijze (anachronie) door vooruit te lopen op de gebeurtenissen en iets
aan de lezer mee te delen wat pas later een rol zal spelen in het verhaal.
Anticipatie wordt vaak gebruikt om spanning op te wekken, maar ook wel om
latere ontwikkelingen voor te bereiden. In ‘De familie Kegge’
(Camera obscura, 18513) opent
Beets bijv. een van de laatste
hoofdstukken met de anticipatie: ‘Hildebrand, die door een samenloop van
omstandigheden bestemd was om in deze geschiedenis een handelend persoon te
worden [...]’ om aan te geven dat de hoofdpersoon in het volgende tot
actie zal overgaan om de verachtelijke Van der Hoogen te ontmaskeren. In de
dramatheorie spreekt men bij handelingsaspecten met een vooruitwijzend karakter
over
prospectief aspect.
LIT: Bal; Best; Boven/Dorleijn; Dupriez-1; Gorp; Herman/Vervaeck;
Lodewick; Metzler; Morier; Prince; E. Lämmert. Bauformen des
Erzählens (19756); G. Genette. Tijdsaspecten in de
roman (1979). [G.J. van Bork]
| |
anticipatie-2
Schrijf-, spreek- of zetfout die optreedt als een taalgebruiker
tijdens het uitschrijven, uitspreken of zetten van een woord met zijn gedachten
al bij de volgende lettergreep of het volgende woord is. Het gevolg is
woordverminking met elementen van de volgende lettergreep of het volgende
woord, bijv. ‘minich’ in plaats van ‘menich’
(Die Rose, ed.
Verwijs (1868), vs. 217). Anticipatie is
een veel voorkomende kopiistenfout. Het tegenovergestelde van anticipatie is
analogie-2.
LIT: Marouzeau; B. Kruitwagen. ‘Werd er in de Middeleeuwen
bij het schrijven gedicteerd?’, in: Het Boek 4 (1915), p. 217-229;
A.M. Duinhoven. Bijdragen tot reconstructie van de Karel ende Elegast I
(1975), p. 417-418. [W. Kuiper]
| |
anticlimax
Schijnbaar negatieve
climax-1 met het effect van een climax,
bijv. ‘Frankrijk, België, ja zelfs Luxemburg is nog groot genoeg om
dit bedrag te kunnen opbrengen.’ Speciaal in het
drama wordt met deze term het moment of de
periode aangeduid die volgt op het hoogtepunt van een reeks wat betreft
intensiteit of betekenis.
LIT: Abrams; Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-2; Fowler;
Gorp; Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger; Prince; Scott; Shipley;
Wilpert; J.M. Acket en C.F.P. Stutterheim. Stijlstudie en stijloefening
(196011); J.J. Styan. The elements of drama (1969). [G.J.
Vis]
| | | |
antifrase
Stijlfiguur waarbij een mededeling geïroniseerd wordt door
het tegenovergestelde te zeggen van wat men bedoelt, bijv. bij een mislukking:
‘Daar ben je mooi in geslaagd.’
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; HWR;
Lausberg; Marouzeau; Metzler; Myers/Simms; Morier; Shipley; Wilpert. [G.J. van
Bork]
| |
antiheld
Personage in een roman of toneelstuk dat in tegenstelling tot de
klassieke held, die mentaal sterk, eerbiedwaardig of machtig moest zijn en in
elk geval onze bewondering moest verdienen, juist onbetekenend, passief,
nederig of zelfs onnozel is en ons medelijden of hooguit begrip dient op te
wekken. De antiheld kan incidenteel al vroeg in de literatuur worden
aangewezen, maar is sedert het begin van de 19e eeuw sterk in opkomst. In het
absurdisme en in de
nouveau roman of
antiroman is het proces van de onttroning
van de klassieke held in zijn uiterste consequenties doorgevoerd. Goede
voorbeelden van antihelden in de Nederlandse literatuur zijn Ondine en Oscar
uit
L.P. Boons De
Kapellekensbaan (1953) of
Willem Bleeker uit Bleekers
zomer (1972) van
Mensje van Keulen.
LIT: Abrams; Baldick; Best; Cuddon; Fowler; Gorp; Metzler; MEW;
Prince; Scott; Shipley; M. Praz. The hero in eclipse (19692);
A.L. Sötemann. ‘Der negative Held in der modernen
niederländischen Literatur’, in: S. Sonderhegger en J. Stegeman
(red.). Niederlandistiek in Entwicklung (1985), p. 71-80. [G.J. van
Bork]
| |
anti-illusionistisch toneel
Toneelvorm waarin de toneelillusie bewust doorbroken wordt om door
middel van
vervreemdingseffecten, zoals bijv. door
Bertold Brecht werden gebruikt, de
toeschouwer te verhinderen zich in de personages en de handeling van het stuk
in te leven. In Nederland werd deze toneelvorm toegepast door
S. Polet in De koning komt
voorbij (1965) en Adam X (1973). Vaak berust
het anti-illusionistische op de doorbreking van de zgn.
vierde-wandfictie.
LIT: Best; Gorp; Lodewick. [G.J. van Bork]
| |
antimetabole
Aanduiding voor een stijlfiguur, syntactisch en/of semantisch van
aard, waarin een tegenstelling (antithese) wordt
geformuleerd met behulp van een
chiasme: ‘Niet om te werken leven wij,
maar wij werken om te leven.’ Soms gaat de figuur gepaard met
parallellisme: ‘Niet om te werken
leven wij, maar om te leven werken wij.’ Constante factor is de
repetitio.
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; HWR; Lausberg;
Metzler; Morier; Myers/Simms; Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
antimetrie of metrische afwijking
Term uit de prosodie waarmee wordt aangegeven dat een syllabe qua
prominentie afwijkt van het metrisch patroon. Deze doorbreking van het schema
kan alleen optreden binnen een prosodische context waarin alternering
overheerst. Zo komt bijv. in het jambische gedicht (jambe) ‘Ik droomde van een kalmen blauwen nacht’
van
Willem Kloos in vs. 3 een afwijking voor
bij de derde en vierde syllabe: ‘Maâr hoóg/schéen
vân/dê sché/mêrên/dê
kím/mên’. In plaats van het te verwachten ^ ' krijgt men '
^: schéen vân. Men spreekt in dit geval ook wel van
accentverschuiving. Behalve in het genoemde
geval, waarbij men een heffing op een dalingsplaats aantreft, kan men
antimetrie tegenkomen in het tegenovergestelde geval, namelijk wanneer men een
daling krijgt op een heffingsplaats. In dezelfde regel van Kloos laat zich dat
horen bij de syllaben 7 en 8: ^ ^ in plaats van ^ ':
Schémêrêndê. Bij dit laatste kan men moeilijk van
accentverschuiving spreken, omdat de weggelaten heffing niet elders is terug te
vinden. Eerder kan men spreken van een accentweglating. Antimetrie heeft
gevolgen voor het leestempo. In het eerste geval ontstaat een vertraging (hoog
scheen), in het tweede geval een versnelling (schem erende).
LIT: Alphen; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Gorp; Lodewick;
MEW; Preminger; G. Stuiveling. Versbouw en ritme in den tijd van '80
(1934); A.P. Braakhuis. De thematische structuur van de versregel
(1962); C.F.P. Stutterheim. Conflicten en grenzen (1963). [G.J. Vis]
| | | |
antiquariaat
Bedrijf dat zich bezighoudt met de handel in oude, vrij zeldzame
en gezochte, niet meer in de reguliere boekhandel verkrijgbare, boeken en
prenten en in handschriften. Naast de normale antiquariaten zijn er gesloten
antiquariaten die hun voorraad uitsluitend via
antiquariaatscatalogi aanbieden. Een
ontwikkeling van na de Tweede Wereldoorlog is het zogenaamde moderne
antiquariaat, dat uitgeversrestanten verkoopt tegen sterk verminderde prijs. De
tweedehands boekhandel beweegt zich doorgaans niet op het terrein van het heel
oude boek, noch op dat van grote hoeveelheden uitgeversrestanten, maar beperkt
zich tot de verkoop van niet zo oude boeken die eerder gebruikt zijn. De grens
tussen de categorieën is diffuus: zeldzaam hoeft niet oud te zijn en
omgekeerd.
De meeste antiquariaten hebben zich gespecialiseerd op een bepaald
terrein. Overzichten worden geboden door het op gezette tijden verschijnende
Boekenvondst; antiquarische & tweedehandsboekwinkels in Nederland
en België, voor Amsterdam De
boekhandels van Amsterdam van
T. de Bruijn en
S. Rollins en voor
België het werk van
E. van Balberghe: Repertorium
van Belgische antiquariaten en tweedehandsboekwinkels. De
International League of Antiquarian Booksellers (ILAB) geeft een internationaal
adresboek uit: International directory of antiquarian booksellers. De
Nederlandse antiquaren hebben zich verenigd in de Nederlandsche Vereeniging van
Antiquaren (NVA).
Een van de eerste Nederlandse antiquaren was
Pieter van Damme (1727-1806), een van de
belangrijkste, die de handel in oude boeken een wetenschappelijke basis heeft
verschaft, was
Frederik Muller (1817-1881).
LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; Metzler; P.J. Buijnsters.
Het verzamelen van boeken. Een handleiding (19922); H. de la
Fontaine Verwey. De verdwenen antiquaar en andere herinneringen van een
bibliothecaris (1993); N. Maas en F.W. Kuijper (red.). Offeren aan
Mercurius en Minerva. Nederlandsche Vereeniging van Antiquaren 1935-1995
(1995); F.A. Janssen. ‘Het oudste praktische handboek voor de
antiquaar’, in: De Boekenwereld 12 (1996), p. 223-227; M. Keyser,
J.F. Heijbroek & I. Verheul (red.). Frederik Muller (1817-1881), leven
& werken (1996); H. van Goinga. ‘Pieter van Damme (1727-1806),
Nederlands eerste antiquaar? Een verkenning naar het antiquariaat in de
Republiek in de tweede helft van de achttiende eeuw’, in: T. Croiset van
Uchelen en H. van Goinga (red.). Van pen tot laser; 31 opstellen over boek
en schrift aangeboden aan Ernst Braches (...) (1996), p. 121-142. [P.J.
Verkruijsse]
| |
antiquariaatscatalogus
Alfabetische of systematische naar vakgebieden ingerichte lijst
van handschriften of van boeken die niet meer in de gewone boekhandel
verkrijgbaar zijn en die door een
antiquariaat tegen de in de catalogus
vermelde prijs te koop worden aangeboden. Een grote verzameling
antiquariaatscatalogi bevindt zich op de bibliotheek van de Koninklijke
Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels te
Amsterdam.
LIT: BDI; Brongers; Hiller. [P.J. Verkruijsse]
| |
antiroman
Term uit de literaire kritiek voor een roman waarin opzettelijk
gebroken wordt met wat op een bepaald moment traditie is geworden of waarin de
verwachtingen van de lezer op het punt van de romanconventies met opzet
doorbroken worden, zoals bijv. in de
nouveau roman gebeurt. Vanwege die
doorbreking van de romanconventies noemde bijv.
Vestdijk Het land van
herkomst (1935) van
E. du Perron een antiroman.
Alain Robbe-Grillet geeft in zijn romans
Les Gommes (1953) en La jalousie
(1957) geen houvast meer aan de lezer door geen opbouw naar een
plot of de normale tijd-ruimte-verhoudingen
meer te hanteren. De waarnemingen van de personages zijn even onvoorspelbaar
als hun reacties en hun ‘bijzondere’ visie daarop.
InNederland kunnen
M. Tophoffs De falende
stad (1965) en Leeg te aanvaarden (1966) als
antiromans gelden.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Metzler; P. de Wispelaere.
‘Het proza’, in: Literair lustrum 2 (1973). [G.J. van
Bork]
| |
antistrofe-1 of tegenzang
Van oorsprong de exact gelijke tegenbeweging van de dansers in de
Griekse koorzang na een voorafgaande verplaatsing in de tegenovergestelde
richting. Vervolgens betekent het de volledig metrisch corresponderende
tegenzang na de voorafgaande
strofe in een
ode, die meestal afgesloten wordt met een
epode (epode-2) in een afwijkend metrum.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Marouzeau; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
antistrofe-2
Term uit de retorica voor herhaling (repetitio) van in tegengestelde volgorde geplaatste woorden.
Een voorbeeld van antistrofe komt voor in vs. 4-5 van
‘Boere-charleston’ van
Paul van Ostaijen:
boerelongen ballen wangen
(
Paul van Ostaijen. VW /
Poëzie, 1963, p. 239).
LIT: Baldick; Metzler; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [P.J.
Verkruijsse]
| |
antithese, antitheton of contrapositum
Term uit de stijlleer voor die vorm van
contentio die bestaat uit het tegenover
elkaar plaatsen van twee noties. Men maakt onderscheid tussen 1) zinsantithese,
2) woordgroepantithese en 3) antithese per afzonderlijk woord.
Ad 1): Doe ik mijn oogen toe,
Dan wil ik 't wel gelooven;
Komt weer de Twijfel boven.
(
P.A. de Genestet. Complete
gedichten, 19122, p. 316).
Ad 2): Daags tusschen boeken, 's nachts in een café.
(M. Nijhoff. VG, 19744, p. 9).
Ad 3): Moeder, die leven geeft, dat sterven moet.
De antithese kan de vorm hebben van een
oxymoron en van een
paradox. Dikwijls gaat de antithese gepaard
met vormen van herhaling als
parallellisme,
chiasme en
eindrijm.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh';
Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2;; Gorp; HWR; Lausberg; Lodewick; Metzler; MEW;
Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| | | |
antitoneel
Term uit de toneelkritiek voor een dramavorm waarin de
toneelconventies geheel overboord zijn gezet of met opzet worden overtreden,
zoals in het
absurdistisch toneel.
LIT: Cuddon; Gorp; Metzler; R. Hayman. Theatre and
anti-theatre (1979). [G.J. van Bork]
| |
antoniem
Stijlfiguur die beschouwd kan worden als een vorm van
perifrase. Men zegt iets door het
tegenovergestelde in ontkennende zin te formuleren. In plaats van ‘blijf
bij me’ zegt men dan bijv. ‘Je moet niet van me weggaan.’ Men
kan deze stijlfiguur hanteren om iets te accentueren of louter als versiering.
De antoniem is verwant aan de
litotes.
LIT: Alphen; Best; Bronzwaer; Cuddon; Gorp; Marouzeau; Scott;
Shipley. [G.J. Vis]
| |
antonomasie-1
Eén van de
tropen-1, nl. het vervangen van een
eigennaam door een omschrijving, gebaseerd op
contigu verband, een soort
perifrase of
synecdoche dus. Zo noemt men
Vondelwel ‘de prins der
dichters’ en spreekt men over
Antonides van der Goes als ‘de
dichter van de Ystroom’.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp;
HWR; Lausberg; Metzler; Morier; Myers/Simms; Scott; Shipley. [P.J.
Verkruijsse]
| |
antonomasie-2
G.J. Vossius heeft de term antonomasie
ook gebruikt voor het vervangen van een apellatief door een eigennaam, dus het
omgekeerde van
antonomasie-1. De eigennaam moet wel
toebehoren aan een algemeen bekend persoon uit de geschiedenis of mythologie,
zoals ‘een droogstoppel’ (figuur uit de Max
Havelaar van
Multatuli) voor een ‘saai en
vervelend iemand’ of ‘een Xantippe’ (de vrouw van Socrates)
voor ‘een feeks van een vrouw’.
LIT: Lausberg; Metzler. [P.J. Verkruijsse]
| |
aphaeresis of procope
Het meestal ter wille van het metrum weglaten (detractio) van een lettergreep of een klank aan het begin van
een woord.
Een voorbeeld waarin ‘ick’ of ‘ik’ is
ingekort tot ‘ck’ of ‘K’ is het begin van
P.C. Hoofts gedicht ‘Chanson a
Madame’ in Gedichten:
Soo 'ck heb gemint, en min, en ongetroost moet blijven,
K' en laster u daerom jonge Cupido niet;
K' en sal de tedersachte Venus niet bekijven,
Noch oock niet de Godin oorsaeck van mijn verdriet.
(ed.
Stoett, dl.1, 1899, p. 11).
LIT: Best; Cuddon; Dupriez-2; Gorp; HWR; Lausberg; Marouzeau;
Metzler; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [P.J.
Verkruijsse]
| |
apocalyptische literatuur
Literatuur waarin een onheilspellend toekomstbeeld wordt
geprofeteerd. Deze literatuur gaat terug op het bijbelboek Openbaringen (de
Apocalyps). Een voorbeeld uit de moderne literatuur is
Belcampo's verhaal ‘Het grote
gebeuren’, opgenomen in Nieuwe verhalen (1945).
LIT: Baldick; Cuddon; Fowler; Gorp; LdMA; Metzler; Scott; P.
Eligh. Leven in de eindtijd (1996). [G.J. van Bork]
| |
apocope
Vorm van
elisie, bestaande uit afstoting van een
onbeklemtoonde slotklinker, bijv. ‘Here’ wordt ‘Heer’;
‘einde’ wordt ‘eind’. Apocope werd door de 17e-eeuwse
Nederlandse taalbouwers gepropageerd om de beknoptheid van de moedertaal te
stimuleren.
LIT: Best; Boven/Dorleijn; Cuddon; Dupriez-2; Gorp; HWR; Lausberg;
Marouzeau; Metzler; Morier; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
apocopisch rijm
Vorm van onvolledig
eindrijm waarbij alleen de beklemtoonde
syllaben op elkaar rijmen, zoals in de regels
maar opent verre verschieten.
(
Henk Spaan. 'n Lach en 'n
traan, 1973, p. 2).
LIT: Buddingh; Preminger; Scott. [G.J. Vis]
| |
apodosis
Tweede deel van een
periodus-1, een volzin, waarin de in het
eerste deel (de
protasis-2) opgebouwde spanning wordt
opgelost. Vaak betreft het zinnen met een
antithese van het type: weliswaar ..., maar
...; of: wanneer ..., dan ....
LIT: Best; Gorp; Lausberg; Marouzeau; Morier; scott; Shipley;
Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
apograaf
Afschrift van een tekst gemaakt door iemand anders dan de
auteur. De Middelnederlandse literatuur is
haast uitsluitend in apografen bewaard gebleven, vervaardigd door
beroepskopiisten (kopiist). Een eigenhandig door de
auteur geschreven tekst noemt men een
autograaf.
LIT: BDI; Gorp; Mathijsen; MEW; M.J.M. de Haan. Enige aspecten
van tekstkritiek van Middelnederlandse teksten (1973). [W. Kuiper]
| |
apokoinou
Term uit de stijlleer ter aanduiding van een ongrammaticale, vaak
samengestelde zin die gekenmerkt wordt door het feit dat één
element dienst doet als bestanddeel van twee zinsdelen of zinnen, bijv.
‘Ik zag mijn broer was ziek.’ In het gedicht ‘Oorlog &
oorlog’ van
Lucebert vervult de tweede regel
grammaticaal een dubbelfunctie ten opzichte van de eerste en de derde regel:
zij komen glanzend overgevlogen
onder de bloedende moeder
(
Lucebert. VG, 1974, p.
224).
De apokoinou is verwant aan de
anakoloet en aan het
zeugma.
LIT: Best; Boven/Dorleijn; Gorp; HWR; Lausberg; Lodewick; Metzler;
Shipley; Wilpert; C. Minis. ‘De apokoinou-constructie, vooral in den
Ferguut’, in: TNTL 62 (1943), p. 161-184, 270-289. [G.J. Vis]
| |
apollinisch
Door
F.W. Nietzsche (1844-1900) geschapen
samenvattende term - geïnspireerd op de filosofie van
A. Schopenhauer (1799-1860) - ter
aanduiding van alles wat tegenover het
dionysische in wereldbeschouwing, levensleer
en kunst de kenmerken draagt van het statische en evenwichtige intellect en wat
streeft naar maat, orde en harmonie. Ten aanzien van de kunsten, waarvan Apollo
de god is, doelt de term op licht en begrijpelijkheid, rede, symmetrie en
cultuur, schoonheid en genezing.
Nietzsche zag het apollinische als een van de hoofdkenmerken van
de Griekse kunst. Samen met het dionysische, waarmee het in een voortdurende
spanningsverhouding staat, vormde het de grondslag van de Griekse cultuur zoals
die bijv. in de tragedie tot uiting komt. De Griekse kunstwerken werden in deze
optiek gezien als producten van een krachtig conflict, niet zozeer serene rust
representerend als wel een met moeite verkregen overwinning.
Sommigen leggen verband tussen het apollinische element in de
Oudheid en het rationele van het latere
classicisme.
LIT: Best; Cuddon; Gorp; HWR; Laan; Metzler; MEW; Preminger;
Scott; Shipley; G. Highet. The classical tradition (19672),
p. 459-460. [G.J. Vis]
| |
apologie
Verdedigingsrede of verweerschrift. Bekend is de
Apologie (1581; ed.
Alberts/
Verlaan, 1980) van
Willem van Oranjetegen de over hem door
Filips II uitgesproken ban. Het stuk is
overigens in het Frans opgesteld door zijn hofprediker
Villiers en twee van diens vrienden,
Languet en
Du Plessis Mornay. Een andere
Apologie (1772) is - anoniem - uitgegeven door Ds. Wolff om zijn vrouw,
Betje Wolff-Bekker, te verdedigen tegen de
aanvallen op haar De Santhorstsche geloofsbelijdenis.
LIT: Baldick; Best; Brongers; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp;
HWR; Laan; Metzler; MEW; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert. [P.J.
Verkruijsse]
| |
apologisch spreekwoord zie
zeispreuk
| |
apophtegma
Oorspronkelijk Griekse term voor het duidelijk en met enige nadruk
ergens over spreken. In de literatuur is de term steeds meer in gebruik gekomen
voor anekdoten over filosofen, heiligen of andere historische figuren die een
levenswijsheid bevatten. Wanneer dat laatste element gaat overheersen in deze
anekdoten valt het apophtegma samen met de
sententia of de zedenspreuken en is het
vergelijkbaar met de
adagia.
LIT: Baldick; Cuddon; Gorp; Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
aposiopese zie
reticentia
| |
apostelspel
Subgenre van het
bijbels drama, waarin een episode uit het
leven der apostelen wordt uitgebeeld en waarvoor de stof doorgaans ontleend
werd aan het bijbelboek ‘Handelingen der apostelen’, soms aangevuld
met andere bronnen zoals de evangeliën, de brieven der apostelen of
Romeinse geschiedenis. Het oudste West-Europese apostelspel dateert van de 13e
eeuw. In de Nederlanden bloeide het genre gedurende de 16e eeuw, met name in de
zuidelijke Nederlanden. Een bekend apostelspel uit die tijd is De
bekeeringe Pauli (ed.
Steenbergen, 1953).
LIT: Gorp; Metzler; MEW; G.J. Steenbergen. ‘Het
apostelspel’, in: VMA (1952), p. 439-488; W.M.H. Hummelen.
Repertorium van het rederijkersdrama, ca. 1500-1625 (1968), p. 46-48;
B.A.M. Ramakers. ‘Maer en beroemt u niet! Het eerste Spel van Sinnen van
dWerc der Apostelen van Willem van Haecht’, in: Wat duikers vent is
dit! (1989), p. 147-164. [W. Kuiper]
| |
apostrofe
Stijlfiguur uit de retorica, nl. één van de
mogelijkheden binnen de
aversio: het zich afwenden van het publiek
door de vertellende instantie (aversio ab auditoribus) of van de aanvankelijk
aangesproken persoon door het personage om zich te richten tot een niet
aanwezig persoon of tot een als personificatie gedacht begrip of collectivum,
vaak de goden of de Muzen.
Een paar voorbeelden aan het slot van
J. van den Vondels
Gysbreght van Aemstel (1637) zijn vs. 1865 waar
broer Peter uitroept: ‘Zijt ghy dat Rafaël?’ en vs. 1895 waar
Badeloch zich tot Amsterdam richt met de woorden:
Verdelghde stad, wy gaen, en komen nimmer weer
(WB-ed., dl. 3, 1929, p. 599-600).
LIT: Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1;
Dupriez-2; Gorp; HWR; Lausberg; Marouzeau; Metzler; Morier; Myers/Simms;
Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
apotheose
Oorspronkelijk: verheffing tot de rang der goden. Bij overdracht
gebruikt voor het hoogtepunt van een toneelopvoering, meestal de
slotscène, waarin het maximum aan pracht en kunnen getoond wordt.
LIT: Gorp; Metzler; Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
apparaat van de neerlandicus
Het geheel van bibliografische en andere heuristische hulpmiddelen
dat de neerlandicus ten dienste staat bij zijn onderzoek. Het apparaat omvat
zowel instellingen, zoals bibliotheken, archieven en letterkundige musea, als
handboeken, bibliografieën, catalogi, literatuurgeschiedenissen,
woordenboeken enz. De term is waarschijnlijk ontstaan naar analogie van het
Apparaat voor de studie der geschiedenis van
J.M. Romein (1949).
Een aanzet tot de beschrijving van het apparaat van de
neerlandicus en het gebruik daarvan is gegeven door
A.M.J. van Buuren,
W.P. Gerritsen en
A.N. Paasman in het
Vermakelijk bibliografisch ganzenbord. Een eerste handleiding bij
systematisch-bibliografisch onderzoek op het gebied van de Nederlandse
letterkunde (19835). Inmiddels is ook het
computerprogramma BIZON (Bibliografisch Zoekprogramma Nederlandse
letterkunde) van
P.J. Verkruijsse,
A. Lemmens en
J.F.A.M. van den Berg beschikbaar (eerste
versie 1994; regelmatige updates).
LIT: Baldick; Brongers; Metzler. [P.J. Verkruijsse]
| | | |
approbatur
Latijn voor ‘het wordt goedgekeurd’, gevolgd door de
naam van de censor, meestal afgedrukt op de verso-zijde van de titelpagina,
waarmee vanaf de 16e eeuw wordt aangegeven dat een boek de goedkeuring van de
rooms-katholieke kerk kan wegdragen. De katholieke (preventieve)
censuur van boeken was geregeld in de
Codex juris canonici (1385): alle bijbeluitgaven en
-commentaren, gebedenboeken en theologische geschriften in ruime betekenis
moesten worden voorgelegd aan de censor van het diocees waar de drukker
gevestigd was. De eveneens in boeken opgenomen formules
imprimatur, evulgetur of nihil obstat
betekenen alleen maar dat er geen dwalingen tegen de katholieke moraal of leer
in het desbetreffende werk voorkomen. In publicaties van regulieren wordt een
dergelijke keur van de orde waartoe hij behoort gecombineerd met het approbatur
voor de drukker.
LIT: Gorp; Hiller; Laan; MEW; Wilpert; B.Th. Stoverink. De
Index en de boekencensuur in de R.-K. kerk (1920); M. Custers.
Kerkelijke boekenwetgeving (1960); H.A. Enno van Gelder. Getemperde
vrijheid (1972); Th. Clemens. De godsdienstigheid in de Nederlanden in
de spiegel van de katholieke kerkboeken 1680-1840 (1988), p. 26-28. [P.J.
Verkruijsse]
| |
aptum of decorum
Eén van de vier traditionele stijldeugden binnen de
elocutio, de stijlleer in de retorica, naast
de
puritas,
perspicuitas en
ornatus, nl. de passendheid tussen de inhoud
en verwoording, alsmede tussen de persoon van de spreker, het publiek, tijd,
plaats en de verwoording. Ideeën, alinea's, zinnen, woordgroepen, woorden,
lettergrepen en klanken moeten binnen het geheel van de rede op elkaar
afgestemd, met elkaar in harmonie zijn. Het aptum kan doorbroken worden door
obscenitas en humilitas. Een toegestane
afwijking kan goedgemaakt worden door een remedium. Er worden drie stijlniveaus
(genera elocutionis) onderscheiden, die door het decorum
verbonden worden aan de erbij behorende onderwerpen (res).
LIT: Baldick; Fowler; Gorp; Lausberg; MEW. [P.J. Verkruijsse]
| |
arabeske
Term door sommige schrijvers gehanteerd voor die literaire werken
waarvan de sierlijke schikking kenmerkend wordt gevonden. Zo noemt
Couperus een bundel korte verhalen
Korte arabesken (1911).
Hendrik de Vries gebruikt de term in de
ondertitel ‘romancen, sproken en arabesken’ van zijn dichtbundel
Toovertuin (1948). De arabeske is vaak grillig en
bizar.
LIT: Best; Gorp; HWR; Metzler; Morier; Scott; Wilpert. [G.J.
Vis]
| |
arbeidersliteratuur zie
proletarische literatuur
| |
arbeiderspoëzie
Poëzie die door en vaak ook voor arbeiders geschreven is. Een
voorbeeld hiervan is M'n woord een wapen tot verweer
(1972) van
P. van Vollenhoven en
W. de Vries.
LIT: Bantel; Best; Buddingh'; Gorp; Metzler; MEW; WAR,
tijdschrift voor arbeidersliteratuur (vanaf 1975). [G.J. van Bork]
| |
arbeidslied
Lied gezongen bij het verrichten van lichamelijk werk met een
bepaald ritme, zoals spinnen, zagen, hijsen enz., bijv. in het heierslied:
LIT: Metzler; Wilpert; K. ter Laan. Folkloristisch woordenboek
van Nederland en Vlaams België (1949). [G.J. Vis]
| |
arcadia of herdersroman
De epische vorm van de
bucolische literatuur: een herdersroman,
waarin het eenvoudige landleven wordt geïdealiseerd als tegenhanger van
het verdorven hofleven. De auteur en zijn geliefde met hun vrienden treden er
zelf in op, uitgedost als herders. Het genre, waarvan het eerste specimen
(Arcadia) eind 15e eeuw in Italië door
Sannazaro werd geschreven, dankt zijn
naam aan de idyllische landstreek Arcadië, die als
locus amoenus in de renaissance veel
voorkomt. In de 17e- en 18e-eeuwse Nederlandse arcadia wordt vrij veel locale
en regionale geschiedenis behandeld, omdat een helder historisch zicht op de
eigen tijd en omgeving nodig geacht werd, wat in de verschillende titels al tot
uiting komt, bijv. Batavische arcadia (1637; ed.
Verkuyl 1982) van
Johan van Heemskerck,
Dordrechtsche arcadia (1663) van
Lambert van den Bos, Walcherse
arcadia (1715-1717) van
Mattheus Gargonen vele andere. Naast de
arcadia is er het herdersdicht (pastorale-1) en als
gedramatiseerde vorm de
pastorale-2. Er zijn ook relaties met de
georgische poëzie.
LIT: Brongers; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler;
MEW; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert; P.E.L. Verkuyl. Battista
Guarini's Il Pastor Fido in de Nederlandse dramatische literatuur (1971),
p. 9-18; J.L.P. Blommendaal. De zachte toon der herdersfluit. De pastorale
poëtica van J.B. Wellekens (1658-1726) (1987). [P.J. Verkruijsse]
| |
archaïsme
Term voor een verouderde taalvorm, zinsconstructie of een
verouderd woord. Vaak wordt een archaïsme doelbewust gebruikt, bijv. om de
tekst plechtstatiger te maken, of om iets uit te drukken waarvoor een
eigentijds woord niet voldoet. Ook kan het dienen om
couleur locale aan te brengen of een tekst
een historisch tintje te geven. Vooral de schrijvers van historische romans en
verhalen in de 19e eeuw maakten daarvoor veelvuldig gebruik van
archaïsmen, bijv. ‘Lacen! dat ge mij wekt, melieve!’ (
A.L.G. Bosboom-Toussaint. Don
Abbondio II, 1856, p. 323). Ook bij moderne schrijvers vindt men
archaïsmen, die dan vaak een ironiserend effect hebben, bijv.
Nu ik dit boek op 7 Juni van het jaar 1976, te des namiddags vijf
minuten over twee, begonnen ben te schrijven, zou zulks moeten betekenen dat ik
[...]. (Gerard Reve. Oud en
Eenzaam, 1988, p. 9).
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1;
Dupriez-2; Fowler; Gorp; HWR; Laan; Lodewick; Marouzeau; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [F. van Thijn]
| |
archetype
Term uit de codicologie voor het - niet overgeleverde -
handschrift dat aan de basis van de handschriftelijke overlevering staat. Het
kan de
autograaf van de auteur zijn, maar ook het
afschrift (apograaf) van een kopiist. Als gevolg van
fouten en ingrepen van kopiisten bevatten de afschriften afwijkende lezingen
ten opzichte van het archetype. Het behoort tot de taken van de filoloog (filologie) de bewaard gebleven afschriften te ordenen in een
stemma of stamboom, op basis waarvan de
lezing van het archetype ge(re)construeerd kan worden.
LIT: Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Wilpert; M.J.M. de Haan.
Enige aspecten van tekstkritiek van Middelnederlandse teksten (1973);
A.M. Duinhoven. Bijdragen tot reconstructie van de Karel ende Elegast I
(1975); B. Salemans. ‘Van Lachmann tot Hennig: Cladistische
tekstkritiek’, in: Gramma 11 (1987), p. 191-224; B. Salemans.
‘Varianten als bouwstenen van stemma's: een pleidooi voor eenvoud en
openheid bij het opstellen van tekststambomen’, in: Wat duikers vent
is dit! Opstellen voor W.M.H. Hummelen (1989), p. 319-343; B.J.P. Salemans.
‘Text genealogical remarks on Lachmann, Bédier, Greg and
Dearing’, in: LB 79 (1990), p. 427-468. [W. Kuiper]
| |
archief-1
Het geheel der bescheiden, ambtshalve ontvangen of opgemaakt door
een bestuur of zelfstandig handelend functionaris en naar hun aard bestemd om
onder dat bestuur of die functionaris te berusten. Een persoonlijk archief
bevat de bescheiden van een particulier persoon. Een familiearchief is een
combinatie van persoonlijke archieven. Een huisarchief is een combinatie van
persoonlijke en/of familiearchieven, horend bij eenzelfde huis. In
tegenstelling tot een bibliotheek en een museum is een archief dus geen
toevallige verzameling.
Het dynamische, nog niet afgesloten archief wordt geordend volgens
een registratuurplan. Voor het statische archief is het structuurbeginsel
algemeen aanvaard, d.w.z. dat de historisch bepaalde structuur niet verstoord
mag worden of - als dat wel gebeurd is - weer hersteld moet worden volgens het
bestemmings-, herkomst- of restauratiebeginsel.
Archieven kunnen toegankelijk gemaakt worden door een
inventaris, een regestenlijst (regest), een
index-1 of een
klapper. De voor het literair-historisch
onderzoek belangrijkste afdelingen van een archief zijn de doop-, trouw- en
begraafregisters (DTB's) of na 1811 de burgerlijke stand (BS), de rechterlijke
archieven (RA), notariële archieven (NA), weeskamerarchieven, de archieven
van de overheden met o.a. resolutieboeken en stadsrekeningen en de
gildenarchieven. Veel particuliere archivalia bevinden zich ook in de
handschriftenverzamelingen van musea en bibliotheken.
LIT: BDI; Brongers; Cuddon; Gorp; Hiller; Ned.Arch.-term.; Scott;
W.J. Formsma en B. van 't Hoff. Repertorium van inventarissen van
Nederlandse archieven (19652); W. Wijnaendts van Resandt.
Repertorium DTB (1969); J.A.M.Y. Bos-Rops, M. Bruggeman en F.C.J.
Ketelaar. Archiefwijzer. Handleiding voor het gebruik van archieven in
Nederland (19942); E.P. de Booy & G.M.W. Ruitenberg. Zorg
voor het familiearchief (1995); F.C. Hartman. Handleiding voor het
ordenen en beschrijven van archieven van verenigingen en instellingen
(1995). [P.J. Verkruijsse]
| |
archief-2
Bewaarplaats van archieven in de betekenis van
archief-1. De rijksarchiefinstellingen zijn
openbaar. Die openbaarheid van Algemeen Rijksarchief (ARA), Rijksarchieven (RA)
in de provincies, gemeentelijke archiefdiensten (GA), streekarchieven en
waterschapsarchieven is bij de wet geregeld (archiefwetten van 1918, 1962,
1996). Private archieven zijn in beginsel niet openbaar, zoals het Koninklijk
Huisarchief en de archieven in het Katholiek Documentatie Centrum (KDC)
teNijmegen, het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG) te
's-Gravenhage, het Archief en Museum voor het Vlaams Cultuurleven
(AMVC) teAntwerpen en het Nederlands Letterkundig Museum en
Documentatiecentrum (NLMD) te 's-Gravenhage. Wel worden veel
particuliere archieven, dus ook van auteurs of andere voor het
literair-historisch onderzoek belangrijke figuren, centraal geregistreerd in
het Centraal Register Particuliere Archieven (CRPA) op het Algemeen
Rijksarchief te 's-Gravenhage. De meeste archieven beschikken over
gespecialiseerde bibliotheken en documentatiesystemen.
LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Scott; Wilpert; E.P. Polak-De
Booy. ‘Centraal Register van Familie-archieven’, in:
Dokumentatieblad Werkgroep 18e Eeuw, nr. 3(mei 1969), p. 3-11; W.J.
Formsma en F.C.J. de Ketelaar. Gids voor de Nederlandse archieven
(19752); Nederland in stukken. Beeldkroniek van Nederlandse
archieven (1979); Overzichten van de archieven en verzamelingen in de
openbare archiefbewaarplaatsen in Nederland (14 dln.; 1979-1992). [P.J.
Verkruijsse]
| |
archief-3
Benaming van tijdschriften, zoals in Archief voor
Nederlandsche taalkunde (van 1847 tot 1856 uitgegeven door
A. de Jager), Archief voor de
geschiedenis van de katholieke kerk in Nederland (vanaf 1959),
Archief. Mededelingen van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der
Wetenschappen (vanaf 1856).
LIT: Brongers; Hiller; Scott. [P.J. Verkruijsse]
| |
archief-4
Benaming voor een materiaalverzameling in het algemeen, zoals het
Archief voor de Nederlandse syntaxis te Groningen, de
knipselarchieven van het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven (AMVC)
te Antwerpen, het Nederlands Letterkundig Museum en
Documentatiecentrum (NLMD) te 's-Gravenhage en de afdeling
Documentatie Nederlandse Letterkunde (DNL) van het Instituut voor
Neerlandistiek te Amsterdam.
LIT: [P.J. Verkruijsse]
| |
archiefeditie
In de
teksteditie spreekt men van een
archiefeditie als alle teksten in alle geautoriseerde staten, in handschrift
én gedrukt, van een auteur (of in geval van een anonieme tekst: alle
handschriften en drukken van een tekst) in één editie bijeen
gebracht worden als voorbereiding voor een
historisch-kritische of
diplomatische editie. De archiefeditie
geeft, uitgaande van semiologisch-linguïstische en
functioneel-tekststructurele principes, van iedere afzonderlijke staat van een
tekst als één geheel met behulp van
diacritische tekens-1 de eindredactie en
alle tussenstadia die daartoe geleid hebben. In de praktijk wordt zo'n editie
die alleen maar transscribeert en per druk de drukgeschiedenis vaststelt door
analytisch-bibliografisch onderzoek meestal te kostbaar zodat dit voorwerk voor
een diplomatische of kritische editie door de editeur in portefeuille gehouden
wordt.
Een voorbeeld van een archiefeditie is die van
Jacob van Maerlants tweede Martijn:
Den anderen Merten. Synoptische archiefeditie van Jacob van
Maerlant's tweede Martijn (ed.
Th. Mertens, 1978).
LIT: Mathijsen; K. Kanzog. Prolegomena zu einer
historisch-kritischen Ausgabe der Werke Heinrich von Kleists. Theorie und
Praxis einer modernen Klassiker-Edition (1970); P.J. Verkruijsse.
‘Over diplomatisch editeren van handschriften en het gebruik daarbij van
diacritische tekens’, in: Spektator 3 (1973-1974), p. 325-346.
[P.J. Verkruijsse]
| |
archivistiek
De wetenschap die studie maakt van de archieven (archief-1 en
-2) en van hun ordening en beschrijving.
Voor de letterkundige zal een passieve kennis van ordenings- en
beschrijvingsmethoden in de regel voldoende zijn om de weg te vinden in de
archieven.
LIT: J.L. van der Gouw. Inleiding tot de archivistiek
(1955); J.L. van der Gouw. Archiefwetenschap (1973); W.J. Formsma.
‘Het inventariseren van archieven’, in: Nederlands
Archievenblad 77 (1973), p. 3-80; B. Woelderink. ‘De geschiedenis van
het archiefwezen in Nederland in hoofdlijnen’, in: Verslag en
bijdragen Rijksarchiefschool 1972-73/1973-74 (1975), p. 61-90; F.J. Duparc.
Een eeuw strijd voor Nederlands cultureel erfgoed (1975), p. 395-488.
[P.J. Verkruijsse]
| |
argumentatio
Binnen de
dispositio is in de retorica na het
exordium en de
narratio de argumentatio het kernstuk van
het betoog. Zo'n betoog kent gewoonlijk twee delen, een
confirmatio waarin de bewijzen voor een
stelling geleverd worden en een
refutatio waarin de argumenten van de
opponent weerlegd worden. In lange betogen kan op geschikte plaatsen een
digressie of excursus, een uitweiding,
ingelast worden.
In
Vondels Inwydinge van het
stadthuis t'Amsterdam (WB-ed., dl. 5, 1931, p. 859-904) komt een
argumenteel gedeelte voor in vs. 1169-1370 met daarbinnen o.a. een confirmatio
(vs. 1169-1194) en refutatio (vs. 1195-1214). Een digressie in de lange passage
met de beschrijving van het stadhuis (vs. 681-1168) wordt gevormd door de vss.
745-865 die handelen over de Amsterdamse nutsinstellingen.
LIT: Baldick; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; HWR; Lausberg;
Metzler; Scott; Shipley. [P.J. Verkruijsse]
| |
Aristotelische eenheden
In het renaissance- en Frans-classicistische drama als
voorschriften opgevatte
eenheid van tijd en
eenheid van handeling. De eenheid van tijd
houdt in dat de handeling op het toneel niet langer mag duren dan een etmaal.
De eenheid van handeling betekent dat er geen bijzaken als nevenintrige naast
of door de hoofdintrige heen mogen lopen. Volgens de - door de 16e-eeuwse
theoretici (als eerste
Castelvetro) uit de eenheid van tijd
afgeleide -
eenheid van plaats moet de handeling zich op
één plaats afspelen; gebeurtenissen van belang die zich elders
afspelen, worden bijv. door een bode verteld.
Aristoteles'
Poetica, waarin de eenheden van tijd en handeling ter
sprake komen, was veel minder normatief dan men in de renaissance en het
neoclassicisme meende. De eenheden van tijd en plaats worden vaak aan het begin
van een drama expliciet meegedeeld, bijv. bij
Vondels
Gysbreght van Aemstel, waar na een ‘kort
begriip’ waarin de handeling uiteengezet wordt, de mededeling volgt:
Het tooneel is voor en in de stad en op het huis. [...] het
treurspel begint na middagh ten drie uuren, en eindigt in den morgenstond
(WB-ed., dl. 3, 1929, p. 528).
LIT: Abrams; Baldick; Best; Gorp; Laan; Shipley; A.G. van Hamel.
Zeventiende-eeuwsche opvattingen en theorieën over litteratuur in
Nederland (1918), p. 122-139; A.J.E. Harmsen. Onderwys in de
tooneel-poëzy (1989), p. 246-256. [P.J. Verkruijsse]
| |
arritmie
Term uit de prosodie ter aanduiding van een lezersreactie die
stamt uit de tijd dat metrische (metrum) poëzie
normaal was, i.c. de Klassieke Oudheid. Gewend aan metrische poëzie en ook
aan het
isosyllabisch vers, ervaart de lezer een
hiervan afwijkend type (vers-1) als strijdig met de
vereiste ritmische (ritme) principes. Dit kan bijv. het
geval zijn met het
acefalisch vers of met een polymetrisch
(polymetrie) gedicht, of met een strofe waarvan de
regels ongelijk van lengte zijn. Men vergelijke bijv. de opeenvolgende regels
van het gedicht ‘Zwemmende’ van
Gossaert:
De zee is in rust en de wind uit het zuien, bij 't dagen des
zomerschen morgens verstild,
Is melodieus van het diepe gemurmel,
(G. Gossaert.
Experimenten, 194911, p. 1).
LIT: Wilpert. [G.J. Vis]
| |
ars
Latijn voor ‘vaardigheid’, ‘kunst’,
waarbij kunst niet wordt bedoeld in zijn huidige
‘geïnspireerde’ betekenis. Het begrip ‘ars’ werd
ontwikkeld in de bloeitijd van het Romeinse keizerrijk. In de laatantieke
samenleving waren kennis en wetenschap georganiseerd in artes: de
artes liberales (intellectuele vaardigheden
voor de vrije burger), de artes mechanicae (handvaardigheden waarmee een
werkend mens in zijn levensonderhoud voorzag, waartoe men ook de schilder- en
beeldhouwkunst rekende) en de artes incertae (tovenarij, waarzeggerij, zwarte
kunst of
nigromantie). Deze driedeling werd gedurende
de Middeleeuwen gehandhaafd, waardoor er in deze periode nog geen verschil
ontstaat tussen kunstenaar en handwerksman.
LIT: Brongers; HWR; Lausberg; LdMA; Shipley. [H. Struik]
| |
ars amandi
Latijnse benaming voor een pseudo-wetenschappelijke verhandeling
over de kunst van het beminnen. Deze artes amatoria bevatten gewoonlijk
voorschriften of aanwijzingen voor de minnaar over de wijze van benaderen en
omgaan met de beminde.
Het genre is in West-Europa gegrondvest door
Ovidius met diens Ars
amatoria en Remedia amoris. Bekende
middeleeuwse artes amandi zijn De arte honeste amandi van
Andreas Capellanus (eind 12e eeuw) en de
Roman van de roos (3e kwart 13e eeuw):
Ware vrouwe ocht here die vrien woude
hoemen dit boec heten soude,
Die Rose seggic dat heten sal,
want daer es in besloten al
die art van minnen geellike.
(Heinric. Die Rose, ed. Verwijs, 1868, vs. 31-35).
Binnen de Middelnederlandse letterkunde kan Der minnen
loep (ca. 1410) van
Dirc Potter als een ars amandi beschouwd
worden.
Artes amatoria uit jonger tijden zijn die van
Anne H. Mulder Een ars amandi.
Dat is de kunst van het beminnen (...) (1952) en van
Inez van Eijk Bij jou of bij
mij! Erotische etiquette (1994).
LIT: Laan; C.S. Lewis. The allegory of love (1936), p.
112-156; R.Boase. The origin and meaning of courtly love (1977); A.M.J.
van Buuren. Der minnen loep van Dirc Potter (1979); D.E. van der Poel.
De Vlaamse Rose en Die Rose van Heinric. Onderzoekingen over twee
Middelnederlandse bewerkingen van de Roman de la Rose (1989). [W.
Kuiper]
| |
ars bene dicendi
De techniek van een goede mondelinge taalbeheersing, die samen met
de
ars persuadendi de ars
retorica vormt. De ars bene dicendi is
vooral van toepassing in het
genus demonstrativum, de
gelegenheidstoespraak, waaronder de gehele literatuur begrepen werd,
méér dan in het
genus iudiciale en
genus deliberativum waar de ars persuadendi
op de voorgrond treedt.
LIT: Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| |
ars dictaminis of ars dictandi
Term uit de retorica voor de vaardigheid van het schrijven van
(officiële) brieven en juridische stukken. De nadruk op dit onderdeel van
de retorica komt voort uit de juristenpraktijk ten tijde van
Karel de Grote en vindt zijn beslag in
de 11e eeuw. Vanaf die tijd ontstaan er tal van voorbeeld- en formulierboeken
met aanwijzingen voor groetformules waarop men zich - vooral ook in het
onderwijs - kan baseren bij het ontwerpen van stukken en brieven. De
brief als kunstvorm kwam al bij de
klassieken voor, zowel in proza als in poëzie. De ontwikkeling binnen de
ars dictaminis leidde er uiteindelijk toe dat de klassieke tweedeling proza -
poëzie gedurende de Middeleeuwen uitgroeide tot een verdeling in
‘gebruiksproza’ (sermo simplex), ‘kunstproza’ (dictamen
prosaicum), ‘rijmproza’ (mixtum sive compositum) en
‘mengproza’ (prosimetrum).
LIT: LdMA; HWR; Metzler; MEW; Ueding; E.R. Curtius.
Europäische Literatur und lateinisches Mittelalter
(19738), p. 85-86, 158-163. [P.J. Verkruijsse]
| |
ars dictandi zie
ars dictaminis
| |
ars moriendi of sterfboek
Laatmiddeleeuwse devote literatuur die haar naam dankt aan het
vroeg-15e-eeuwse tractaat De arte moriendi van
Johannes Gerson. De teneur van het werk
luidt: wie godvruchtig leeft, sterft zacht. Gersons werk werd nagevolgd door
Jacob van Clusa in De arte bene
moriendi en door
Mattheus van Krakau in Speculum
artis bene moriendi, maar het genre maakte furore dankzij het
verschijnen van het anonieme
blokboek Ars moriendi,
dat zijn populariteit vooral aan de sprekende houtsneden dankte. Deze morbide
materie is ook in het Middelnederlands vertaald, bijv. Een scone
leeringe om salich te sterven (1500, ed.
B. de Geus e.a., 1985).
LIT: Best; Brongers; LdMA; Metzler; MEW; Wilpert; D.C. Tinbergen
(ed.). Des coninx summe (1900), p. 160-165, 315-327; A.F.S. Burssens.
Dat boeck vander voirsienicheit godes (1930), p. 51-70); R. Rudolf.
Ars Moriendi. Von den Kunst des heilsamen Lebens und Sterbens (1957);
E.J.G. Lips. ‘Om alle menschen wel te leren sterven. Een onderzoek naar
het publiek en de receptie van Nederlandstalige Ars moriendi-teksten in de
vijftiende en vroege zestiende eeuw’, in: Nederlands Archief voor
Kerkgeschiedenis 66 (1986), p. 148-179; C. Coppens. Een Ars Moriendi met
etsen van Romeyn de Hooghe. Verhaal van een boekillustratie (1995). [W.
Kuiper]
| |
ars persuadendi
De techniek van overtuigen en overreden, die samen met de
ars bene dicendi de
ars retorica vormt. De ars persuadendi is
vooral van toepassing op twee van de drie gebieden waarop de retorica zich
beweegt, nl. het
genus iudiciale en het
genus deliberativum. Op het derde terrein,
het
genus demonstrativum, gaat het vooral om de
ars bene dicendi, maar toch wordt ook hier gebruik gemaakt van juridische en
politieke bewijsvoeringen en pleidooien. Het overtuigen van de toehoorder kon
op drie manieren, door
docere en
probare, door
movere of flectere en door
delectare; het beste resultaat geeft een
combinatie van deze elementen.
LIT: Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| |
ars poëtica zie
poëtica-1
| |
ars rhetorica zie
retorica
| | | |
art pour l'art, l'
Formulering (‘de kunst om de kunst’, ‘art for
art's sake’) uit de wereld van de literaire
kritiek en de auteurspoëtica (poetica-3) voor een literatuuropvatting waarvan de oorsprong
in de Duitse romantiek ligt en die bekend geworden is omstreeks 1850 in
Frankrijk(
Th. Gautier,
G. Flaubert,
Ch. Baudelaire). Volgens deze opvatting
gaat het in de kunst alleen om schoonheid, zonder enige sociale, morele,
didactische of andere boodschap. Deze artistieke gerichtheid had ook gevolgen
voor de maatstaven van sommige critici. De opvatting had in het Nederlandse
taalgebied invloed op sommige Tachtigers (zoals
Willem Kloos) en Van-Nu-en-Straks'ers
(zoals
Van Langendonck). Reacties tegen deze
literatuuropvatting kwamen o.a. van de kant van het tijdschrift Forum (
Ter Braak) en van sommige Vijftigers (
Lucebert), met name op het punt van de
loskoppeling van kunst en leven ten gevolge van een bepaald soort
estheticisme, resp.
decadentie.
LIT: Abrams; Baldick; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley. [G.J. Vis]
| |
artefact
Term uit de receptie-esthetica ter aanduiding van die aspecten van
het kunstwerk die zich lenen voor de
materiële analyse. Bij een literaire
tekst zijn dat de hoeveelheid woorden, de lay out, de strofenbouw, de
syntactische structuur e.d. Er bestaat discussie over de vraag hoe uitgebreid
dit lijstje zou moeten zijn. Zo vinden sommigen de semantiek wel en anderen
deze nu juist niet behoren tot het artefact. Het begrip artefact krijgt zijn
gebruikswaarde in het onderzoek in combinatie met het begrip
esthetisch object.
LIT: Gorp; Scott; H. Link. Rezeptionsforschung (1976); N.
Groeben. Rezeptionsforschung als empirische Literaturwissenschaft
(1977); R. Segers. Het lezen van literatuur (1980). [G.J. Vis]
| |
artes liberales of vrije kunsten
De zeven vrije kunsten, intellectuele vaardigheden voorbehouden
aan vrije mensen. De artes (ars) liberales werden
geformuleerd ten tijde van het laatromeinse keizerrijk en de hele Middeleeuwen
door onderwezen. De artes liberales vielen uiteen in een
trivium (drievoudige weg) en een
quadrivium (viervoudige weg). Het quadrivium
bevatte de exacte vakken geometria, astronomia, arithmetica en musica, het
trivium de literaire vakken
grammatica,
dialectica en
retorica (poëtica-1). Met de opkomst van de middeleeuwse
universiteiten (ca. 1200) vervulde het trivium de functie van een propedeutisch
examen voor de studies die het hoogst in aanzien stonden: theologie en
rechten.
LIT: Best; Cuddon; Gorp; HWR; LdMA; Metzler; MEW; Shipley;
Wilpert; P. Abelson. The seven liberal arts (1906); J. Koch (red.).
Artes Liberales. Von der antiken Bildung zur Wissenschaft des
Mittelalters (1959); G. Keil e.a. Beiträge zur mittelalterlichen
Wissenschafts- und Geistesgeschichte (1982). [W. Kuiper]
| |
artes-literatuur of Fachliteratur
Alle non-fictionele geschriften met een utilitair, instructief
doel, zonder (hoofdzakelijk) een recreatief, esthetisch, religieus of
emotioneel doel. Het is moeilijk om een sluitende definitie te geven van
artes-literatuur; het onderscheid met de
didactische literatuur is bijvoorbeeld vaag.
Theologische, historische en juridische teksten behoren niet tot de
artes-literatuur. Zij hebben al sinds lange tijd een zekere autonomie:
theologie, geschiedenis en rechten waren al in de Middeleeuwen zelfstandige
wetenschappen.
De artes-literatuur is onderverdeeld naar de drie artes-reeksen:
artes liberales, artes mechanicae en artes
magicae. Binnen de reeks van de artes liberales is een onderscheid te maken in
teksten die tot de wetenschappen van het
trivium behoren (woordenboeken,
glossaria, grammatica's,
spreukenverzamelingen enz.) en teksten die tot de wetenschappen van het
quadrivium behoren (bijv. rekenboeken,
astrologische werken, kalenders, zanginstructies). Artes-literatuur die valt
onder de reeks van de artes mechanicae zijn teksten over alchemie, bouwkunst,
krijgskunde, reizen, handel, kookkunst, tafelmanieren, de jacht enz. Teksten
over waarzeggerij, toverij en dergelijke behoren tot de reeks van de artes
magicae.
De grens tussen artes-literatuur en fictionele literatuur is
moeilijk aan te geven. Voor
Jacob van Maerlant was de realiteit van
een aantal monsters en fabeldieren zo groot, dat hij die toch in zijn
Der naturen bloeme heeft opgenomen. Evenzeer waren de
avonturen van Brandaen voor de middeleeuwse mens realiteit: daarom wordt de
Reis van Sinte Brandaen behalve tot de
geestelijke epiek ook tot de artes-literatuur
gerekend.
In het verleden werd de term ‘vakliteratuur’ wel
gehanteerd wanneer men artes-literatuur bedoelde. Dit begrip wordt tegenwoordig
zelden meer gebruikt voor artes-teksten: vakliteratuur bestaat uit moderne
wetenschappelijke teksten over een bepaald vakgebied; betekenisuitbreiding met
bovengenoemde definitie werkt alleen verwarrend. In de Duitse vakliteratuur
over de artes-literatuur spreekt men wel over Fachliteratur als men
artes-literatuur bedoelt; men neigt er echter meer en meer toe om, behalve de
artes-teksten, ook de theologische, juridische en historische teksten tot de
Fachliteratur te rekenen.
LIT: Wilpert; R. Jansen-Sieben. Repertorium van de
middelnederlandse artes-literatuur (1989); W.P. Gerritsen, A. van Gijsen en
O.S.H. Lie (red.). Een school spierinkjes. Kleine opstellen over
Middelnederlandse artes-literatuur (1991); E. Huizenga. Een nuttelike
practijke van cirurgien; geneeskunde en astrologie in het Middelnederlandse
handschrift Wenen, Österreichische Nationalbibliothek, 2818 (1997).
[H. Struik]
| |
Arturroman
Verzamelnaam voor
ridderromans (hoofse
literatuur) ontstaan in de tweede helft van de 12e eeuw aan Noord-Franse
adellijke hoven, naar de herkomst van de stof ook wel
Brits-Keltische roman genoemd. Centraal op
de achtergrond staat de legendarische
Artur, een Keltische legeraanvoerder die
in de 6e eeuw tegen invallende Saksen gestreden zou hebben en wiens naam in de
volksmond bleef voortleven om rond 1135 weer op te duiken in de
pseudo-historiografie Historia regum Brittanniae van
Galfridus van Monmouth. Als grondlegger
van de Arturroman geldt
Chrétien de Troyes met de
versromans Erec et Enide,
Cligès, Le chevalier de la
charrete (of Lancelot), Le
chevalier au lion (of Yvain) en Le
conte du graal (of Perceval), geschreven
tussen ca. 1170 en 1190. Alleen van de Conte du Graal
zijn fragmenten van een Middelnederlandse vertaling overgeleverd. Typerend voor
de romans van Chrétien zijn de individuele held die er alleen op uit
trekt (queeste) om een avontuur tot een goed eind te
brengen, de
Doppelweg-structuur, en de enigmatische
Andere-Wereld-sfeer.
In het begin van de 13e eeuw ontstaat een aantal uitgebreide
Arturromans in proza met het karakter van een
kroniek, de Lancelot en
prose. Omdat deze prozacyclus gekenmerkt wordt door een precieze
topografie en chronologie, noemt men haar ‘historisch’; dit in
tegenstelling tot de topografisch en chronologisch veel minder duidelijke
versroman die men ‘niet-historisch’ noemt. Een tweede verschil
tussen de versromans en de prozaromans is de
entrelacement-techniek die het mogelijk maakt
meer dan één hoofdpersoon te laten optreden.
In het Middelnederlands zijn naast fragmenten van de
niet-historische Arturromans Moriaen,
Perchevael, Riddere metter mouwen
en Wrake van Ragisel twee romans compleet bewaard
gebleven: de Ferguut (ca. 1240-1250), vertaald en bewerkt
naar de Oudfranse Fergus en de
Walewein (ca. 1250-1260), een oorspronkelijk
Middelnederlandse tekst.
Onvolledig of fragmentarisch bewaard bleven vertalingen in
versvorm van de Lancelot en prose: de Lantsloot
van der Haghedochte (ca. 1250-1260) en de
Lancelot-compilatie (ca. 1320). Ook van een
proza-vertaling bleef een fragment bewaard (de zgn. Rotterdamse
proza-Lancelot).
De kern van de Lancelot-compilatie wordt gevormd door de
trilogie Roman van Lanceloet, Queeste van den
Grale, Arturs doet, die een vrij getrouwe
vertaling zijn van hun Franse voorbeeld.
Daarnaast werd er in de Lancelot-compilatie een aantal reeds bestaande
Middelnederlandse Arturromans verkort (abbreviatio)
opgenomen, zodat de
compilatie als volgt is opgebouwd.
Boek 1 met het begin van de Roman van Lanceloet is verloren
gegaan. Boek 2 bevat het vervolg van de Roman van Lanceloet en de
ingevoegde romans Perchevael en Moriaen. Boek 3 bevat de Queeste van
den Grale en de ingevoegde romans Die wrake van
Ragisel, Die riddere metter mouwen,
Walewein ende Keye, Lanceloet en het hert met
de witte voet en (Jacob van Maerlants) Torec.
Het vierde boek bevat Arturs doet.
Anders dan de Karelepiek (Karelroman) werd
de Arturroman in de Nederlanden na de uitvinding van de boekdrukkunst niet
gedrukt; alleen over het leven van Merlijn is een
prozaroman uit de 16e eeuw overgeleverd.
LIT: Gorp; Laan; LdMA; Metzler; MEW; Bibliographical Bulletin
of the International Arthurian Society (1949-....); L. Debaene. De
Nederlandse volksboeken. Ontstaan en geschiedenis van de Nederlandse
prozaromans gedrukt tussen 1475 en 1540 (19772), p. 121-124;
F.P. van Oostrom (red.). Arturistiek in artikelen (1978); ‘Koning
Arthur en de Middeleeuwen’, spec. nr. van Bzzlletin 124 (1985); J.
Janssens. Koning Artur in de Nederlanden (1985); B. Besamusca.
Repertorium van de Middelnederlandse Arturepiek (1985); N.J. Lacy
(red.). The new Arthurian Encyclopedia (1991); W. Verbeke, J. Janssens,
M. Smeyers (red.). Arturus rex. volumen I: catalogus. Koning Artur en de
Nederlanden. La matière de Bretagne et les anciens Pays-Bas (1987);
H. Kienhorst. De handschriften van de Middelnederlandse ridderepiek. Een
codicologische beschrijving, 2 dln. (1988); C.L. Gottzmann.
Artusdichtung (1989); B. Besamusca. Walewein, Moriaen en de Ridder
metter mouwen. Intertekstualiteit in drie Middelnederlandse Arturromans
(1993); F. Brandsma. ‘Artur’, in: W.P. Gerritsen & A.G. van
Melle (red.). Van Aiol tot Zwaanridder, Personages uit de middeleeuwse
verhaalkunst en hun voortleven in literatuur, theater en beeldende kunst
(1993), p. 39-53. [H. Struik]
| |
associatie
Term uit de literaire kritiek, bekend geworden door
S.T. Coleridge (1772-1834). In het
algemeen geeft men ermee aan dat ideeën of voorstellingen elkaar oproepen.
In het bijzonder gaat het om woorden en/of woordgroepen die met elkaar
verbonden kunnen worden door formele en/of semantische (deel)overeenkomsten. Zo
kan een deelvoorstelling een geheel oproepen, zoals in de stijlfiguur van de
pars pro toto. Een zintuiglijke waarneming
kan worden verbonden met iets uit het verleden; men ziet dit bijv. bij het
gedrag van personages in romans waarin op een bepaald moment iets uit hun
vroegere milieu of situatie wordt geactiveerd.
In al deze gevallen krijgt een woord of een tekstgedeelte een
connotatieve (connotatie) meerwaarde, hetzij wellicht
door de auteur expliciet in de tekst aangebracht, hetzij door de lezer (bijv.
via het procédé van de
open plek) ingevuld. Een algemene
karakteristiek van dit associatieve gebeuren is de suggestieve werking van de
tekst.
Sommige auteurs beoogden blijkens hun desbetreffende uitspraken
nadrukkelijk een associatieve werking van hun teksten. Zo is het experiment van
het
cadavre exquis een uitwerking van een
associatieve techniek uit het
surrealisme. Andere voorbeelden kan men
vinden bij verschillende schrijvers van de
stream of consciousness-roman en bij
vertegenwoordigers van de
Vijftigers.
Diverse stilistica kunnen een beroep doen op het associatieve
vermogen van de lezer, zoals de
contaminatie, de
synesthesie en allerlei vormen van
beeldspraak. Sommige literatuurkundigen zijn zelfs van mening dat bijna alle
literatuur, met name poëzie, associatief van aard is.
LIT: Best; Cuddon; Scott; Shipley. [G.J. Vis]
| |
assonance, assonantie, assonerend rijm of
klinkerrijm
Vorm van
rijm waarbij van de rijmwoorden alleen de
klinkers rijmen, bijv.
Maar 't leven is te vast en hard:
Of we al een rustplaats graven,
Nog nimmer kwam de grote nacht
En is een mensch gaan slapen.
(
M. Nijhoff. VG,
19744, p. 14).
De oudste Middelnederlandse epische literatuur bevatte
verhoudingsgewijs veel assonerende rijmparen, wat niet verwonderlijk is gelet
op het feit dat de voorbeelden van deze teksten Oudfranse, assonerend rijmende
chansons de geste waren. Met de
Arturroman wordt in Frankrijk het volrijm
ingevoerd, welke ontwikkeling in de Nederlanden werd nagevolgd, zij het dat
(het eerste stuk van) de Ferguut nog veel assonerende
rijmparen bevat. Rond het midden van de 14e eeuw moet dit als storend zijn
ervaren gelet op de werkzaamheden van de corrector van het enig bewaard
gebleven Ferguut-handschrift.
LIT: Alphen; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh';
Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; Hobsbaum; HWR; Laan; Lodewick;
Marouzeau; Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley;
Wilpert; W. Kuiper. Die riddere metten witten scilde (1989), p. 238-247.
[G.J. Vis/W. Kuiper]
| | | |
assonerend rijm zie
assonance
| |
asyndetische vergelijking
Term uit het gebied van de metaforiek ter aanduiding van die soort
van vergelijking waarbij het beeld en het verbeelde - in tegenstelling tot de
vergelijking-met-als - zonder enig
verbindingswoord naast elkaar staan, bijv.:
O Christus, begraven kristal,
Vuur dat bevroor in den steel.
(
M. Nijhoff. VG,
19744. p. 399).
In dit laatste opzicht lijkt de asyndetische vergelijking
enigszins op het
asyndeton-1.
LIT: Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Gorp; Lausberg;
Lodewick; MEW; Preminger; J.J.A. Mooij. A study of metaphor (1976).
[G.J. Vis]
| |
asyndeton-1
Term uit de stijlleer ter aanduiding van de weglating van
voegwoorden bij een opsomming (enumeratio), bijv.
‘Ik kwam, ik zag, ik overwon’, volgens sommigen bedoeld om een
climax-1 uit te drukken. Anderen daarentegen
benadrukken het feit dat het asyndeton - in tegenstelling tot het
polysyndeton - de opsomming zelf benadrukt,
en niet de afzonderlijke, opgesomde delen. Men kan deze stijlfiguur als een
vorm van
brachylogie beschouwen.
LIT: Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1;
Dupriez-2; Gorp; HWR; Lausberg; Lodewick; Marouzeau; Metzler; MEW; Morier;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; M. Acket en C.F.P.
Stutterheim. Stijlstudie en stijloefening (196011). [G.J.
Vis]
| |
asyndeton-2
Archaïsche syntactische constructie in de Middelnederlandse
epische literatuur waarin het persoonlijk voornaamwoord - en niet zoals in
asyndeton-1 het voegwoord! - aan het begin
van de versregel weggelaten wordt en de versregel met de persoonsvorm begint,
bijv.
al hancharich si op schoet
dede ane .i. hemde ende .i. sorcoet
(Ferguut, ed.
Overdiep, 1924, vs. 2309-2320).
LIT: Metzler; Ferguut, ed. G.S. Overdiep [1924], p.
CXVI-CXVIII; W. Kuiper. Die riddere metten witten scilde (1989), p.
250-252. [W. Kuiper]
| |
atlas
Behalve voor een verzameling kaarten (al of niet in boekvorm)
wordt de term ook gebruikt voor een verzameling prenten, portretten,
plattegronden, tekeningen en foto's die betrekking hebben op grotere of
kleinere geografische eenheden (land, regio, stad) of op bepaalde historische
onderwerpen (historieprenten, literatuurgeschiedenis, dialecten, paleografie).
Veel archieven beschikken over een historisch-topografische atlas waarin men
kaarten en plattegronden aantreft van de desbetreffende streek of stad, foto's
van gebouwen, portretten van belangrijke figuren, oude tekeningen van
gemeentewerken e.d.
Een belangrijke verzameling historieprenten is de Atlas van Stolk
te Rotterdamwaarvan door
G. van Rijn en
C. van Ommeren een catalogus is
samengesteld (11 dln, 1895-1933).
Platenatlassen bij de Nederlandse literatuurgeschiedenis met
foto's van letterkundigen, reproducties van handschriften, titelpagina's e.d.
zijn samengesteld door
M.A.P.C. Poelhekke en
C.G.N. de Vooys: Platenatlas
bij de Nederlandsche literatuurgeschiedenis (19162);
J. Kuypers en
Th. de Ronde: Onze litteratuur
in beeld (1935);
F. Baur,
Jacques den Haan,
J. Hulsker,
Ger Schmook en
G. Stuiveling: De Nederlandse
letterkunde in honderd schrijvers (19533);
Jacques den Haan,
J. Hulsker,
Ger Schmook,
G. Stuiveling en
Albert Westerlinck: Honderd
schrijvers van onze eeuw (1954) en
H.J.M.F. Lodewick,
W.A.M. de Moor en
K. Nieuwenhuijzen: Ik probeer
mijn pen. Atlas van de Nederlandse letterkunde (1979).
Op het gebied van de Nederlandse dialecten beschikken we over
taalkaarten in de Taalatlas van Noord- en Zuid-Nederland,
begonnen door
C.G. Kloeke (1939) en voortgezet door
P.J. Meertens en
Jo Daan, en de Taalatlas van
Oost-Nederland en aangrenzende gebieden (1957) door
K. Heeroma.
Voor de Nederlandse paleografie zijn de belangrijkste atlassen met
facsimile's en transcripties die van
H. Brugmans en
O. Oppermann: Atlas der
Nederlandsche paleographie (1910);
A. Hulshof: Deutsche und
lateinische Schrift in den Niederlanden (1350-1650) (1918);
H. Brouwer: Atlas voor
Nederlandsche paleographie (1944);
J.L. van der Gouw Oud schrift in
Nederland (1978) en
C. Dekker,
R. Baetens &
S. Maarschalkerweerd-Dechamps:
Album paleographicum XVII provinciarum. Paleografisch album van
Nederland, België, Luxemburg en Noord-Frankrijk / Album de
paléographie des Pays-Bas, de Belgique, du Luxembourg et du Nord de la
France (1992).
LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; Wilpert. [P.J.
Verkruijsse]
| |
atmosfeer, sfeer of stemming
Term uit de literaire kritiek voor de gevoels- en gedachtewereld
die kenmerkend wordt geacht voor een kunstwerk. De ervaring leert dat het ene
literaire werk affectief sterker geladen wordt geacht dan het andere.
Moeilijker wordt het deze uitspraak vol te houden ten aanzien van bijv. twee
afzonderlijke individuele gedichten, zeg ‘Uitvaert van mijn
dochterken’ van
Vondel en ‘De pruimenboom’
van
Van Alphen (hoewel het eerste gedicht
ongetwijfeld als ‘aangrijpender’ over zal komen dan het laatste).
Interessant is nu dat, hoewel beide gedichten over een kind gaan, met vrij
grote zekerheid kan worden vastgesteld dat - los van deze
‘geladenheid’ van een tekst - Vondels gedicht een andere sfeer
heeft dan dat van Van Alphen.
Ook op andere dan inhoudelijke gronden worden er dikwijls
uitspraken gedaan over de verschillen in stemming tussen het ene concrete
gedicht en het andere. De twee qua onderwerp vergelijkbare gedichten
‘Nacht’ van resp.
I.K. Bonset (De Stijl, jrg. 4,
1921) en van
H. Warren (Vijf in je
oog, 1953) zouden in atmosfeer verschillen o.a. door het feit dat
Bonset een kortere regel hanteert en andere herhalingsvormen toepast dan
Warren, terwijl iets soortgelijks kan worden opgemerkt over beider syntactische
structuren en rijmvormen.
Het is overigens kenmerkend voor de lezersuitspraken over de sfeer
van een tekst dat er - naast de bovengenoemde inhoudelijk en/of formeel
gebonden verschijnselen - een diversiteit van anderssoortige factoren
(mede)bepalend blijkt te zijn voor datgene wat men de stemming van een tekst
noemt, welke factoren veelal minder tekstgebonden en meer lezersgebonden zijn
dan die uit de twee genoemde categorieën. Men denke aan biografische
gegevens van de schrijver, de context van een dichtbundel of roman, het oeuvre
van een auteur, de eventuele zangwijze van een gedicht, illustraties bij een
tekst, of tekstuele elementen die afhankelijk van de individuele lezerssituatie
op een bepaalde manier van
connotaties worden voorzien, geprojecteerd
op de tekst. In het algemeen gesproken is het toekennen van een bepaalde
atmosfeer gebonden aan het oordeel en de
smaak van de lezer. Onderzoek naar deze en
soortgelijke verschijnselen is de taak van de empirische
receptie-esthetica.
LIT: Abrams; Bantel; Cuddon; Fowler; Myers/Simms; Scott; C.F.P.
Stutterheim. Problemen der literatuurwetenschap (1953), p. 62-98. [G.J.
Vis]
| |
atonale poëzie
Aanduiding van de poëzie van de
Vijftigers of experimentelen, gebruikt door
S. Vinkenoog voor de bloemlezing uit de
Vijftiger-poëzie Atonaal (1951). De term
‘atonaal’ is afkomstig uit de muziekwetenschap, waarmee wordt
aangegeven dat een muziekstuk is gecomponeerd zonder een vaste grondtoon.
LIT: Gorp; Lodewick; MEW. [G.J. van Bork]
| |
atrament
Middelnederlandse benaming voor het kleurgevende bestanddeel van
zwarte inkt dat vooral uit roet bestond. In overdrachtelijke zin wordt de term
ook wel voor inkt gebruikt.
LIT: W. Wattenbach. Das Schriftwesen im Mittelalter
(19584). [W. Kuiper]
| |
attentum parare
Term uit de retorica voor het wekken van de aandacht van het
publiek in het
exordium, het eerste onderdeel binnen de
dispositio. Dat kan op verschillende
manieren. Men kan rechtstreeks om aandacht verzoeken, men kan wijzen op het
belang van het onderwerp door het in ruimer verband te schetsen met behulp van
een
sententia of spreekwoord, men kan ook wijzen
op het belang dat de zaak heeft voor het publiek.
Een rechtstreeks verzoek om aandacht geeft de
Beatrijs: ‘Nu hoert hoeter na verghinc’ (vs.
81).
Bredero's Klucht van de
koe opent met een spreekwoord, uitgesproken door de Gaeuw-dief:
‘Een Kruyck gaat soo langh te water tot datse barst’
(Kluchten, ed.
Daan, 1971, p. 61).
LIT: Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| |
Atticisme
Benaming voor een relatief sobere vorm van retoriek.
Oorspronkelijk was Atticisme een geografisch bedoelde term voor de sobere
retorica die in de 3e eeuw v.Chr. in de Hellenistische wereld (Attica) tot
bloei kwam en zijn inspiratie vond bij de oude Atheense redenaars, in het
bijzonder bij
Lysias (± 432-± 352
v.Chr). De meer gekunstelde en weelderige retoriek noemt men
Azianisme.
LIT: Best; Cuddon; Leeman/Braet, p. 15-27; Metzler; MEW. [H.
Struik]
| |
attitudinale norm
In de kunstkritiek gehanteerde norm, waarbij men uitgaat van wat
in het algemeen geaccepteerd blijkt als kunst door overheid, publiek of
publieksorganisaties. De attitudinale norm bepaalt doorgaans het werkterrein
van de kunstkritiek. Tegenover deze norm staat de
intentionale norm, waarbij men uitgaat van
wat zich als kunst aandient.
LIT: Bergh; J. Stolnitz. Aesthetics and philosophy of art
criticism (1960). [G.J. van Bork]
| |
aubade
Literaire ochtendgroet, veelal gezongen, als subgenre in het
Nederlands bekend sedert de renaissance, bijv.
Rosemont, hoordij speelen noch singen
Siet den daegheraet op koomen dringen.
Dertele dujven, en swaenen, en mussen,
Souden de vaeck wt uw ooghen wel kussen
(
P.C. Hooft.
Gedichten, ed. Leendertz/Stoett, dl. 1, 1899, p.
175).
De aubade is weliswaar etymologisch verwant aan de
Provençaalse
alba, maar onderscheidt zich hiervan door de
positieve begroeting van het ochtendgloren. De avondlijke tegenhanger van de
aubade is de
serenade.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; LdMA; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert; A.T. Hatto (ed.). Eos. An enquiry into
the theme of lovers meetings and partings at dawn in poetry (1965); P.
King. Dawn poetry in the Netherlands (1971). [W. Kuiper]
| |
auctiecatalogus of veilingcatalogus
Alfabetisch of systematisch ingerichte lijst van zaken, i.c.
boeken en handschriften, die door een
antiquariaat of veilinghuis bij opbod
geveild worden. Op het bedrag van de koop komt gewoonlijk een opgeld van 20%
(plus 17,5% BTW over het opgeld). In de betere auctiecatalogi wordt bij ieder
lot een richtprijs vermeld.
Boekenveilingen hebben in Nederland een lange
traditie, beginnend in de 16e eeuw. De oudst bekende gedrukte auctiecatalogus
is die van de bibliotheek van
Marnix van St. Aldegonde uit 1599 (ed.
Brouwer, 1964). Met name
inLeiden werden tal van geleerdenbibliotheken geveild,
terwijlAmsterdam vooral bekend was om zijn aucties van
fondsrestanten. In Den Haag werden begin 18e eeuw veel
privé-bibliotheken geveild van belangrijke boekenverzamelaars. Van hoge
kwaliteit zijn de 19e-eeuwse auctiecatalogi van
Frederik Muller die door de gedegen
bibliografische beschrijvingen hun waarde voor hedendaags onderzoek hebben
behouden. Voor de kennis van de samenstelling van geleerden- en
leesbibliotheken zijn de auctiecatalogi van bijzonder belang.
Bekende hedendaagse Nederlandse boekenveilinghuizen zijn Beijers
in Utrecht, Van Stockum in Den Haag, Burgersdijk
& Niermans in Leiden en Bubb Kuyper in
Haarlem.
Een centrale registratie van veilingcatalogi is in opbouw bij de
vakgroep Nederlands van de Rijksuniversiteit Leiden, waar in de jaren '80
Bert van Selm ook het initiatief heeft
genomen voor een publicatie op microfiches van alle bekende veilingcatalogi uit
de periode 1599-1800: Book sales catalogues of the Dutch
Republic, 1599-1800 (eds. B. van Selm &
J.A. Gruys).
LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; B. van Selm. Een menighte
treffelijcke boecken. Nederlandse boekhandelscatalogi in het begin van de
zeventiende eeuw (1987); W. Rees-Mogg. How to buy rare books
(19882); M. Keyser, J.F. Heijbroek & I. Verheul (red.).
Frederik Muller (1817-1881), leven & werken (1996); N. Maas (red.).
Waardevol oud papier. Feestbundel bij het tienjarig bestaan van Bubb Kuyper
Veilingen Boeken en Grafiek 1986-1996 (1996). [P.J. Verkruijsse]
| |
auctor
Latijn voor zegsman, autoriteit. Gedurende de Middeleeuwen
gebruikt om gezaghebbende auteurs, de kerkvaders,
Cicero,
Ovidius,
Vergilius enz. aan te duiden, bijv.
In houde drome niet over spot.
Men hefse dicke waer ondervonden,
alse wi horen wel orconden
enen auctoer, die Macrobes hiet,
- hine houtse over logene niet -
(
Heinric. Die
Rose, ed. Verwijs, 1868, vs. 10-16).
[W. Kuiper]
| |
auctoriale vertelinstantie of auctoriale
vertelwijze
Specifieke vorm van de
alwetende vertelinstantie, waarbij de
externe
focalisator de werkelijkheidsillusie
doorbreekt door rechtstreeks met de lezer te communiceren over het verhaalde
c.q. de gehanteerde verhaalvorm. Soms gebeurt dit indirect of impliciet
(‘men kan zich voorstellen dat het voor X een groot genoegen was
...’), maar soms ook expliciet (zoals in sommige historische romans, op
de manier van ‘U denkt nu misschien, lezer ...’). In de eerste
helft van de 19e eeuw (historische roman,
realisme-1) is de auctoriale vertelwijze de
normale, maar onder invloed van het
naturalisme raakt het procédé
op de achtergrond omdat de nagestreefde objectiviteit er geweld mee zou worden
aangedaan. In veel moderne literatuur wordt dit
perspectief echter weer gebruikt om de lezer
tot een bepaalde zienswijze over te halen of hem juist het fictieve van de
tekst te doen inzien en zo een kritische distantie te bewerkstelligen (vervreemdingseffect).
Soms werkt de auctoriale vertelwijze ook bewust archaïserend, zoals in
L.P. Boons De bende van Jan de
Lichte (1957). Een voorbeeld van een typisch auctoriaal vertelde
historische roman is
A.L.G. Bosboom-Toussaints Het
huis Lauernesse (1843). Voor het realistisch proza kan verwezen
worden naar
Hildebrands Camera
obscura (1839). Ook delen van romans kunnen op die manier verteld
worden: vgl.
G.K. van het Reve's De
avonden (1947), waarvan alleen het begin auctoriaal verteld is,
waardoor ten opzichte van de rest van het boek een ironisch effect
ontstaat.
Tegengesteld aan deze verteltechniek is de
personale vertelwijze; tussen beide typen
bestaan allerlei mengvormen. Sommigen gebruiken de term auctoriale
vertelinstantie als synoniem voor
alwetende vertelinstantie.
LIT: Abrams; Anbeek/Fontijn; Bal; Best; Boven/Dorleijn; Gorp;
Herman/Vervaeck; Krywalski; Lodewick; Metzler; MEW; Prince; F.K. Stanzel.
Typische Formen des Romans (19673); H. van Gorp. Het
optreden van de verteller in de roman (1970); A.G.H. Anbeek van der
Meijden. De schrijver tussen de coulissen (1978). [G.J. van Bork/G.J.
Vis]
| |
auctoritas
Gezaghebbende uitspraak over een universele waarheid (sententia). De autoriteit kan een beroemd antiek auteur (auctor) zijn, een kerkvader of apostel of de door de tijd
geadelde literaire traditie (consuetudo). Het beroep op
een autoriteit is een gebruikelijk
topos in de Middelnederlandse literatuur,
met name in de
proloog, maar verder overal waar dit nodig
of op zijn plaats is, zoals ook
Jan Boendale voorschrijft in ‘Hoe
dichters dichten sullen ende wat si hantieren sullen’:
Auctoriteite, als ic versta,
ende exemple daertoe mede
sullen hebben propre stede
daer hem behoort te stane
na datter materien hoort ane.
(Der leken spieghel, ed.
De Vries, 1844-1848, B. III, C. 15,
vs. 28-32)
Zo beroept
Jacob van Maerlant zich in de
beginregels van Sinte Franciscus leven op apostolisch
gezag:
Dese werelt trect ten ende,
Als mi dinct, met groter scende,
Na dat ons die apostel seget
(ed.
Maximilianus, 1954).
Gedurende de 16e en 17e eeuw werden verzamelingen van
gezaghebbende uitspraken aangelegd, bijv.
Erasmus' Adagia
(1500),
H.L. Spiegels Byspraax
almanack (1606),
Jacob Cats' Spieghel van den
ouden ende nieuwen tijdt (1632) en
Johan de Brunes Nieuwe wyn in
oude le'er-zacken (1636).
LIT: HWR; Lausberg. [P. Verkruijsse/W. Kuiper]
| |
audition colorée
Term uit de kunstbeleving voor het verschijnsel waarbij men denkt
aan kleuren bij het horen van klanken. Wanneer men dit in letterlijke zin
opvat, kan men bijv. denken aan de 18e-eeuwer
Castel die een orgel had gebouwd dat
niet alleen volgens een vast systeem klanken ten gehore bracht, maar ook de
daarbij passende kleuren. In ruimere zin is het verschijnsel nauwelijks te
onderscheiden van datgene wat men met
synesthesie aanduidt. Een strikte beperking
tot de relatie tussen klank en kleur vindt men in het bekende gedicht
‘Les voyelles’ van
A. Rimbaud die voor bepaalde klinkers
bepaalde kleuren reserveert (a = zwart, enz.). Veel kunstenaars uit de tijd van
het
symbolisme en het
impressionisme hielden zich met deze en
andere synesthetische verschijnselen bezig. In Frankrijk was
René Ghil in de jaren '80 van de
19e eeuw, steunend op de principes van de audition colorée, theoretisch
en praktisch met dit verschijnsel bezig. In de Nederlandse letterkunde zou men
kunnen denken aan
H. Gorter, die in de eerste strofe van
Mei (1889) de klanken van een orgelpijp vergelijkt met
jonge kersen, en daarmee impliciet met de kleur rood.
LIT: Bronzwaer; Cuddon; Metzler; MEW; Myers/Simms; Wilpert; S.
Dresden. Symbolisme (1980), p. 210 e.v. [G.J. Vis]
| | | |
augustijn of cicero
Verouderde term uit de typografie voor de afmeting van een letter
van 12 typografische punten (punt-2), dat is iets meer
dan 4,5 mm. Op typografische linealen staat de augustijnverdeling bij de
aanduiding ‘2 P’: ieder streepje op de schaalverdeling geeft nl. 2
punten aan. De aangegeven 67 augustijnen zijn alle onderverdeeld door middel
van zes streepjes, zodat in totaal 804 punten afgemeten kunnen worden.
Tegenwoordig spreekt men over een letter corps 12 of een
12-puntsletter, waarmee men de grootte van het loden staafje bedoelt waarop de
grootste letter van een totale letterpolis (vaak de cursieve ‘f’
als stok- én staartletter) is gegoten. De
analytisch-bibliograaf kan trachten de
corpsmaat van de in drukwerk uit het
verleden gebruikte letter te reconstrueren en op te nemen in een
letterformule.
LIT: Hiller; H. van Krimpen. Boek over het maken van boeken
(1986), p. 22-28. [P.J. Verkruijsse]
| |
auteur
De oorspronkelijke schrijver van een (literaire) tekst bij wie het
geestelijk eigendom op die tekst berust, zoals dat in het moderne
auteursrecht wordt erkend en vastgelegd. Het
moderne synoniem ‘schrijver’ geldt niet voor auteurs uit het
verleden. Vóór de uitvinding van de boekdrukkunst werden alle
boeken geschreven. Met de ‘scriver’ van een boek wordt doorgaans de
afschrijver, dat wil zeggen de
kopiist bedoeld; de auteur wordt vaak
clerk genoemd. Tegenwoordig is het niet
ongebruikelijk dat een auteur zijn verhaal aan een journalist of aan een
ghostwriter vertelt, die - zonder dat dit
altijd wordt vermeld - verantwoordelijk is voor de definitieve redactie van de
tekst. Bij interviews ligt het wettelijk auteurschap bij de interviewer.
LIT: BDI; Best; Brongers; Fowler; Gorp; Herman/Vervaeck; Hiller;
Lodewick; Metzler; Prince; N. van Lingen. Auteursrecht in hoofdlijnen
(1975); F. van Oostrom. Aanvaard dit werk. Over Middelnederlandse auteurs en
hun publiek (1992). [W. Kuiper]
| |
auteursbibliografie
Een auteursbibliografie is een
bibliografie van de publicaties van (subjectieve bibliografie) en/of over (objectieve bibliografie) een auteur. Men spreekt ook wel -
meer in het algemeen - over een
persoonsbibliografie.
Een voorbeeld van een subjectieve auteursbibliografie is
J.H.W. Unger, G.Az. Brederoo.
Eene bibliographie (1884). Een objectieve auteursbibliografie is
die van
E.K. Grootes,
P.C. Punt en
P.J. Verkruijsse, Objectieve
persoonsbibliografie van G.A. Bredero 1618-1969 (1986).
LIT: ‘De auteursbibliografie: ontwikkelingen en
vooruitzichten’, in: Dokumentaal 13 (1984), p. 1-12, 53-54, 90-94;
14 (1985), p. 6-11; Ella Punt. ‘Het nut van de objectieve
persoonsbibliografie’, in: Dokumentaal 13 (1984), p. 13-19. [P.J.
Verkruijsse]
| |
auteurscorrectie zie
extracorrectie
| |
auteursintentie
De bedoeling van de auteur, zoals die in het literaire werk tot
uitdrukking zou zijn gebracht. Het dubieuze van de auteursintentie is onder de
term
intentional fallacy een belangrijk
discussiepunt geweest in de internationale literatuurwetenschap, met name sinds
het optreden van de New Critics (speciaal in de jaren 1940-1950) die een
objectieve interpretatie van het literaire werk voorstonden. De bedoeling of
betekenis van een literair werk zou uitsluitend uit dat literaire werk zelf af
te leiden zijn door nauwgezette interpretatie ervan. De auteursintentie is
daarbij niet meer dan een rationalisatie achteraf van één
interpretatie en wel die van de auteur zelf, zoals hij die weergegeven heeft in
essay, voorwoord of interview. In die zin moet er dan ook rekening mee gehouden
worden, was de stellingname.
Sinds de discussie over de interpretatie van het literaire werk
als eenheid opnieuw is ontbrand, is ook de auteursintentie opnieuw in de
aandacht gekomen, niet meer als interpretatief argument, maar nu veeleer als
mogelijke theoretische of poëticale beginselverklaring.
LIT: Abrams; Buddingh'; Preminger; Shipley; E.D. Hirsch.
‘Objective interpretation’, in: Validity in interpretation
(1967); F.P. van Oostrom. Reinaert primair. Over het geïntendeerde
publiek en de oorspronkelijke functie van Van den vos Reynaerde (1983); M.
van Buuren. ‘Produktie of reproduktie?’, in: Ongebaande
wegen (1985), p. 65-76, 141-144. [G.J. van Bork]
| |
auteurspoëtica zie
poëtica-3
| |
auteursrecht of copyright
Het geheel van rechtsregels waarin de rechten en verplichtingen
geregeld zijn tussen auteurs en de gebruikers van hun voortbrengselen. De
bedoeling van het auteursrecht is de auteur te beschermen tegen ongewenst
gebruik van zijn geschriften, waarbij wordt uitgegaan van zijn geestelijk
eigendomsrecht daarop. Onder het auteursrecht vallen letterkundig werk,
wetenschappelijk werk, muziek, beeldende kunst en architectuur, maar ook
foto's, film, televisie, vertalingen en bewerkingen. Over het algemeen berust
het auteursrecht bij de auteur of diens rechthebbenden tot 50 jaar na
overlijden van de betrokkene.
Het auteursrecht is nog betrekkelijk jong, afkomstig uit de
napoleontische tijd. Daarvoor was de auteur wat zijn scheppingen betreft
onderhevig aan wisselende gewoonten, bijv. afhankelijk van een beschermheer,
maar absolute rechten op zijn geesteskinderen kon hij vaak niet doen gelden.
Een basiswetgeving ontstond in Nederland pas in 1912, waarin echter sindsdien
een reeks veranderingen is aangebracht. In 1931 sloot Nederland zich voor het
auteursrecht aan bij de Conventie vanBern. De Vereniging van
Letterkundigen (VvL) heeft zich beijverd om de rechtspositie van auteurs zo
nauwkeurig mogelijk vast te leggen. Ze ontwierp daartoe een standaardcontract
dat in 1973 door de Koninklijke Nederlandse Uitgeversbond werd aanvaard. Als
ondersteunende instantie treedt de Stichting tot Exploitatie en Bescherming van
Auteursrechten (SEBA) van de VvL op.
LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Feather; Gorp; Hiller; MEW;
Scott; H.L. de Beaufort. Auteursrecht (1932); E.D. Hirsch-Ballin.
Auteursrecht in wording (1947); H. Komen en D.W.F. Verkade.
Compendium van het auteursrecht (1970; suppl. 1973); N. van Lingen.
Auteursrecht in hoofdlijnen (1975); D.W.F. Verkade en J.H. Spoor.
Auteursrecht (1985). [G.J. van Bork]
| |
autobiografie
Bijzondere vorm van de
biografie: de beschrijving van het eigen
leven of delen daarvan. De autobiografie bevat uiteraard levensherinneringen en
is in die zin dan ook vergelijkbaar met
memoires, die evenals het
dagboek tot de
bekentenisliteratuur behoren. Een voorbeeld
van een autobiografie is
C. Huygens' De jeugd van
Constantijn Huygens door hemzelf beschreven, in 1946 door
A.H. Kan en in 1987 door
C.L. Heesakkers uit het Latijn vertaald.
Het genre is door verschillende auteurs ook als
fictie beoefend:
M. Emants Een nagelaten
bekentenis (1894) en
S. Vestdijks Else Böhler,
Duitsch dienstmeisje (1935) zijn ik-romans in de vorm van een
autobiografie.
LIT: Abrams; BDI; Best; Cuddon; Fowler; Gorp; HWR; Laan; LdMA;
Metzler; MEW; Scott; Shipley; Wilpert; J.F. Otten. De moderne biographie
(1932), p. 71-91; W.G. Spengemann. The forms of autobiography (1980); P.
Spigt. Het ontstaan van de autobiografie in Nederland (1985); R.
Paasman. Levens in letters. Autobiografieën van Nederlandse
schrijfsters (1996). [G.J. van Bork]
| |
autograaf
Eigenhandig door de
auteur geschreven tekst, waarbij het geen
verschil uitmaakt of het handschrift
klad of
net is. Een door een ander dan de auteur
vervaardigd afschrift noemt men een
apograaf. Autografen onderscheiden zich in
codicologisch opzicht door hun onregelmatige katernopbouw (katern).
In de Middeleeuwen kwam het zelden voor dat een
codex door de auteur zelf geschreven werd.
Het afschrijven van een boek was vakwerk en werd overgelaten aan een
kopiist. Het componeren en redigeren van een
tekst gebeurde in het hoofd en/of op wastafeltjes.
Perkament was te duur om als klad te worden
gebruikt. Toen
papier een belangrijke schriftdrager werd,
kwam hierin verandering (rapiarium).
Een voorbeeld van een autograaf die in de Nederlanden is gemaakt,
is de De imitatione Christi van
Thomas a Kempis. Er zijn geen autografen
van Middelnederlandse literaire werken overgeleverd, uitgezonderd de
geschriften van heraut Gelre van wie diverse autografen bewaard zijn (bijv. het
Wapenboek Gelre en het Wapenboek
Beijeren). Latere autografen dateren uit de rederijkerstijd, bijv.
het Testament Rhetoricael van
Eduard de Dene. De
rederijkers hadden weinig op met de drukpers
en bleven daarom met de hand schrijven. Omdat deze handschriften voornamelijk
voor eigen gebruik bestemd waren, vallen ze feitelijk buiten het terrein van de
codicologie, terwijl de
manuscriptologie, die deze geschriften
onderzoekt, op dit gebied niet echt van de grond gekomen is.
In de loop van de 17e eeuw circuleren nog steeds autografen in
bepaalde literaire kringen (de rederijkerskamers); daarnaast dienen ze - in de
vorm van losse vellen of katernen - vooral als kopij voor de zetter. Veel
autografen zijn daarna vernietigd, zodat van heel veel auteurs uit het verleden
weinig manuscripten zijn overgeleverd. Zo zijn er geen autografen van
Brederobekend;
Hooft daarentegen hield in de vorm van
zijn zogenaamde Rijmkladboeken (UB Amsterdam) een eigen poëziearchief bij
waarvan hij apografen vervaardigde voor kopijdoeleinden.
LIT: BDI; Best; Brongers; Gorp; Hiller; Mathijsen; Metzler; MEW;
L.M.J. Delaissé. Le manuscrit autographe de Thomas a Kempis et
l'‘Imitation de Jésus-christ’, Examen archéologique
et édition diplomatique du Bruxellensis 5855-61 (1956); M.J.M. de
Haan. Enige aspecten van tekstkritiek van Middelnederlandse teksten
(1973); W. van Anrooij. ‘Het Haagse handschrift van heraut Beyeren: de
wordingsgeschiedenis van een autograaf’, in: TNTL 104 (1988), p.
1-20; W. van Anrooij. Spiegel van ridderschap. Heraut Gelre en zijn
ereredes (1990). [H. Struik/P. Verkruijsse]
| |
automatisch schrift zie
écriture automatique
| |
autonomiebewegingen
Term uit de geschiedenis van de
literatuurwetenschap en de literaire
kritiek voor het geheel van stromingen in
beide disciplines (gedeeltelijk elkaar overlappend en met elkaar verstrengeld)
tussen 1920 en 1950 die de zelfstandigheid (autotelisch;
formalisme) van het literaire werk (ergocentrisch) benadrukken tegenover de buitentekstuele
werkelijkheid (auteur, wereld, lezer) ervan. De autonomiebewegingen zijn
gedeeltelijk een reactie op stromingen als het
positivisme en de
Geistesgeschichte en het biografisme (biografie) in de wetenschap en op de impressionistische wijze
van oordelen in de kritiek. De opkomst ervan hangt samen met de literaire
praktijk van het
symbolisme en het
modernisme. Men kon met teksten van tot deze
stromingen behorende auteurs niet uit de voeten en zocht naar nieuwe wegen, met
name in de richting van de
close reading.
De oudste en meest bekende stromingen zijn die van het
Russisch formalisme, het
structuralisme en het Anglo-Amerikaanse
New Criticism. In de Nederlandse situatie
dient de zogenaamde Amsterdamse School (
W.Gs Hellinga e.a.) als autonomistische
richting in de literatuurwetenschap te worden genoemd, terwijl een late
uitwerking ervan in de literaire kritiek in het tijdschrift Merlyn
(1962-1966) te vinden is (met
J.J. Oversteegen,
K. Fens e.a.). Centraal in aller
bezigheden stond het opsporen van vormgevingsprincipes in een tekst. Later kwam
deze richting onder kritiek te staan toen de
hermeneutiek werd aangevochten. Zo heeft een
criticus als Oversteegen, theoreticus van Merlyn, zich later als
wetenschapper enigszins van zijn merlinistische verleden gedistantieerd.
Elementen van de methoden door autonomisten gehanteerd werken nog door in
technieken als die van de
materiële analyse en de moderne
romananalyse.
LIT: Gorp; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Shipley; Wilpert;
F.C. Maatje. Literatuurwetenschap (1970), p. 30-56; J.J. Oversteegen.
Vorm of vent (1970), p. 125-184; J.J. Oversteegen. Anastasio en de
schaal van Richter (1986), p. 11-34; R. Wellek. A history of modern
criticism, dl. 5 en 6 (1986). [G.J. Vis]
| |
autopsie
Term uit de
filologie waaronder verstaan wordt dat een
editeur of bibliograaf uit eigen aanschouwing de bronnen leert kennen (ad
fontes gaat) en niet afgaat op eerdere edities of secundaire
bronnen.
LIT: BDI; Mathijsen; MEW. [P.J. Verkruijsse]
| |
autoriseren
In de editietechniek (teksteditie) is het
noodzakelijk onderscheid te maken tussen geautoriseerde en niet-geautoriseerde
bronnen, d.w.z. teksten waaraan een auteur wel, respectievelijk niet heeft
meegewerkt. Als geautoriseerd gelden wat betreft de handschriften uiteraard
alle *autografen, maar ook de
apografen die in opdracht van de auteur zijn
vervaardigd of door hem gecontroleerd zijn. Geautoriseerde drukken zijn
díe drukken die de auteur gewild of goedgekeurd heeft en waarvoor hij de
kopij heeft geleverd of waarop hij tijdens het drukproces invloed heeft kunnen
uitoefenen door correctie. Het vaststellen van een grondtekst met een hoge
autorisatiegraad wordt bemoeilijkt doordat ook binnen een geautoriseerde bron
de autorisatiegraad wisselt. Door allerlei omstandigheden kan een auteur bijv.
een gedeelte van de drukproeven voor een boek minder nauwkeurig corrigeren dan
een ander gedeelte. Zo kunnen varianten ontstaan die dan passief geautoriseerd
worden. Voor de periode dat een auteur zich niet of nauwelijks bekommerde om
het drukresultaat kan de
analytische bibliografie behulpzaam zijn bij
het reconstrueren van de kopij, dus van een meer geautoriseerde tekst.
Als voorbeeld van de problemen die zich bij het autoriseren kunnen
voordoen, mag de tekstgeschiedenis gelden van
Huygens' Heilighe
daghen (ed.
Strengholt, 1974). Huygens is iemand die
zich méér dan zijn collega's bekommert om het drukresultaat.
Dankzij informatie uit brieven is in dit geval goed te volgen wat er met een
tekst gebeurd is.
Barlaeus en
Hooft laten van Huygens' autograaf een
apograaf maken die als kopij moet dienen voor de eerste druk van 1645. De
proeven worden door Hooft en Barlaeus gecorrigeerd en
Huygens wordt geconfronteerd met een
kant-en-klaar drukresultaat. Hij constateert een ernstige zetfout in r. 12 van
het gedicht ‘Kersmis’. Barlaeus, daarop attent gemaakt, brengt een
correctie aan voor de 2e (niet overgeleverde) druk, maar een verkeerde
correctie (een zgn. ‘Verschlimmbesserung’) die weer overgenomen is
in de niet-geautoriseerde drukken van 1648, 1661 en 1663. De wel geautoriseerde
drukken van 1647, 1658 en 1672 hebben de tekst zoals door Huygens bedoeld. De
niet-geautoriseerde drukken van 1651 en 1659 hebben als kopij de druk van 1647
genomen en zijn dus wel correct.
Over de speciale problemen die toneelteksten kunnen leveren,
handelt
E. Oey-De Vita in ‘Problemen van
kopijonderzoek voor toneelstukken uit de zeventiende eeuw’, in:
Spektator 3(1973-74), p. 12-29, 661-679.
LIT: Hiller; Mathijsen; F.Bowers. Textual & literary
criticism (1959); H. Zeller. ‘Befund und Deutung’, in: Texte
und Varianten (1971), p. 45-89; Ph. Gaskell. A new introduction to
bibliography (19742), p. 336-360, 381-391. [P.J.
Verkruijsse]
| |
autotelisch
Term uit de
autonomiebewegingen voor de opvatting dat
het literaire werk een doel in zichzelf is, zijn eigen werkelijkheid schept en
niet betrokken is op de buitentekstuele werkelijkheid. Alleen het fictionele
(fictie) element telt, en niet het
referentiële.
Men vindt deze opvatting bij formalisten (Russisch
formalisme) en in het algemeen bij ieder die de
ergocentrische literatuurbenadering
aanhangt, c.q. de
close reading-methode toepast.
LIT: Baldick; Buddingh'; Cuddon; Myers/Simms; Preminger; Shipley.
[G.J. Vis]
| |
avant-garde
Sedert de jaren '20 van de 20e eeuw gebruikte term ter aanduiding
van internationaal gerichte groepen revolutionaire kunstenaars die
experimenteren met nieuwe kunstvormen en de artistieke procédés
van hun voorgangers radicaal afwijzen. De term werd voor het eerst toegepast op
een groep links-pacifistische kunstenaars die in 1916 bijeenkwamen in het
Cabaret Voltaire teZürich. Sindsdien wordt de term gebruikt
voor een aantal groepen van vernieuwers van de kunst behorend tot het
modernisme, speciaal de stromingen
dadaïsme,
futurisme,
constructivisme en
surrealisme van voor de Tweede
Wereldoorlog.
In feite kan de term gebruikt worden voor elke vooruitstrevende
groep kunstenaars die breekt met de traditie, zoals in de praktijk ook gedaan
wordt m.b.t. de
Vijftigers en experimentele prozaïsten
als
J.F. Vogelaar,
L. van Marissing, S
. Polet e.a. Ter onderscheiding maakt
men voor de periode van vóór 1940 wel gebruik van de aanduiding
historische avant-garde, voor die van na de
Tweede Wereldoorlog van
neo-avantgarde.
Als aanduiding van een periode of stroming is de term avant-garde
niet goed bruikbaar en kunnen beter de eerder genoemde groepsonderscheidingen
dadaïsme, surrealisme enz. gebruikt worden, al kleven ook daar bezwaren
aan. De term ‘avant-garde’ kan het best gereserveerd worden voor
een bepaalde levensopvatting of meer specifiek voor een kunstenaarshouding
waarin het experimenteren met nieuwe vormen centraal staat.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Scott; Constant.
‘Opkomst en ondergang van de avant-garde’, in: Randstad 8
(1964); H. Kramer. The age of avant-garde (1973); P. Bürger.
Theorie der Avantgarde (1974); J. van Spaendonck. Belle époque
en anti-kunst (1977); Raster (1977) 2; F.F.J. Drijkoningen e.a.
Avant/garde en traditie in het moderne toneel (1978); F.F.J.
Drijkoningen en J. Fontijn (red.). Historische avantgarde (1982); J.
Weisgerber. Avant-garde/modernisme (1989); S. Levie.
‘Avant-garde’, in: W. van Peer en K. Dijkstra (red.).
Sleutelwoorden (1991), p. 9-16. [G.J. van Bork]
| |
aversio
Eén van de mogelijke figurae (stijlfiguren) in de retorica, nl. een onderbreking van het
betoog door de redenaar door zich af te wenden van zichzelf (aversio ab oratore
of
sermocinatio), zich af te wenden van het
onderwerp (aversio a materia of
digressie) of van zijn publiek (aversio ab
auditoribus of
apostrofe).
LIT: Gorp; Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| |
avonturenroman
Verzamelnaam voor romans waarin ongewone, onverwachte,
spectaculaire gebeurtenissen, gevaarlijke situaties en problemen de boventoon
voeren en waarin de hoofdpersonen ongebruikelijke, vaak slimme en heldhaftige
oplossingen moeten vinden. Als de oudste avonturenromans kunnen
‘jonge’
Karelromans als bijv. Hughe van
Bordeus en de laatmiddeleeuwse
prozaromans beschouwd worden.
Een goed voorbeeld van een 17e-eeuwse avonturenroman is
De Americaensche Zee-roovers (1678) van de
scheepschirurgijn
A.O. Exquemelin.
Nicolaas Heinsius schreef Den
vermakelyken avanturier (1695), een
picareske roman die tevens avonturenroman
genoemd kan worden.
In de 18e eeuw ontstond in navolging van
D. Defoe's Robinson
Crusoe (1719) een groot aantal avonturenromans die men
robinsonades pleegt te noemen. Een Nederlands
voorbeeld daarvan is De Walchersche Robinson (1752) van
een onbekende auteur. Ook het 18e-eeuwse
imaginaire reisverhaal rekent men wel tot de
avonturenromans.
Een recent voorbeeld is
S. Vestdijks Puriteinen en
piraten (1947) en De vuuraanbidders (1947),
romans die echter ook tot het genre van de
historische roman gerekend kunnen worden.
Onder avonturenromans vallen vaak ook de oorlogsroman, de
wildwestroman, de
thriller en
sciencefiction.
LIT: Anbeek/Fontijn; BDI; Best; Cuddon; Gorp; Lodewick; Metzler.
[G.J. van Bork]
| | | |
Azianisme
Benaming voor een relatief weelderige en gekunstelde vorm van
retoriek die zich kenmerkt door een sterk ritmische zinsbouw, ondersteund door
klankeffecten. Oorspronkelijk was Azianisme een geografisch bedoelde term met
een negatieve bijklank: de retoriek zoals die in Klein Azië
werd bedreven door bijv. (de steeds in verontwaardigde termen getypeerde)
Hegesias (3e eeuw v.Chr.). De Romeinse redenaar
Cicero (106-43 v.Chr.) werd, vanwege
zijn breedsprakigheid, door tijdgenoten vaak verweten dat hij Azianist was. Een
voorbeeld van Azianisme in de literatuur is
Louis Couperus' roman De berg
van licht (1904-1905). De meer sobere vorm van retoriek noemt men
Atticisme.
LIT: Leeman/Braet, p. 15-27; Metzler; J. van Luxemburg.
‘‘Rome en de Ander’: over De berg van licht van Louis
Couperus’, in: Spektator 20 (1991), p. 123-149. [H. Struik]
|
|
|