|
|
|
| |
W
| |
waarschijnlijkheid of vraisemblance
Beoordelingscategorie uit de geschiedenis van de literaire
kritiek. In het 17e-eeuwseFrankrijk maakte men onderscheid tussen
gewone en buitengewone waarschijnlijkheid. De eerste
(‘bienséance’) impliceert aangepastheid van een personage
aan datgene wat bij zijn sociale milieu behoort en aan zijn motivatie
(‘vraisemblance ordinaire’). Deze eis was onmisbaar (wet). De tweede eis heeft betrekking op al dan niet
verrassende en bovennatuurlijke (d.i. van goden afkomstige) ontknopingen
(‘vraisemblance extra-ordinaire’). Dit type diende tot extra
genoegen en was ‘ad libitum’. Waarschijnlijkheid hangt dan
blijkbaar samen met de geldende (maatschappelijke of literaire) conventies.
Waarschijnlijk zijn hoeft niet synoniem te zijn met ‘waar’
zijn.
Een bekend uitvloeisel van de eis van waarschijnlijkheid van de
eerste categorie is het drietal
Aristotelische eenheden. Zo is het bijv.
waarschijnlijker om de handeling binnen een bepaalde tijd (eenheid van tijd) te laten verlopen dan om dit niet te
doen.
In de Voorrede van
Samuel Coster bij de
Isabella (1619) wordt de waarschijnlijkheid van de
uitspraken en handelingen van personages in relatie tot hun karakter en status
voorop gesteld:
Mijn Heeren, dit Spel heet Isabella, en daar wort niet meerder in
vertoont als hy stelt dat op eene tijt, en op eene plaats geschiet is [...]
(S. Coster. Werken, ed.
Kollewijn, 1883, p. 301).
Behalve in het Frans-classicistische drama gold de eis van
waarschijnlijkheid ook in het 18e-eeuwse genre van de
briefroman. Waarom deze eis hier gold - en
niet in de ‘gewone’ roman - motiveert
Richardson in The Proscript van zijn
briefroman Clarissa Harlowe als volgt: de
realiteitsweergave achteraf van een gemoedshistorie veronderstelt bij de
betrokken personen die de schrijver hieromtrent zouden hebben ingelicht een
onwaarschijnlijk sterke kracht van herinnering en een even onwaarschijnlijk
vertrouwd contact met de auteur.
Het begrip waarschijnlijkheid blijft een rol spelen in de moderne
kritiek, zoals blijkt uit recent receptie-onderzoek (receptie
esthetica).
LIT: Baldick; Cuddon; Dupriez-1; Gorp; Lausberg; Shipley; B. Wolff
en A. Deken. Lotje Roulin, ed. J.C. Brandt Corstius (1954), p. 15; H.T.
Boonstra. ‘Van waardeoordeel tot literatuuropvatting’, in: De
Gids 142 (1979), p. 243-253. [G.J. Vis]
| |
wachtclaus
Term uit de toneelwereld voor het laatste woord binnen een
claus van een acteur dat voor de volgende
acteur het sein is om met zijn passage te beginnen. Al gedurende de
Middeleeuwen (abel spel) is het gebruikelijk dat de
eerste regel van een nieuwe claus op de slotregel van de vorige claus rijmt.
Acteurs beschikten vroeger vaak alleen over hun eigen uitgeschreven rol, waarin
de wachtclausen (een woord of een zin) van de andere acteurs waren aangegeven.
Omdat het vermoeden bestaat dat sommige drukken van toneelstukken uit de 16e en
17e eeuw vervaardigd zijn vanaf de verzamelde rollen van de spelers, zou het
voorkomen van wachtclausen tot tekstbederf hebben kunnen leiden.
LIT: E. Oey-De Vita. ‘Problemen van kopijonderzoek voor
toneelstukken uit de zeventiende eeuw I’, in: Spektator 3
(1973-1974), p. 12-29. [W. Kuiper]
| |
wachter
Personage uit het
rederijkerstoneel. De wachter kan al naar
gelang het type spel van karakter veranderen, maar desondanks blijft in hem de
‘wachter’ uit het
wachterlied herkenbaar. In
Reijnier Pouwelsz. Tspel van
Christenkercke (ed.
Brands, 1921) komen twee wachters voor. De
eerste is een parodie, omdat hij de minnaars waarschuwt dat de nacht nadert,
met andere woorden: de hoogste tijd om.... Daarnaast komt een wachter voor,
Scriftuerlijcke hoede, die de mensen tot kuisheid oproept.
In het
spel van zinne kan de wachter functioneren
als verslaggever of bode, daarmee de taak van de
zinnekens overnemend. In het stichtelijke
rederijkersspel is zijn rol vermanend en vergelijkbaar met wat later het
klassieke koor wordt. In het erotische rederijkersspel ten slotte lijkt hij het
sterkst op zijn archetype, de waarschuwer van stiekeme minnaars.
LIT: J.J. Mak. De rederijkers (1944); J.J. Mak. ‘De
wachter in het rederijkersdrama’, in: Uyt ionsten versaemt (1957),
p. 91-102; A.T. Hatto (ed.). Eos, an enquiry into the theme of lovers'
meetings and partings at dawn in poetry (1965), p. 473-504. [W. Kuiper]
| |
wachterlied
Uit de Zuid-Franse hoofse liefdeslyriek afkomstig subgenre (alba,
dageraadslied), waarin de torenwachter het
aanbreken van de dag verkondigt en dit vergezeld laat gaan van een waarschuwing
aan de minnaar om zijn geliefde te verlaten, willen zij niet in hun heimelijk
samenzijn betrapt worden. Een Middelnederlands voorbeeld van een wachterlied is
het 72e lied uit het Gruuthuse-handschrift, een
rondeel, dat opent met:
So wie bi lieve in rusten leit,
van niders clappen onbedwonghen,
hi mach wel zinghen vroilicheit,
tote dat de wachter heift ghesonghen:
‘Staet up, het's dach!’ ‘O wi, o
wach!’,
met handen vast ghewronghen.
(ed.
Heeroma en
Lindenburg, 1966, p. 383-384)
LIT: Best; Buddingh'; Gorp; Laan; Metzler; MEW; G. Kalff. Het
lied in de middeleeuwen (1884), p. 251-386; A.T. Hatto (ed.). Eos, an
enquiry into the theme of lovers' meetings and partings at dawn in poetry
(1965); P.K. King. Dawn poetry in the Netherlands (1971); P. Dronke.
The medieval lyric (1978). [W. Kuiper]
| | | |
w.a.f.
Aanduiding in een
auctiecatalogus voor ‘with all
faults’: met alle gebreken die aan het te veilen object vastzitten. De
koper van een dergelijk nommer wordt geacht niet te reclameren; het door hem
gekochte boek wordt ook niet teruggenomen (‘not subject to
return’).
LIT: Abbreviations, abréviations, Abkürzungen,
afkortingen (1969). [P.J. Verkruijsse]
| |
wagenspel
Betrekkelijk eenvoudig toneelstuk uit de late Middeleeuwen.
Tijdens een
blijde inkomst of een ommegang werd op
wagens door de plaatselijke
rederijkerskamer of een bepaald gilde een
aantal scènes meegevoerd, meestal in de vorm van een
tableau vivant (toog). Deze scènes werden telkens op een vast punt
opgevoerd, zodat de toeschouwers op die plaats het complete stuk zagen. Van
meer uitgebreide stukken werden de verschillende scènes na afloop van de
processie weer tot leven gewekt in een compleet toneelstuk, waarbij men een
wagen als podium gebruikte. In de Mariken van Nieumeghen
(ed.
Coigneau, 1982, vs. 728-857) wordt het
Wagenspel van Masscheroen opgevoerd, hetgeen leidt tot de
bekering van Mariken. De andere twee bekende wagenspelen zijn Den
berch van Thabor van het Haarlemse kleermakersgilde en
Christus scrijft inder eerden, gespeeld door
leerling-gezellen van het Middelburgse barbiersgilde.
LIT: Best; Gorp; Laan; MEW; B.H. Erné. ‘Over
wagenspelen’, in: TNTL 50 (1931), p. 223-240; W. Tydeman. The
theatre in the middle ages. Western stage conditions ca. 800-1576 (1978),
p. 95-113; H. Pleij, N. van Rossem & R. Simons. ‘Een wagenspel in
afleveringen als leesboek’, in: J.J.Th.M. Tersteeg & P.E.L. Verkuyl
(red.). Ic ga daer ic hebbe te doene. Een bundel opstellen voor F.
Lulofs (1984), p. 179-204; B.A.M. Ramakers, ‘5 mei 1448: Begin van de
traditie van de jaarlijkse opvoering van een van de zeven Bliscappen in
Brussel’, in: R.L. Erenstein (hoofdred.). Een theatergeschiedenis der
Nederlanden (1996), p. 42-49. [H. Struik/P.J. Verkruijsse]
| |
wapendicht
Heraldisch gedicht waarin een wapen wordt beschreven of geduid.
Wapendichten werden vervaardigd ter gelegenheid van tournooien of soortgelijke
plechtige bijeenkomsten. Ze konden echter ook de functie hebben van een
‘in memoriam’. Middelnederlandse wapendichten zijn bewaard gebleven
in het zgn. Wapenboek Gelre (ca. 1378).
LIT: Best; Buddingh'; Laan; Wilpert; J. Deschamps.
Middelnederlandse handschriften uit Europese en Amerikaanse bibliotheken
(19722), p. 111-113; W. van Anrooij. Spiegel van ridderschap.
Heraut Gelre en zijn ereredes (1990), p. 78-114. [W. Kuiper/H. Struik]
| |
wastafel
Algemeen schrijfmateriaal voor het dagelijks schriftverkeer
(brieven, rekeningen, schoolwerk e.d.) in de Klassieke Oudheid en de
Middeleeuwen. Wastafels waren meestal van hout, soms van ivoor. Het plankje was
verdiept: de groef binnen de randen werd gevuld met was. In de zachte was werd
geschreven met een
stilus, een metalen stift die aan een
uiteinde verbreed was om het geschrevene te kunnen wissen. Vaak bond men twee,
drie of meer wastafels aan elkaar (respectievelijk diptychon, triptychon en
polyptychon), zodat de tekst aan de binnenkant onaangetast bewaard en vervoerd
kon worden. Het wastafeltje is de voorloper van de lei en werd vooral in de
late Middeleeuwen veelvuldig gebruikt in het onderwijs. Op sommige plaatsen in
Europableef men tot in de 19e eeuw wastafels gebruiken voor het
rekeningverkeer.
In de late Oudheid schreef men ook wel op houten en ivoren
plankjes zonder was. De ivoren consulaire diptieken, die door een consul bij
zijn ambtsaanvaarding werden weggegeven, waren in de Middeleeuwen zeer geliefd
als boekplat van luxe handschriften. Bij restauratie van dergelijke boekbanden
worden op de achterzijde van de diptieken vaak schriftsporen aangetroffen.
LIT: BDI; J. Stiennon. Paléographie du moyen age
(1973), p. 159; B. Bischoff. Paläographie des römischen Altertums
und des abendländischen Mittelalters (19862), p. 26-28. [H.
Struik]
| |
waterlijnen
Term uit de papiermakerij voor de heel dicht bij elkaar tussen de
korte zijden van het
vel lopende lijnen die men kan zien als men
het
papier tegen het licht houdt. De loodrecht
daarop staande lijnen die ca. 2,5 cm van elkaar verwijderd zijn, heten
kettinglijnen. Water- en kettinglijnen,
evenals trouwens het
watermerk, ontstaan in het papier door de
afdruk in de papierpulp van de draden waarmee de zeef (schepraam) gevlochten
is.
LIT: BDI; Feather; Scott; Ph. Gaskell. A new introduction to
bibliography (19742), p. 58. [P.J. Verkruijsse]
| |
watermerk, filigraan of filigram
Term uit de papiermakerij voor een merkteken dat in geschept
papier wordt aangebracht door in het
schepraam met koperdraad een figuur te vlechten. De afdruk van het koperdraad
in het
vel is te zien wanneer men het papier tegen
het licht houdt. Vanaf het einde van de 13e eeuw komen watermerken in papier
voor; iedere papiermaker en -molen heeft zijn eigen watermerk(en). Dit gegeven
maakt het mogelijk papier en van dat papier gemaakte niet-gedateerde en
niet-gelokaliseerde boeken te situeren, respectievelijk ten naaste bij te
dateren. Een uitzondering moet gemaakt worden voor papier van slechte kwaliteit
uit het eind van de handpersperiode (18e eeuw), dat vaak geen watermerk heeft.
Omdat er met twee schepramen gewerkt werd, moesten er ook twee watermerken
gevlochten worden, die wel sterk op elkaar lijken, maar natuurlijk niet
identiek zijn (‘watermarks are twins’, maar geen identieke
tweelingen). Ze kunnen onderscheiden worden door te letten op hun positie ten
opzichte van de
kettinglijnen en op de indrukken van de
knopen waarmee ze bevestigd zijn.
In de 17e eeuw geeft het watermerk ook een indicatie omtrent de
kwaliteit van het papier en de afmetingen van een vel. De initialen of tekens
van de individuele papiermolens worden dan als een zogenaamd contramerk
toegevoegd in het midden van de andere helft van het schepraam.
Zeker vanaf de 15e eeuw heeft het watermerk een vaste plaats
gekregen in het schepraam, nl. in het midden van de helft van het raam, dus op
1/4 van boven, respectievelijk 3/4 van onder. Voor de bibliograaf, die het
bibliografisch
formaat van een boek moet vaststellen, heeft
dit de volgende consequenties. Bij een boek in
folio-1 bevindt het watermerk zich in het
midden van een van de twee bladen (blad-2) van het
katern. In een boek in
kwarto bevindt het watermerk zich in de rug
van het katern; bij een
octavo boven in de rug. Bij kleinere
formaten (duodecimo en kleiner) is van het watermerk
meestal niet veel meer terug te vinden omdat het
boekblok bij het binden afgesneden is. Maar
ook bij de grotere formaten kan het lastig zijn om het watermerk te
identificeren wegens de drukinkt. Er zijn verschillende methoden om het
watermerk in beeld te brengen: bèta-radiografie, maar daartoe moet het
boek dan eigenlijk uit de band genomen worden; fotograferen met behulp van een
lichtbak; wrijfsels met zacht potlood; röntgenfotografie na het
tussenleggen van speciale film en loodfolie en vacuüm zuigen van het
boek.
Inventarisaties van watermerken zijn ondernomen door
C.M. Briquet: Les filigranes.
Dictionnaire historique des marques du papier dès leur apparition vers
1282 jusq'en 1600 (ed.
Stevenson, 4 dln., 1968) voor de 14e-16e
eeuw, en voor de 17e-18e eeuw door
W.A. Churchill: Watermarks in
paper in Holland, England, France, etc., in the XVII en XVIII
centuries (19672) en E. Heawood: Watermarks
mainly in the 17th and 18th centuries (19702). Vanaf
1961 verschijnen de Findbücher der Wasserzeichenkartei Piccard
im Hauptstaatsarchiv Stuttgart (1300-1700), waarin
G. Piccardrubrieksgewijze delen uitgeeft
over bijv. ‘Die Kronenwasserzeichen’, ‘Die
Ochsenkopfwasserzeichen’. ‘Die Turmwasserzeichen’,
‘Wasserzeichen Buchstabe P’ enz. Belangrijke collecties watermerken
bevinden zich in de Koninklijke Bibliotheek teDen Haag, nl. de
collectie
Theo Gerardy met ongeveer 12.000
registraties, en in de Universiteitsbibliotheek van
Göttingen, nl. de collectie
Eberhard Tacke.
Veel gebruikte watermerken zijn de ossekop (Briquet vermeldt onder zijn 16.112 watermerken niet minder
dan 1.350 variaties daarop), de Franse lelie, de eenhoorn, een druiventros, een
zotskap (‘foolscap’ als papierformaat), een kroon
(‘crown’) en een kan (‘pot’).
LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; Scott; A.H. Stevenson.
‘Watermarks are twins’, in: Studies in Bibliography 4
(1951-1952), p. 57-91; Ph. Gaskell. A new introduction to bibliography
(19742), p. 60-66; J.M.M. Hermans en G.C. Huisman. De
descriptione codicum (19813), p. 20-23; A.C. Schuyvlot.
Papier in de U.B.A. (1984); A.J. Elen. ‘Papierhistorie’, in:
Vriendschap in vereniging; catalogus van de tentoonstelling t.g.v. het
vijftigjarig bestaan van de Vereniging Vrienden der Koninklijke Bibliotheek
(1988), p. 87-89; A.K. Offenberg. ‘Hoe waterdicht zijn dateringen met
watermerken?’, in: De Boekenwereld 9 (1992), p. 2-11. [P.J.
Verkruijsse]
| | | |
weekblad
Een op de nieuwsvoorziening en vaak speciaal op de achtergronden
van het nieuws uit het
dagblad gericht periodiek met een wekelijkse
frequentie en een sterke continuïteit in verschijningsvorm. De meeste
weekbladen hebben een aantal culturele rubrieken, bijv. over muziek, toneel,
beeldende kunst en literatuur. De bekendste weekbladen van dit type zijn
Vrij Nederland, HP/De Tijd en Elseviers Weekblad, elk met
een eigen maatschappelijke signatuur.
Het is moeilijk om een grens te trekken tussen de hier genoemde
weekbladen, die in opzet en uitvoering een sterke gelijkenis kunnen vertonen
met het dagblad en daarom ook vaak als krant worden aangeduid, en de groep van
damesbladen (Margriet, Libelle, Eva e.a.) en
geïllustreerde bladen (Panorama, Nieuwe Revue, Voetbal
International e.d.) die ook wekelijks verschijnen. Over het algemeen
bestaat de neiging deze laatste categorieën als
tijdschrift te bestempelen, evenals de
slechts korte tijd verschenen literaire weekbladen Hollands Diep en
Het Gewicht.
Een aantal weekbladen geeft regelmatig een uitsluitend aan
literatuur gewijd bijvoegsel uit (HP/De Tijd en Vrij
Nederland).
LIT: BDI. [G.J. van Bork]
| |
weerdruk
Druktechnische term voor de druk die op de
verso-zijde van het reeds aan
één zijde bedrukte
vel wordt aangebracht. De weerdruk dient
goed
register te maken met de
schoondruk. Wanneer zowel schoon- als
weerdruk aangebracht zijn, is het vel compleet met de
binnen- en
buitenvorm waarna het tot een
katern gevouwen kan worden.
Gewoonlijk bestaat de weerdruk uit de buitenvorm omdat men begint
met de binnenvorm die eerder klaar is, maar strikt noodzakelijk is dat niet.
Wanneer men een vel aantreft waarop de weerdruk ontbreekt of waar die slecht
register maakt met de schoondruk, heeft men misschien te maken met een
proefdruk.
LIT: BDI; Feather; Hiller; W.Gs Hellinga. Kopij en druk in de
Nederlanden (1962), p. 141; P.M. van Cleef. Handboek ter beoefening der
boekdrukkunst in Nederland, ed. F.A. Janssen (1974), p. 84 vlgg.; C.
Schook. Handboekje voor letterzetters, boekdrukkers en correctors, ed.
F.A. Janssen (1981), p. 49 vlgg. [P.J. Verkruijsse]
| |
wees of weesmeisje
Term uit de typografie en de tekstverwerking voor de eerste regel
van een nieuwe alinea die onderaan de pagina staat, terwijl de rest op de
volgende pagina staat afgedrukt. Omdat dit als lelijk ervaren wordt, kan een
zetter d.m.v.
uitdrijven de regel naar de volgende pagina
verplaatsen dan wel d.m.v.
inwinnen minimaal twee regels onder aan de
pagina forceren.
LIT: BDI; Brongers. [W. Kuiper]
| | | |
weesrijm-1
Geïsoleerde, niet-rijmende versregel in een gepaard rijmende,
middeleeuwse (epische) verstekst. Een weesrijm is ontstaan doordat de
kopiist de bijbehorende versregel heeft
overgeslagen of vergeten (transmissiefout). Beschikt men
over meer redacties (redactie-2) van een tekst, zoals
bijv. met de Reinaert het geval is, dan kan deze vorm van
tekstverminking veelal gemakkelijk worden hersteld (tekstkritiek,
tekstreconstructie). Het is heel goed mogelijk
dat het even aantal versregels in de kolommen van een middeleeuwse
codex een rijmpaar-brekende functie had. Omdat
een weesrijm snel opvalt, zal een
corrector, zoals in de
Ferguut, of een volgende kopiist het weesrijm weer
aanvullen tot een compleet rijmpaar. Omdat deze correcties doorgaans
plaatsvonden zonder dat de
legger geraadpleegd werd of kon worden, kunnen
zij beter als
corrupties aangemerkt worden.
LIT: Best; Boven/Dorleijn; A.M. Duinhoven. Bijdragen tot
reconstructie van de Karel ende Elegast I (1975), p. 150; W. Kuiper.
‘Lombarden, paragraaf- en semi-paragraaftekens in Middelnederlandse
epische teksten’, in: Spektator 10 (1980-1981), p. 50-85. [H.
Struik]
| |
weesrijm-2 zie
gebroken rijm-1
| |
welsprekendheid zie
retorica
| |
Weltschmerz
Droefgeestig pessimisme dat vooral in de literatuur van de
romantiek hoogtij vierde. Het is een
fundamentele gemoedsstemming (gevoel en verbeelding)
samenhangend met een lijden aan het hier en nu (‘le mal du
siècle’). Auteurs die hieraan uiting gaven, zijn
Byron,
De Musset en
Heine. In Nederland zijn de
jonge
Beets (in zijn ‘zwarte
tijd’) en
Paaltjens (veelal in de vorm van
ironie) te noemen. Soms gaat Weltschmerz
gepaard met een religieus geluksverlangen (Feith).
LIT: Baldick; Cuddon; Gorp; Laan; Metzler; Scott; Wilpert. [G.J.
Vis]
| | | |
wensdicht
Subgenre binnen de raadselliteratuur (raadsel,
raadselvers), waarin mensen om beurt een
wens uitspreken en aan het slot het publiek moet raden wiens wens de beste was
of het meest in overeenstemming met een vooraf gestelde norm. Middelnederlandse
voorbeelden zijn: Vier heren wenschen, Vijf
vrouwen wenschen, Vijf heren wenschen en
Bouden vander Loren's Achte
personen wenschen, alle daterend uit het laatste kwart van de 14e
eeuw en bewaard gebleven in het handschrift-Van Hulthem.
LIT: Laan; W. Kuiper, H. Pleij, R. Resoort. ‘Bouden vander
Lore: Acht persone wenschen’, in: H. van Dijk, W.P. Gerritsen, O.S.H. Lie
(red.). Klein kapitaal uit het handschrift-Van Hulthem (1992), p. 23-31.
[W. Kuiper]
| |
wereldbeeldaspect
In de drama-analyse gebruikte term voor één van de
vijf
handelingsaspecten die binnen het drama
kunnen worden onderscheiden. Het wereldbeeldaspect is het handelingsaspect dat
verwijst naar de werkelijkheid of de denkwereld die de achtergrond vormt van
het drama en dat op die manier bijdraagt tot de emotionele werking. Het doet
een beroep op de levenservaring van de toeschouwer of op diens kennis van de
actuele of historische situatie. Zo'n verwijzing naar de levenservaring vindt
men bijv. in de
sententia aan het slot van
Vondels Joseph in
Dothan:
Och d'ouders teelen 't kint, en maecken 't groot met smart:
Het kleene treet op 't kleet; de groote treên op 't hart.
(Werken, WB-ed., dl. 4, 1930, p. 147).
LIT: J.I.M. van der Kun. Handelingsaspecten in het drama
(19702). [G.J. van Bork]
| |
wereldlijk drama
Verzamelnaam voor profane Middelnederlandse toneelstukken (abel spel,
esbatement,
sotternie) ter onderscheiding van
toneelstukken met een religieuze inhoud (apostelspel,
heiligenspel,
mirakelspel,
moraliteit,
mysteriespel,
spel van zinne).
LIT: H. Kindermann. Das Theaterpublikum des Mittelalters
(1980). [W. Kuiper]
| |
werkelijke lezer zie
reële lezer
| |
wet
Wanneer begrippen uit de
poetica-1 en de
retorica normatief worden gehanteerd,
spreekt men van wetten of regels. Zo zijn de aanvankelijk descriptief bedoelde
Aristotelische eenheden van het drama in de
periode van het
classicisme niet descriptief gehanteerd maar
als voorschriften, waardoor ze het karakter kregen van normen waaraan men zich
diende te houden. Sommige literaire en stilistische onderscheidingen uit de
renaissance (elocutio) zijn tot in de 19e eeuw als
wetten gehanteerd, o.a. door
B.H. Lulofs in zijn
Redekunst (1820); daardoor was zijn stijlleer een geheel
van regels die men in acht moest nemen, wilde men literair aanvaardbaar
schrijven. In de
romantiek poogde menig schrijver aan deze
situatie een eind te maken.
LIT: Preminger; Shipley. [G.J. Vis]
| |
wettelijk depot
Begrip uit de bibliotheekwereld voor de wettelijke verplichting
aan uitgevers om van al hun uitgaven één of meer exemplaren in te
leveren bij de overheid, gewoonlijk de nationale bibliotheek. In vrijwel alle
landen ter wereld bestaat zo'n wet; in Nederland (nog) niet.
InBelgië is het wettelijk depot sinds 1966 verbonden aan de
Koninklijke Bibliotheek Albert I; in Nederland is men uiteindelijk in 1974
gekomen tot een aan de Koninklijke Bibliotheek inDen Haag
verbonden Depot van Nederlandse Publikaties en Nederlandse Bibliografie, waar
de meeste Nederlandse uitgevers een exemplaar van hun uitgaven deponeren
volgens een verplichting, opgenomen in artikel 16a van het Reglement
Handelsverkeer van de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des
Boekhandels. Alleen op basis van een goed functionerend depot is het mogelijk
een enigszins complete
nationale bibliografie te vervaardigen. Een
bij het depot aangeboden boek wordt voorzien van een
D-nummer, dat afgedrukt kan worden op de
verso-zijde van het
titelblad of in het
colofon.
De verplichting tot inleveren van een exemplaar van een uitgave
bij een overheid is niet nieuw. Reeds in de 16e eeuw vaardigde Frans I een
dergelijke maatregel uit voor zijn koninklijke bibliotheek. Toen
Plantijn in 1579 de officiële
stadsdrukker van Antwerpen werd, verplichtte hij zich om van al
zijn drukken een exemplaar op het stadhuis af te leveren. In 1688 werden de
Utrechtse boekdrukkers verplicht een exemplaar af te staan voor de
Stadsbibliotheek, een bepaling die in 1753 nog eens herhaald werd. Een poging
van de gemeenteDeventer in 1761 om van ieder in Deventer gedrukt
boek een exemplaar in de Athenaeumbibliotheek opgenomen te krijgen liep op
niets uit.
Het wettelijk depot is in het verleden ook misbruikt voor
preventieve
censuur en in het kader van
auteursrechtregelingen. In Nederland werd aan de depotregeling voor het
auteursrecht in 1912 een eind gemaakt; in België was dat in 1886 al
gebeurd.
LIT: BDI; Brongers; Feather; Gorp; Hiller; MEW; A.W. Willemsen.
‘Het wettelijk depot van publikaties in Nederland. Enkele kanttekeningen
bij een slepende affaire’, in: Boeken verzamelen. Opstellen aangeboden
aan Mr J.R. de Groot [...] (1983), p. 320-331; P. Pesch. ‘Utrechtse
drukken’, in: Handschriften en oude drukken van de Utrechtse
Universiteitsbibliotheek (19842), p. 333-334; J.C. Bedaux.
‘425 jaar Stadsbibliotheek Deventer’, in: Stads- of
Athanaeumbibliotheek Deventer 1560-1985 (1985), p. 15; Vijf eeuwen
Stadsbibliotheek Antwerpen (1985), p. 7-9; Ed van Eeden (red.). 25 Jaar
Depot van Nederlandse Publicaties, Koninklijke Bibliotheek (1998). [P.J.
Verkruijsse]
| |
wiegelied
Kinderlied dat bij het wiegen wordt
gezongen. Vanouds is het bekend als
volkslied-1, bijv. in de vorm van het
slaapliedje. Daarnaast is het, vooral sinds
de romantiek, als
cultuurlied beoefend door
Hoffmann von Fallersleben,
Schumann,
Brahms en vele anderen. Hun
wiegeliederen zijn ook in het Nederlands vertaald, bijv. het
‘Poppenwiegelied’ van
Carl Reinecke (1824-1910). Zoals het
wiegelied zich in de muziek zelfstandig verder ontwikkelde, zonder tekst (bijv.
in de ‘berceuses’ van Chopin), zo schreven dichters wiegeliederen
zonder directe bedoeling om ze te laten toonzetten. Men denke hier aan
P. van Ostaijen, die bovendien soms nog
verder ging doordat hij ook de gerichtheid op het kind niet meer beoogde,
blijkens zijn ‘Berceuse voor Volwassenen’ (VW Poëzie,
dl. 2, 1979, p. 234).
Het genre is verwant aan dat van het
bakerrijm.
LIT: Best; Cuddon; Gorp; MEW; Scott; Wilpert; M.J.E. Sanders.
Van Hieronymus van Alphen tot Catherina van Rennes (1958); J. de Vuyst.
Het Nederlands volkslied (1967). [G.J. Vis]
| | | |
wit
In de zetterij wordt alle zetmateriaal dat lager is dan
letter aangeduid met wit. Wit tussen de
woorden geeft spaties; het normale wit tussen de regels heet interlinie; het
wit om de
zetspiegel heen levert de marges op die in
de zetterij worden aangeduid met
kopwit,
rugwit,
snijwit en
staartwit.
Bij veel gedrukte teksten in
proza is het wit naast de regels van belang
als visueel gegeven (lay-out) binnen de
bladspiegel. Bij gedrukte teksten in
poëzie-1 is het doorgaans zo dat het
wit rechts van de regels aan de tekstzijde van boven naar beneden geen rechte
lijn vertoont. Wit tussen de regels in prozateksten kan fungeren als middel ter
ondersteuning van onderling verschillende tekstgedeelten, soms als
paragraaf, soms als (onderdeel van een)
hoofdstuk. Speciaal bij poëzie heeft het wit tussen de regels een
structurele (structuur) functie ter onderscheiding van
de verschillende
strofen. Dit strofewit is herkenbaar aan de
afstand die groter is dan de gehanteerde regelafstand.
LIT: BDI; Brongers; Lodewick; R. Geggus. Die wit in die
poezie (1961); P.M. van Cleef. Handboek ter beoefening der boekdrukkunst
in Nederland, ed. F.A. Janssen (1974), p. 35-37, 58-62; H. van Krimpen.
Boek over het maken van boeken (1986), p. 28 v., 423-435; F.A. Janssen.
Zetten en drukken in de achttiende eeuw (19862), p. 436 v.
[G.J. Vis/P.J. Verkruijsse]
| |
woordcommentaar
Verklaring van of toelichting op woorden in een tekstuitgave door
een editeur, doorgaans in de vorm van een
annotatie. Meestal spreekt men van woord- en
zakencommentaar, daarmee een nauwkeurig
onderscheid tussen beide typen
commentaar vermijdend. Dat onderscheid is
ook lang niet altijd duidelijk, maar meestal bedoelt men met woordcommentaar
toelichtingen op in onbruik geraakte woorden, dialectvormen of woorden uit
vreemde talen. Voorbeelden hiervan uit de Camera obscura
van
Hildebrand zijn ‘bouffante’ en
‘blankofficier’, waarbij de editeur noteert ‘lange wollen
das’, respectievelijk ‘slavenopzichter in Suriname’.
Woord- en zakencommentaar kan men vooral aantreffen in
school-,
studie- en
leesedities. De aard en omvang ervan is
afhankelijk van het publiek waarop een
editie gericht is.
LIT: Mathijsen. [G.J. van Bork]
| |
woordemblema
Emblema in woorden met dezelfde
karakteristieken als het gewone embleem dat bestaat uit een
motto-2, een
pictura en een
subscriptio. In het woordembleem moet het
opgeroepen beeld uitgaan van visuele en concrete voorstellingen, het moet uit
de werkelijkheid stammen of geloofwaardig zijn. Als zodanig onderscheidt het
woordembleem zich van de
allegorie en het
symbool.
Een voorbeeld van een woordembleem is het gedicht ‘Op de
gelegentheydt van een spijcker in 't hout te smijten’ van
Jan Claesz. Schaep in diens
Bloem-tuyntje van 1660 , waarin in vs. 1-10 het beeld
geschetst wordt en in vs. 11-28 de subscriptio gegeven wordt:
Wanneer men op een spijker slaet,
Die boven op een houtje staat,
De spijker sachjes inne glijt,
Soo lang men recht op 't hoofje smijt;
Maer geeft men eens een slimme klop,
En juyst niet recht daer boven op,
Soo word hy datelijk soo krom
Dat hy seer qualik wil weer om;
Hoe dat men slaet daer blijft een bocht,
't Welk ik wel somtijds heb besocht.
Soo even dunkt my dat 'et gaet,
Wanneer men heeft een vriendt of maet:
(G. Komrij. De Nederlandse
poëzie van de 17e en 18e eeuw in duizend en enige gedichten,
1986, p. 589-590)
LIT: K. Porteman. Inleiding tot de Nederlandse
emblemataliteratuur (1977), p. 153-163. [P.J. Verkruijsse]
| |
woordenboek
De gebruikelijke benaming voor een boek dat de woorden van een
taal inventariseert en de betekenis van die woorden omschrijft, zoals in het
Middelnederlandsch woordenboek (1885-1952) van
Verwijs en
Verdam, het Woordenboek der
Nederlandsche taal (1882-....) en de ‘Van Dale’.
De term is ook nog steeds in gebruik voor biografische
woordenboeken (biografie). Ook een
encyclopedie of een
lexicon wordt wel aangeduid als woordenboek,
maar in deze betekenis raakt de term in onbruik.
De invloedrijke 17e-eeuwse encyclopedie van
Louis Moréri heet Le
grand dictionnaire historique (1674) en ook de bekendste van alle
encyclopedieën heeft in de titel ‘woordenboek’:
Encyclopédie ou dictionnaire raisonné (1751-1772). De
18e-eeuwse Nederlandse encyclopedieën heten eveneens woordenboek, bijv.
Het algemeen historisch, geographisch en genealogisch woordenboek
(1724-1737) van
A.G. Luïscius. Het lexicon van
Ter Laan noemt zich Letterkundig
woordenboek voor Noord en Zuid (19522).
LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Feather; Hiller; Laan; Wilpert.
[P.J. Verkruijsse]
| |
woordenspel
Verzamelnaam voor een aantal gevallen van taalgebruik waarbij
zowel gespeeld wordt met de vorm van woorden (klank,
contaminatie, spelling e.d.) als met de
betekenis ervan (ambiguïteit,
homonymie,
homofonie e.d.). Het spelelement kan een
komische bedoeling hebben, maar ook in serieuze zin gebruikt worden. Veelal
ligt het accent op het taalvernuft, de geraffineerde wijze waarop een auteur
gebruik maakt van de mogelijkheden van de taal. Vooral in de 17e eeuw was
woordenspel zeer geliefd bij de metaphysical poets en in ons land bij auteurs
als
Vondel,
Hooft en
Huygens. Met name in het
puntdicht (vgl. Huygens) is woordenspel een
belangrijk element. Later zal in het
cabaret graag en veelvuldig gebruik worden
gemaakt van woordenspel. Buiten de literatuur kan het verschijnsel worden
aangetroffen in reclameteksten. De
woordspeling is een vorm van woordenspel
waarin vooral gebruik wordt gemaakt van de letterlijke en figuurlijke betekenis
van woorden of van onverwachte combinaties van woorden.
Moderne Nederlandse auteurs met een voorkeur voor woordenspel zijn
John O'Mill, C. Buddingh', Annie M.G. Schmidt, Ivo de Wijs en Drs. P.
LIT: Abrams; Bantel; Best; Gorp; Metzler; MEW; Preminger; Scott;
Shipley; J.T. Shipley. Playing with words (1960). [G.J. van Bork]
| |
woord- en zinfiguren, figurae elocutionis of figurae
verborum
Term uit de stijlleer voor die groep
stijlfiguren die, anders dan de
gedachtefiguren, een organisatie op
syntactisch niveau als basis hebben. Dit is bijvoorbeeld het geval met
inversie,
asyndeton-1,
ellips,
zeugma,
anakoloet en
apokoinou. In ruimere zin rekent men ook
stijlfiguren als
apostrofe,
correctio,
praeteritio,
litotes en zelfs
hyperbool tot de woord- en zinfiguren. In
dit laatste geval ziet men overlappingen met de categorie van de
gedachtefiguren, terwijl men bij een stijlfiguur als de
repetitio kan opmerken dat deze, als
syntactisch gebonden stilisticum, tot de woord- en zinfiguren behoort, maar als
voorbeeld van klankherhaling tot de
klankfiguren dient te worden gerekend.
LIT: Best; Boven/Dorleijn; Gorp; Lausberg; Lodewick; MEW;
Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis/P.J. Verkruijsse]
| |
woordindex of KWOC-index
Alfabetische lijst van alle woorden uit een tekst met verwijzing
naar de plaats (de regels) waar ze voorkomen. De samensteller van een
woordindex heeft de keuze tussen een KWIC-index of
concordantie-1 (een index met het ‘Key
Word In Context’) en een KWOC-index met het ‘Key Word Out of
Context’. In het eerste geval wordt een deel van de omringende context
voor en na het te alfabetiseren woord geplaatst; in het tweede geval wordt
alleen het desbetreffende woord gegeven met de verwijsplaatsen.
Woordindexen zijn van belang voor de tekstinterpretatie: ze
stellen de filoloog in staat een groot aantal bewijsplaatsen binnen het werk
van een auteur bij de interpretatie te betrekken. Op enkele literaire werken
bestaan woordindexen:
P. King, Complete word-indexes
to J. van den Vondel's Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst and
Lucifer (1973) en
R. Eeckhout en
W. Martin, Woordindex op de Mei
van Gorter (1969-1971).
LIT: BDI; P.S.A. Groot. Documentaire dienstverlening
(1981), p. 59-61. [P.J. Verkruijsse]
| |
woordkunst
Term uit de kritiek en de literatuurgeschiedenis voor de
literatuur als het schone gebruik van woorden. De term is bekend geworden door
F. van Eedens aanval op de
Tachtigers in zijn beschouwing ‘Over
woordkunst’ (1902). De term is sterk verbonden met het impressionistisch
(impressionisme) taalgebruik en als zodanig soms in
minder gunstige zin door diverse critici gehanteerd, bijvoorbeeld door
P.N. van Eyck in zijn kritiek op de
poëzie van
Marsman. In positieve zin is de term
o.a. gebruikt door
P. van Ostaijen. Het begrip woordkunst
is jarenlang blijven voortleven in het gelijknamige schoolboek van
M.A.P.C. Poelhekke (24e en laatste druk
in 1961). Poelhekke, uitgaande van een woordkunstig werk als ‘een geheel,
een volkomen eenheid in alles wat wij eraan opmerken’ (Woordkunst,
196124, p.11), onderscheidt een aantal factoren van belang:
allereerst talent, vervolgens toewijding (‘arbeid’), invloed,
traditie, reactie, mode en tijdgeest. In de jaren '60 kwam de bewerker van dit
boek,
J.J. Gielen, tot de overtuiging dat het
werk van Poelhekke ‘stammend uit de sfeer van Tachtig’ een
verouderde wijze van literatuurbenadering moest worden genoemd, en aan
vervanging toe was (Taalkunst, 1968, p. 11).
Hoewel de term door schrijvers van uiteenlopende aard is gebruikt,
fungeert deze in literatuurgeschiedenissen doorgaans als aanduiding van de
esthetische opvatting (l'art pour l'art) van Tachtig en
van het taalgebruik van de naturalisten (‘écriture
artiste’).
LIT: Best; Laan; Metzler; T. Anbeek. De naturalistische roman
in Nederland (1982), p. 62-64. [G.J. Vis]
| |
woordspeling
Vorm van
woordenspel bestaande uit het gebruik van
een woord of een combinatie van woorden in meer dan één betekenis
(ambiguïteit). De spanning tussen de verschillende
betekenissen wordt dikwijls veroorzaakt door het gebruik van een woord in
letterlijke en tevens figuurlijke zin (figuurlijk
taalgebruik). Men vindt het verschijnsel in menig
gezegde, zoals in de
zeispreuk: ‘Ik wil hoger op, zei de
jongen, en hij kwam aan de galg’. De woordspeling kan gepaard gaan met
klankspel. Menige
cabaret tekst zit daar vol mee.
Woorspelingen kunnen veelvoudig zijn opgebouwd. Zo is de naam van het
gezelschap Don Quichocking een woordspeling, in de vorm van een
contaminatie (portemanteau), opgebouwd uit de elementen ‘Don
Quichotte’, ‘[celui qui] choque’ en ‘[that is]
shocking’, waarmee het tevens een
allusie is op de internationale
oriëntatie die men kennelijk nastreeft.
De woordspeling kan de vorm hebben van een
antithese, zoals te zien is bij de genoemde
zeispreuk. In tegenstelling tot het ruimere begrip woordenspel is de
woordspeling beperkt tot een spel met betekenissen, maar sommigen gebruiken
beide termen door elkaar.
LIT: Bantel; Best; Buddingh'; Gorp; Lodewick; Metzler; MEW. [G.J.
Vis]
|
|
|